Summer Deal
‘Loon- en arbeidsvoorwaarden’

8 webinars on demand

Summer Deal
‘Internationale tewerkstelling’

4 webinars on demand

Summer Deal
‘Welzijn op het werk’

5 webinars on demand

Car policies:
15 aandachtspunten
onder de loep

Webinar op 6 oktober 

De Klokkenluidersregeling:
de klok tikt…

Webinar op 30 augustus

Grensoverschrijdend gedrag: what’s in a name?

Webinar on demand

De “mentale toestand” van een werknemer is geen vrijbrief voor het maken van fouten die aanleiding geven tot een ontslag om dringende reden (Consenso Advocaten)

Auteur: Janne Poets (Consenso Advocaten)

In casu werd een werkneemster, die verpleegkundige was in een woonzorgcentrum, ontslagen om dringende reden omwille van herhaalde diefstal van bepaalde medicatie, diefstallen die ze pleegde bij de werkgever.

Deze diefstallen waren vaststaand ingevolge een vonnis van de correctionele rechtbank waarin de werkneemster de feiten van de diefstallen had bekend maar waarbij ze – na een psychiatrisch onderzoek – ook geestesgestoord werd verklaard omwille van bepaalde aandoeningen.

Toen de werkgever kennis kreeg van het correctionele vonnis, werd een ontslag om dringende reden doorgevoerd.

De vakbond, namens de werkneemster, betwistte het ontslag en hield voor dat de werkneemster geestesgestoord was en dus in een toestand verkeerde waarbij zij geen controle over haar daden had of waarbij haar oordeelsvermogen werd aangetast. Bijgevolg mocht de werkneemster niet worden ontslaan om dringende reden want de feiten waren haar niet-toerekenbaar.

De werkgever toonde aan (i) dat de diefstallen dateerden van 2014 (en eerder) en het correctionele vonnis, waarbij een gerechtelijke expertise werd bevolen, uitgesproken werd in 2017. (ii) Bovendien was de gerechtelijke expertise bevolen omdat een procedure was opgestart door de familie van de werkneemster, nu de werkneemster de gestolen medicatie toediende aan haar kind(eren). Er moest dus sowieso worden nagegaan of de gerechtsdeskundige überhaupt de diefstallen had onderzocht of de andere feiten.

(iii) Een niet onbelangrijk argument dat de werkgever voerde in de arbeidsrechtelijke procedure was de vaststelling dat ook al zou de werkneemster geestesgestoord geweest zijn op het moment van de diefstallen : de vertrouwensbreuk tussen partijen was ontstaan en bleef overeind. De werkgever, als uitbater van een woonzorgcentrum, heeft een imago hoog te houden, t.a.v. de buitenwereld en in de eerste plaats t.a.v. bewoners aan wie de best mogelijke zorgen dienen te worden verleend en hun familie.

Het volledige deskundig verslag werd neergelegd voor het arbeidshof, waarna het arbeidshof van oordeel was dat niet werd aangetoond dat de werkneemster, op het ogenblik van de diefstallen, in een zodanige toestand verkeerde dat zij geen controle had over haar daden of dat haar oordeelsvermogen was aangetast.

Het arbeidshof bevestigde ook het argument van de werkgever dat diefstal een ernstige tekortkoming uitmaakt die een vertrouwensbreuk veroorzaakt die de samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk heeft gemaakt. Er kon niet van de werkgever worden verwacht dat de werkneemster als verpleegkundige verder kon worden tewerkgesteld. Het lijkt er dus op dat het arbeidshof de werkgever volgt in haar overtuiging dat de vertrouwensbreuk de eventuele ontoerekeningsvatbaarheid sowieso zou hebben ‘overruled’…

Het ontslag om dringende reden werd bevestigd.

(Arbh. Antwerpen, afd. Hasselt 19 mei 2021, niet gepubliceerd)

Bron: Consenso Advocaten