Sociale inspectie:
wat brengt 2023?

Webinar op 3 februari 2023

Re-integratie en ontslag van langdurig/veelvuldig zieke werknemers

Webinar op 27 januari 2023

Het stakingsrecht
gewikt en gewogen

Webinar op 10 maart 2023

Het nieuw fiscaal regime voor buitenlandse kaderleden vanaf 1 januari 2022

Webinar on demand

Arbeidstijd: vijf concrete probleemstellingen

Webinar on demand

Managementovereenkomsten

Webinar on demand

De hoorplicht: een plicht exclusief voor de publieke sector (GD&A Advocaten)

Auteurs: Gitte Laenen en Jonas De Pauw (GD&A Advocaten)

Er is doorheen de jaren reeds veel inkt gevloeid over een eventuele uitbreiding van de hoorplicht naar de private sector in het kader van een ontslag (om dringende reden). Het Grondwettelijk Hof zet echter in haar arrest d.d. 27 oktober 2022 de puntjes op de ‘i’.

1.-

De aanleiding van het arrest kan summier als volgt samengevat worden. Een werknemer uit de privésector, die om dringende reden werd ontslagen, betwistte zijn ontslag voor de Franstalige Arbeidsrechtbank te Brussel. Hij verweet zijn werkgever dat deze is overgegaan tot ontslag zonder hem vooraf te horen met betrekking tot de feiten die hem ten laste werden gelegd.

Hoewel artikel 35 Arbeidsovereenkomstenwet de werkgever niet verplicht om te voorzien in een voorafgaandelijke hoorzitting dient bij de beëindiging van de arbeidsrelatie van een (statutair) personeelslid bij de overheid wel rekening gehouden te worden met de hoorplicht, dit krachtens het beginsel audi alteram partem.

Het Grondwettelijk Hof werd bijgevolg de vraag gesteld of dit verschil in behandeling niet strijdig is met het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel, vastgelegd in artikel 10 en 11 van de Grondwet.

2.-

Het Grondwettelijk Hof gaf hierbij aan dat de regels die van toepassing zijn op de arbeidsrelatie die voortvloeit uit een arbeidsovereenkomst van bediende in de zin van artikel 3 van de wet van 3 juli 1978 in vele opzichten verschillend zijn van de regels die van toepassing zijn op de statutaire arbeidsrelatie tussen een overheid en haar personeelslid. Zulks is met name het geval wat betreft de regels die dienen te worden gevolgd om aan die arbeidsrelaties een einde te maken.[1]

Hoewel de situatie van een ambtenaar en die van een bediende vergelijkbaar zijn in de huidige situatie, daar beide personen blootgesteld worden aan een beslissing die hun beroepsleven significant wijzigt en soortgelijke economische en sociale gevolgen kan hebben, beslist het Hof dat het beginsel audi alteram partem enkel verplichtingen doet ontstaan voor overheden, en niet voor privaatrechtelijke werkgevers. Het Hof houdt hierbij rekening met de bijzondere aard van overheden, met hun plicht om zich volledig te informeren alvorens te handelen en met hun plicht om personeelsleden te beschermen tegen het risico van willekeur van bestuurshandelingen met een individuele strekking.

Aldus ziet het Hof het verschil in behandeling als gerechtvaardigd daar het berust op een redelijke verantwoording.

Bijkomend stelt het Hof wel dat, niettemin het niet verplicht is, niets een werkgever uit de privésector ervan moet weerhouden om deze te horen in uitzonderlijke omstandigheden.

Belangrijk hierbij is dat het Hof zich in casu uitsprak over werknemers in de privésector tegenover statutaire ambtenaren, en tegenover contractuele werknemers tewerkgesteld in de publieke sector. Ook daarover heeft het Hof zich echter reeds in het verleden uitgesproken.[2] Het Grondwettelijk Hof besloot dat contractuele overheidspersoneelsleden net zoals statutaire ambtenaren het recht hebben om vóór hun ontslag (om dringende reden) te worden gehoord.

***

[1] GwH 27 oktober 2022, nr. 137/2022, B.6.2., ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.137.

[2] GwH 6 juli 2017, nr. 086/2017; GwH 22 februari 2018, nr. 22/2018.

Bron: GD&A Advocaten