Update van het arbeidsreglement en
van de template arbeidsovereenkomst
in het licht van recente wetswijzigingen

Webinar op 20 januari 2023

Telewerken over de grenzen heen: de gevolgen inzake sociale zekerheid

Webinar op 9 december 2022

Een ernstig arbeidsongeval –
De verplichtingen van de werkgever en de houding van de inspectie

Webinar op 9 december 2022

Het nieuw fiscaal regime voor buitenlandse kaderleden vanaf 1 januari 2022

Webinar on demand

Arbeidstijd: vijf concrete probleemstellingen

Webinar on demand

Managementovereenkomsten

Webinar on demand

De berekening van de opzeggingstermijn bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst na een overgang van onderneming in het kader van CAO nr. 32bis, NAR (Monard Law)

Auteur: Monard Law

In het artikel belicht Peter de algemene principes over het behoud van rechten in het algemeen en het behoud van anciënniteit in het bijzonder bij een overgang van onderneming. Hij verwijst hierbij uitvoerig naar de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie en past deze rechtspraak toe op de berekening van de opzeggingstermijn wanneer er een overgang in het kader van CAO nr. 32bis, NAR heeft plaatsgevonden.

Hij bespreekt eveneens in welke mate partijen na de overgang een aanpassing van de arbeidsovereenkomst kunnen doorvoeren. In het artikel staat Peter eveneens stil bij het begrip “anciënniteit” in het kader van de berekening van de opzeggingstermijn. Meer specifiek licht hij toe dat een overname in het kader van CAO nr. 32bis, NAR niet kan worden gelijkgesteld met een toekenning van conventionele anciënniteit bij de berekening van de opzeggingstermijn.

Kort samengevat: Wanneer een werknemer die werd aangeworven vóór 1 januari 2014 wordt overgenomen na 1 januari 2014 moet de opzeggingstermijn worden berekend in twee stappen conform de Wet Eenheidsstatuut. Het feit of de werknemer naar aanleiding van de overgang al dan niet een nieuwe arbeidsovereenkomst heeft ondertekend, doet niet ter zake. Om de opzeggingstermijn te berekenen dient de oorspronkelijke datum van indiensttreding bij de overlater in beschouwing te worden genomen. De toepassing van de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie brengt niet met zich mee dat enkel de bij de overlater verworven anciënniteit moet worden geteld bij de anciënniteit die bij de overnemer werd opgebouwd.

Hier kan u de volledige tekst nalezen.