Arbeidsovereenkomsten onder de loep:
een must in 2026

Mr. Kato Aerts en mr. Sarah Witvrouw (Lydian)

Webinar op vrijdag 2 oktober 2026


Tewerkstelling van buitenlandse
werknemers anno 2026

Mr. Sophie Maes en mr. Simon Albers (Claeys & Engels)

Webinar op vrijdag 23 oktober 2026


Loontransparantie:
wel of geen realiteit in 2026?

Mr. Dieter Dejonghe en mr. Veerle Van Keirsbilck

(Claeys & Engels)

Webinar op dinsdag 8 december 2026


Discriminatie op de werkvloer:
de laatste ontwikkelingen

Mr. Inger Verhelst (Claeys & Engels)

Webinar op donderdag 24 september 2026


Grensoverschrijdende sociale zekerheid
anno 2026: een update

Dhr. Bruno De Pauw (RSZ)

Webinar op vrijdag 20 november 2026


Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?

Overweeg dan zeker onze voordeelformules!

 

Krijg toegang tot +250 opleidingen

Live & on demand webinars

Met tussenkomst van de kmo-portefeuille

De Belgische fiscus en het statuut van grensarbeidster. Cass. 12 december 2025 (Recht op zaterdag)

Auteur: Marc Vandecasteele (Recht op zaterdag)

De feiten

Het geschil betreft aanslagen in de belasting van niet‑inwoners die ten laste van de Franse werkneemster werden gevestigd voor de aanslagjaren 2014 en 2015 (inkomsten 2013 en 2014). ​

Feiten en situatie Franse werkneemster

Tijdens de betwiste perioden was de Franse werkneemster in België als loontrekkende tewerkgesteld tot augustus 2013 in het rusthuis X en vanaf september 2013 bij het ziekenhuiscentrum Y​.

Zij was gedomicilieerd in de Franse grenszone zoals gedefinieerd door het Belgisch‑Franse dubbelbelastingverdrag van 10 maart 1964. ​

De Franse werkneemster diende in België geen aangifte in de inkomstenbelasting in voor de betrokken aanslagjaren, omdat zij meende te kunnen genieten van het regime van de grensarbeiders zoals geregeld door het Verdrag en dat haar bezoldigingen derhalve uitsluitend in Frankrijk en niet in België belastbaar waren, waarbij zij effectief haar belastingen in Frankrijk betaalde. ​

Voor de betrokken aanslagjaren was de toepassing van het regime voor grensarbeiders onder meer afhankelijk van de voorwaarde dat de belastingplichtige “op 31 december 2008 [zijn] duurzame wooncentrum niet in België had” (artikel 5, vijfde lid, van het bijkomend protocol bij het Verdrag “betreffende de grensarbeiders”, ingevoerd bij het aanvullend protocol van 12 december 2008).

Enkele maanden vóór deze datum van 31 december 2008 schreef de Franse werkneemster, die tot dan bij haar ouders in de Franse grenszone (C…) gedomicilieerd was, zich in voor een verpleegopleiding in Namen en liet zij zich, om administratieve redenen, inschrijven in de bevolkingsregisters van D, waar zij bij familie‑vrienden verbleef in een garage die was ingericht als kleine kamer. ​

De Franse werkneemster keerde in april 2010 voltijds terug naar de woning van haar ouders en werd daar opnieuw ingeschreven. ​

Midden 2011 trok zij bij haar grootmoeder in, die eveneens in de Franse grenszone (V…) woont, en vestigde daar haar domicilie. ​Zij bleef daar gedomicilieerd gedurende de jaren 2013 en 2014.

Administratieve beslissing en eerste aanleg

De administratie weigerde aan de Franse werkneemster het regime van de grensarbeiders toe te kennen voor de belastbare tijdperken 2013 en 2014 (aanslagjaren 2014 en 2015), op grond dat de Franse werkneemster, door haar inschrijving in D. in 2008, op 31 december 2008 over een “duurzame woonplaats” in België beschikte in de zin van artikel 5, vijfde lid, van het protocol en dus niet voldeed aan de voorwaarde dat zij op 31 december 2008 geen duurzame woonplaats in België had. ​

De administratie belastte bijgevolg de Belgische bezoldigingen van de Franse werkneemster in de belasting van niet‑inwoners. ​

De Franse werkneemster diende bezwaar in tegen de twee aanslagen en, bij uitblijven van een administratieve beslissing, dagvaardde zij op 26 november 2018 de Belgische Staat voor de rechtbank van eerste aanleg te Namen. ​

Voor de rechtbank herhaalde de administratie dat de Franse werkneemster op 31 december 2008 over een “duurzame woonplaats” in België beschikte in de zin van artikel 5, vijfde lid, van het protocol, maar voerde zij subsidiair ook aan dat de Franse werkneemster niet aantoont te voldoen aan een andere voorwaarde van het grensarbeidersregime, namelijk dat zij “op 31 december 2011 haar duurzame woonplaats in de Franse grenszone had” (protocol, artikel 5, eerste lid, inleidende zin). ​

