Grensoverschrijdende sociale zekerheid
anno 2026: een update
Dhr. Bruno De Pauw (RSZ)
Webinar op vrijdag 20 november 2026
Discriminatie op de werkvloer:
de laatste ontwikkelingen
Mr. Inger Verhelst (Claeys & Engels)
Webinar op donderdag 24 september 2026
Arbeidsovereenkomsten onder de loep:
een must in 2026
Mr. Kato Aerts en mr. Sarah Witvrouw (Lydian)
Webinar op vrijdag 2 oktober 2026
Tewerkstelling van buitenlandse
werknemers anno 2026
Mr. Sophie Maes en mr. Simon Albers (Claeys & Engels)
Webinar op vrijdag 23 oktober 2026
Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?
Overweeg dan zeker onze voordeelformules!
Krijg toegang tot +250 opleidingen
Live & on demand webinars
Met tussenkomst van de kmo-portefeuille
Loontransparantie anno 2027
Mr. Dieter Dejonghe en mr. Veerle Van Keirsbilck
(Claeys & Engels)
Webinar op donderdag 18 februari 2027
Arbeidsongeval en herziening wegens verergering van knieklachten. Arbeidshof Luik 17 december 2025 (Recht op zaterdag)
Auteur: Marc Vandecasteele (Recht op zaterdag)
De zaak betreft een ongeval van 28 januari 2013. Er was aanvankelijk een akkoord over de letsels en een vastgestelde IPP van 8%, met later een herzieningsvordering die werd onderzocht door een gerechtsdeskundige. De arbeidsrechtbank had de deskundige gevolgd niet gevolgd en de herziening afgewezen; daartegen ging de werkneemster in beroep.
De centrale vraag was of er binnen de herzieningstermijn van drie jaar een voldoende nieuw medisch feit was ontstaan dat een herziening rechtvaardigde. Het hof herhaalt de klassieke voorwaarden: er moet een wijziging van de lichamelijke toestand zijn, die wijziging moet een nieuw medisch feit vormen, ze moet zich binnen de wettelijke termijn voordoen, en ze moet causaal verbonden zijn met het arbeidsongeval.
Het hof aanvaardt dat er klinisch een verslechtering was, met meer pijn, een groter functioneel tekort en een flexum van de knie. Maar het oordeelt dat die evolutie volgens de deskundige eigenlijk behoorde tot de verwachte natuurlijke evolutie van de posttraumatische arthrose, zodat het niet ging om een voldoende nieuw en onvoorzien medisch feit in de zin van artikel 72. Daarom wordt het beroep op herziening verworpen en blijft het vonnis op dat punt overeind.
Anders ligt het voor de subsidiaire vordering op basis van artikel 9 van het koninklijk besluit van 10 december 1987: een definitieve verergering na het verstrijken van de herzieningstermijn kan wel tot een vergoeding wegens verergering leiden. Het hof acht bewezen dat de verergering zich objectief had geconsolideerd op 23 februari 2022, dus na het verstrijken van de herzieningstermijn, en verklaart die subsidiaire vordering ontvankelijk en gegrond. De verzekeraar wordt veroordeeld om de wettelijke vergoedingen te betalen op basis van een IPP van 10%, met interesten en de gerechtskosten in hoger beroep.
» Bekijk alle artikels: Arbeid & Sociale zekerheid













