De inhoudingsplicht inzake aannemingen: de RSZ moet terugbetalen… (VDV Advocaten)

Auteur: Maarten Verhaghe (VDV Advocaten)

Publicatiedatum: 26/05/2020

Een opdrachtgever die in gebreke was gebleven zijn inhoudingsplicht na te komen en daarvoor hoofdelijk aansprakelijk werd gesteld voor de schulden van zijn aannemer, heeft recht op terugbetaling door de RSZ van 35% van de bedragen die hij als sanctie had betaald.

Inhoudingsplicht voor sociale schulden

Elke opdrachtgever/hoofdaannemer die met aannemers/onderaannemers werkt, moet bijzondere aandacht hebben voor de ‘inhoudingsplicht’ (art. 30bis RSZ-Wet). Wanneer zijn aannemers/onderaannemers sociale schulden hebben, dan is de opdrachtgever gehouden om 35% van hun factuurbedrag in te houden en door te storten aan de RSZ.

De controleverantwoordelijkheid ligt steeds bij de opdrachtgever/aannemer. Hij moet vooraf én tijdens de uitvoering van de werken nagaan of zijn aannemer/onderaannemer al dan niet sociale of fiscale schulden heeft.

Dit kan (vrij eenvoudig) nagezien worden op de website.

Sanctie

De sanctie ingeval de opdrachtgever in gebreke blijft, is niet mals: hij riskeert hoofdelijk aansprakelijk te worden gesteld voor de schulden van zijn medecontractant, voor 100% van de prijs van de werken, excl. BTW (art. 30bis§3 RSZ-wet). Daarbovenop is hij ook nog gehouden om het bedrag van de inhouding te betalen (art. 30bis§4 RSZ-wet), méér een zelfde bedrag uit hoofde van boete (art. 30bis§4 RSZ-wet).

Jarenlang stelde de RSZ in dergelijke zaken vorderingen in ten belope van 170% van de totale prijs van de werken, exclusief btw, nl.

  • 100% van de prijs van de werken (excl. btw) uit hoofde van de hoofdelijke aansprakelijkheid;
  • 35% van prijs van de werken (excl. btw) uit hoofde van niet verrichte inhouding;
  • 35% van prijs van de werken (excl. btw) als administratieve sanctie.
Sancties gemilderd!

De inhoudingsplicht en de drievoudige sanctie is al lang controversieel.

Ook het Hof van Cassatie boog zich meermaals over de problematiek. In een arrest van 11 september 2017 oordeelde het Hof dat de inhoudingen en stortingen moeten beschouwd worden als voorschotten op de bedragen die de opdrachtgever verschuldigd is ingevolge de hoofdelijke aansprakelijkheid wegens het niet-naleven van de inhoudingsplicht.

Door deze interpretatie kan de RSZ van de opdrachtgever die zijn inhoudingsplicht niet nakomt, geen betaling meer vorderen van de bedragen die hij niet had ingehouden en doorgestort (supra b)).

De vordering van de RSZ t.o.v. de opdrachtgever is daarmee herleid met 35%!

Teveel betaald, wat nu?

De jarenlange verkeerde interpretatie en toepassing van de RSZ-wet, biedt mogelijkheden voor de ondernemingen die in het verleden aansprakelijk werden gesteld.

Ingevolge het arrest van 11 september 2017 kan iedere onderneming die tot 10 jaar geleden op grond van RSZ-wet hoofdelijk aansprakelijk werd gesteld wegens het niet voldoen van de inhoudingsplicht, de terugbetaling vorderen van 35% van de hoofdsom.

Dit is geen dode letter gebleven. In een vonnis van 17 februari 2020 heeft de Arbeidsrechtbank te Gent geoordeeld dat de RSZ door een foutieve wetsinterpretatie in het verleden, gehouden is tot de terugbetaling van hetgeen door de opdrachtgever te veel betaald werd; de RSZ kan dit niet doorschuiven naar de rechtsonderhorige:

“Bovendien dient evenzeer te worden vastgesteld dat de RSZ de financiële gevolgen van een foutieve wetsinterpretatie aan haar zijde niet kan doorschuiven naar de rechtsonderhorige, op   loutere grond dat zij pas door een arrest van het Hof van Cassatie van 11 september    2017 duidelijkheid verkreeg over de juiste wetsinhoud van artikel 30bis RSZ-Wet.”

Dit is zonder meer een baanbrekende, interessante ontwikkeling…

Lees hier het originele artikel