Bij vonnis van 2 juni 2022 vernietigde de rechtbank de betwiste aanslagen, oordelend dat de Franse werkneemster aan alle toepassingsvoorwaarden van het grensarbeidersregime voldeed. ​

Arrest van het hof van beroep

Het Hof van beroep te Luik volgde op 19 februari 2024 de rechtbank waar deze had geoordeeld dat de Franse werkneemster op 31 december 2008 niet over een duurzame woonplaats in België beschikte, aangezien zij, ondanks haar verblijven om studieredenen in België, op die datum haar duurzame woonplaats nog steeds in Frankrijk had, in de woning van haar ouders.

Maar, in tegenstelling tot de rechtbank, beslist het hof van beroep dat de Franse werkneemster niet aantoont dat zij op 31 december 2011 haar duurzame woonplaats in de Franse grenszone had.

De visie van het Hof van Cassatie

Het arrest van het Hof van beroep te Luik, dat uitspraak doet over het ontbreken van een duurzame woonplaats van de Franse werkneemster in de Franse grenszone op 31 december 2011, stelt dat “het enkele feit dat de taxateur voor de aanslagjaren 2014 en 2015 niet uitdrukkelijk het bestaan heeft betwist van de enige duurzame woonplaats van [de Franse werkneemster in Frankrijk], te V…, evenmin aantoont dat zij over die duurzame woonplaats beschikte op 31 december 2011.”

Uit deze overwegingen volgt dat het arrest niet beslist dat het bestaan van de duurzame woonplaats van de Franse werkneemster te V… voor de periode die betrekking heeft op de aanslagjaren 2014 en 2015 onzeker is, maar dat dit gegeven zonder invloed is op de ligging van bedoelde woonplaats op 31 december 2011.

Het middel, dat in deze grief berust op een onjuiste interpretatie van het arrest, mist feitelijke grondslag.

Het arrest stelt vast dat “de door [de Franse werkneemster] overgelegde stukken ter staving van het bestaan van haar duurzame woonplaats in de Franse grenszone op 31 december 2011 enkel bestaan uit verklaringen van haar grootmoeder over haar huisvesting, die aan de burgemeester van V… werden voorgelegd met het oog op handtekeninglegalisatie, zonder dat de gemeentelijke autoriteiten enige verificatie hebben verricht omtrent de werkelijke huisvesting”, dat “het bovendien gaat om een naaste verwant van [de Franse werkneemster], wiens verklaringen met enige voorzichtigheid moeten worden benaderd”, dat “de andere overgelegde stukken met betrekking tot het jaar 2011, namelijk drie aankoopfacturen op naam van [de Franse werkneemster] waarop het facturatie- of leveringsadres te V… voorkomt, berusten op de door [de Franse werkneemster] zelf aan de verkoper verstrekte informatie en kunnen worden verklaard door de aanwezigheid van de grootmoeder van [de Franse werkneemster] op dat adres om de aankopen in ontvangst te nemen”, dat “de eerste rechter ook administratieve documenten in overweging neemt, zonder ze nader te specificeren, die naar dat adres zouden zijn gestuurd en waarop [de Franse werkneemster] gereageerd zou hebben, hetgeen eenvoudig kan worden verklaard door haar keuze om haar administratieve woonplaats op het adres van haar grootmoeder te vestigen en de bestaande familieband tussen hen”, dat “het enige administratieve document betreffende 2011 dat het adres van V… voor [de Franse werkneemster] vermeldt, een fiche 281.10 is met betrekking tot inkomsten van 2011, opgesteld door een werkgever eveneens op basis van door [de Franse werkneemster] zelf verstrekte informatie die verband houdt met haar administratieve woonplaats”, dat “[de Franse werkneemster] geen enkel element overlegt dat een feitelijke bewoning van het pand te V… op 31 december 2011 aantoont of enig sociaal leven in de Franse grenszone bewijst en, meer in het algemeen, geen enkel spoor levert van enig economisch, sociaal, affectief of sportief leven in de Franse grenszone gedurende het jaar 2011”, en dat “[de Franse werkneemster] geen enkel objectief element, met name van bancaire aard, overlegt dat toelaat om te situeren te V… of in de omgeving daarvan, ook maar één van haar dagelijkse aankopen, betalingen of geldafhalingen, telefonische of internetverbindingen die haar zouden kunnen verbinden met het huis van haar grootmoeder te V… gedurende het jaar 2011”.

Op basis van deze vaststellingen en overwegingen besluit het arrest dat het bestaan van een duurzame woonplaats van de Franse werkneemster in de Franse grenszone op 31 december 2011 niet is aangetoond.

Het Hof van Cassatie verwerpt het cassatieberoep.

Lees hier het arrest

» Bekijk alle artikels: Arbeid & Sociale zekerheid

Boeken in de kijker: