Collectief ontslag : is het verschil in bescherming bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst van een preventieadviseur bij collectief en individueel ontslag strijdig met de Grondwet? (LegalNews.be)

Auteur: LegalNews.be

Publicatiedatum: 09/07/2018

De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil

Een bediende met een arbeidsovereenkomst van de nv Saint-Gobain Sekurit Benelux heeft er de functie van preventieadviseur uitgeoefend sinds maart 1985. In de loop van het jaar 2009 ging de nv  Saint-Gobain Sekurit Benelux over tot een collectief ontslag in het kader waarvan de arbeidsovereenkomst van de bediende-preventieadviseur werd beëindigd.

Naar aanleiding van zijn ontslag dagvaardde die laatste, op 2 augustus 2011, de nv Saint-Gobain Sekurit Benelux voor de Arbeidsrechtbank te Namen teneinde haar veroordeling tot schadevergoeding te verkrijgen wegens de niet-naleving van de procedure die is vastgelegd in artikel 5 van de wet van 20 december 2002 betreffende de bescherming van de preventieadviseurs.

Bij een vonnis van 15 oktober 2012 verwierp de Arbeidsrechtbank de vordering van de bediende-preventieadviseur. Op 24 juni 2013 stelde deze laatste hoger beroep in tegen die beslissing voor het Arbeidshof te Luik dat, bij een arrest van 11 december 2014, het hoger beroep verwerpt. Het Hof had onder meer vastgesteld dat « de ontslagen in het kader van het collectief ontslag voortvloeien uit de erkende en bewezen economische situatie van de werkgever […] ».

De bediende-preventieadviseur stelde vervolgens een voorziening in cassatie in tegen het arrest van het Arbeidshof. Het is in het kader van de cassatieprocedure dat de verwijzende rechter, bij een arrest van 29 mei 2017, twee prejudiciële vragen heeft gesteld:

1. Schendt artikel 4, 3°, van de wet van 20 december 2002 betreffende de bescherming van de preventieadviseurs de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het, ten aanzien van de preventieadviseur die is ontslagen in het geval van een collectief ontslag waarop de procedures vastgesteld krachtens hoofdstuk VII van de wet van 13 februari 1998 houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling van toepassing zijn, de toepassing uitsluit  van de in de wet van 20 december 2002 bedoelde procedures voor de preventieadviseur wiens individueel ontslag wordt overwogen ?

2. Schendt artikel 4, 3°, van de wet van 20 december 2002 betreffende de bescherming van de preventieadviseurs de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het de toepassing van die beschermingsprocedures uitsluit ten aanzien van elke preventieadviseur in het voormelde geval van collectief ontslag, zonder een onderscheid te maken naargelang de werkgever al dan niet ertoe gehouden blijft na het collectief ontslag over een preventieadviseur te beschikken binnen het personeel, naargelang hij op dat ogenblik tenminste twintig of, daarentegen, minder dan twintig werknemers tewerkstelt ?

Het arrest van het Grondwettelijk Hof (7 juni 2018)

1. Door de preventieadviseurs met een arbeidsovereenkomst die worden ontslagen in het kader van een collectief ontslag uit te sluiten van het voordeel van ontslagbescherming, heeft de wetgever een verschil in behandeling tussen preventieadviseurs gecreëerd naar gelang van de economische context van de onderneming, waarin zij worden ontslagen. Dat criterium van onderscheid is objectief. De aldus gecreëerde uitzondering op de toepassing van de ontslagbeschermingsregeling van de preventieadviseurs is pertinent. Zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding wordt immers, bij een collectief ontslag, de preventieadviseur, net zoals de andere ontslagen werknemers, ontslagen wegens de economische situatie van de onderneming. De reden voor het ontslag van de preventieadviseur houdt dus geen verband met de manier waarop hij zijn functie heeft uitgeoefend, zodat zijn onafhankelijkheid niet in het geding wordt gebracht.

Het komt evenwel de bevoegde rechter toe, in voorkomend geval uitspraak doende in kort geding, een toetsing te verrichten, op verzoek van de preventieadviseur, van de werkelijkheid van de redenen voor het ontslag, op basis van de aan hem voorgelegde feiten van de zaak. Zulk een toetsing is voldoende om de evenredigheid van de in het geding zijnde bepaling te waarborgen. Bijgevolg dient de eerste prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord.

2. De omstandigheid dat, na een collectief ontslag, de functie van preventieadviseur behouden blijft binnen de onderneming omdat het aantal tewerkgestelde werknemers hoger blijft dan twintig, is niet van dien aard de vaststelling van grondwettigheid van de in het geding zijnde bepaling te wijzigen. De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Lees hier het arrest van het Grondwettelijk Hof