Arbeidsovereenkomst en aannemingsovereenkomst met dezelfde vennootschap : als partijen mist spuiten volgens het arbeidshof te Brussel (LegalNews.be)

Auteur: LegalNews.be

Publicatiedatum: 17/07/2018

De feiten (voor een volledig overzicht lees het arrest)

De BVBA FCC van dhr. V factureert voor de indienstneming van dhr. V. aan een NV V. (zelfde naam – waarschijnlijk familie…) voor geleverde prestaties.

De heer V trad op 1 juli 2013 in dienst van de NV V. als bediende met als functie ‘managen van de NV enz.’, op basis van een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en deeltijdse arbeid (20 uur per week in een vast/variabel uurrooster) van 25 juni 2013, maar ook de BVBA FCC blijft werkzaamheden factureren.

Met aangetekende brief van 23 januari 2015 beëindigde de NV V. de arbeidsovereenkomst met een opzeggingstermijn van 3 maanden en weken, die een aanvang nam op maandag 2 februari 2015. Met brief van 4 maart 2015 stelde de NV V. dhr. V. vrij van het verder presteren van de opzeggingstermijn met betaling van een opzeggingstermijn voor het niet gepresteerde gedeelte van de opzeggingstermijn.

Met verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd op de griffie van de arbeidsrechtbank te Leuven op 30 september 2015, vorderde dhr. V. betaling door de NV V. van (aanvullende) opzeggingsvergoedingen, aanvullende eindejaarspremie, kennelijk onredelijk ontslag.

Met conclusie, neergelegd op de griffie van de arbeidsrechtbank te Leuven op 19 januari 2016, herleidde hij het bedrag van de gevorderde aanvullende opzeggingsvergoeding en vorderde hij niet langer betaling van een opzeggingsvergoeding. Met dezelfde conclusie breidde hij zijn vordering uit en vorderde hij schadevergoeding wegens niet correcte mededeling van de ontslagreden.

Met vonnis van 17 maart 2016 verklaarde de arbeidsrechtbank te Leuven de vordering van dhr. V.  ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.
Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Brussel op 1 juni 2016, tekende dhr. V. hoger beroep aan en met conclusie, neergelegd op de griffie van het arbeidshof te Brussel op 27 oktober 2016, tekende de NV V. incidenteel beroep aan.

Het arrest van het arbeidshof te Brussel (6 oktober 2018)

De toepassing van art. 5bis van de Arbeidsovereenkomstenwet in het algemeen

Art. 5bis van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt dat bijkomende dienstprestaties die in uitvoering van een aannemingsovereenkomst worden uitgevoerd, geacht worden uitgevoerd te worden op basis van een arbeidsovereenkomst zonder dat het bewijs van het tegendeel kan worden geleverd wanneer degene die de diensten uitvoert en diegene voor wie hij die uitvoert, verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst voor het uitvoeren van gelijkaardige prestaties.

Voor de toepassing van dit vermoeden is bijgevolg vereist:

  • de uitvoering van bijkomende dienstprestaties in uitvoering van een aannemingsovereenkomst
  • de uitvoerder en de ontvanger van de diensten zijn verbonden door een arbeidsovereenkomst
  • de dienstprestaties in het kader van de aannemingsovereenkomst en de arbeidsprestaties in het kader van de arbeidsovereenkomst zijn gelijkaardig.

De partij die zich op basis van een wettelijk vermoeden beroept op de ontheffing van de bewijslast dient het bewijs te leveren van de intermediaire feiten waaraan het vermoeden wordt vastgeknoopt.

Het is van belang op te merken dat art. 5bis van de Arbeidsovereenkomstenwet spreekt van ‘degene die dienstprestaties in uitvoering van een aannemingsovereenkomst uitvoert’, en niet van de partij bij de aannemingsovereenkomst. Aanvaard mag dan ook worden dat onderzocht moet worden wie deze dienstprestaties levert, en niet naar de identiteit van de partijen bij de aannemingsovereenkomst.

Van art. 5bis van de Arbeidsovereenkomstenwet kan dan ook toepassing worden gemaakt wanneer een natuurlijke persoon en een vennootschap verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst, en een aannemingsovereenkomst bestaat tussen dezelfde vennootschap en een andere vennootschap, waarin voornoemde natuurlijk persoon werkend vennoot of zaakvoerder is en bovendien degene die de dienstprestaties in het kader van de aannemingsovereenkomst uitvoert.

De toepassing van art. 5bis van de Arbeidsovereenkomstenwet in dit dossier

Ter zake stelt zich het probleem dat partijen het erover eens dat de bijkomende prestaties worden uitgevoerd door de heer V. , doch dat deze prestaties worden gefactureerd door een BVBA FCC, waarvan niet duidelijk is wat de rol van de heer V. in deze BVBA is. De vermelding op de inventaris van de stukken van de heer V. dat de facturen van hem zijn is misleidend, daar de desbetreffende facturen uitgeschreven werden door de BVBA FCC en deze nergens verwijzen naar de heer V.

Het past dan ook de debatten te heropenen teneinde de heer V. E. toe te laten aan de hand van bewijskrachtige documenten het bewijs te leveren van het feit dat hij zaakvoerder van of werkend vennoot in de BVBA FCC was.

Vervolgens is voor de toepassing van art. 5bis van de Arbeidsovereenkomstenwet vereist dat de dienstprestaties in uitvoering van de aannemingsovereenkomst en de arbeidsprestaties in uitvoering van de arbeidsovereenkomst gelijkaardig dienen te zijn.

Ook hier ‘spuiten partijen meer mist dan zij bewijzen van hun beweringen aanbrengen’.

De NV V. argumenteert dat de zelfstandige activiteiten die de heer V. uitgevoerd zou hebben louter handarbeid betroffen (monteurswerk), terwijl de heer V. aantoont aan de hand van diverse documenten dat hij alleszins voorafgaand aan de arbeidsovereenkomst ook andere taken uitoefende (zoals contacten met klanten). De facturen van de BVBA FCC brengen hierbij geen enkele verduidelijking, daar zij enkel gewag maken van een aantal gepresteerde uren doch niet aangeven wat er dan tijdens die uren werd gedaan.

Verder kan men niet rond de vaststelling dat de activiteiten waarmee de heer V. in het kader van de arbeidsovereenkomst werd belast eerder vaag werden omschreven als ‘managen van de NV enz.’. Aan de hand van deze gegevens is het niet of alleszins niet op afdoende wijze uit te maken of de activiteiten van de heer V. in het kader van de arbeidsovereenkomst en in uitvoering van de aannemingsovereenkomst al dan niet gelijkaardig zijn.

Het past dan ook de debatten te heropenen teneinde de heer V. toe te laten aan de hand van bewijskrachtige documenten het bewijs te leveren van het feit dat de activiteiten die hij uitoefende in het kader van de arbeidsovereenkomst en deze in uitvoering van de aannemingsovereenkomst al dan niet gelijkaardig zijn.

Lees hier het arrest van het Arbeidshof te Brussel van 6 oktober 2017