Summer Deal
‘Loon- en arbeidsvoorwaarden’

8 webinars on demand

Summer Deal
‘Internationale tewerkstelling’

4 webinars on demand

Summer Deal
‘Welzijn op het werk’

5 webinars on demand

Car policies:
15 aandachtspunten
onder de loep

Webinar op 6 oktober 

De Klokkenluidersregeling:
de klok tikt…

Webinar op 30 augustus

Grensoverschrijdend gedrag: what’s in a name?

Webinar on demand

Aard van de arbeidsrelatie met platformmedewerkers – De arbeidsrechtbank van Brussel is van oordeel dat Deliveroo-koeriers geen werknemers zijn (Claeys & Engels)

Auteur: Claeys & Engels

De deeleconomie verandert de aard van de arbeidsrelaties ingrijpend. Terwijl aanvankelijk nog de vraag werd gesteld of een platformmedewerker wel partij kon zijn in een arbeidsrelatie, rijst thans steeds vaker de vraag naar de eigenlijke aard van de arbeidsrelatie met de platformmedewerker.

Zoals ook bij een “klassieke” arbeidsrelatie het geval is, staat het de partijen vrij de aard van de relatie te kiezen: via een arbeidsovereenkomst of op zelfstandige basis. Het is daarbij weliswaar van belang dat de wijze waarop de arbeidsprestaties effectief worden uitgevoerd, overeenstemt met deze gekozen kwalificatie. Indien de uitoefening van de arbeidsrelatie noemenswaardig wordt gekenmerkt door elementen die onverenigbaar zijn met de kwalificatie die door de partijen werd gegeven, kan de relatie geherkwalificeerd worden.

In België werd aan de Administratieve Commissie ter regeling van de Arbeidsrelatie (CAR) reeds de vraag voorgelegd omtrent de kwalificatie van een arbeidsrelatie tussen een koerier en Deliveroo. De CAR oordeelde dat de samenwerking niet overeenstemde met een zelfstandige arbeidsrelatie, doch wel met een werknemersrelatie. De CAR had zich ook reeds zo uitgesproken met betrekking tot Uber-dossiers.

In België was de bewuste rechtsvraag echter nog niet door een arbeidsrechtbank beslecht. Dit gebeurde nu wel.

Nadat het arbeidsauditoraat meer dan twee jaar onderzoek had gevoerd naar de arbeidsomstandigheden van Deliveroo-koeriers, heeft het auditoraat de zaak aanhangig gemaakt bij de arbeidsrechtbank van Brussel, en dit met het oog op de vaststelling van een reeks inbreuken op de reglementering specifiek voor werknemers, en in het bijzonder op de reglementering inzake de sociale zekerheid van werknemers.

Verschillende koeriers sloten zich aan bij de procedure en eisten de toepassing van het arbeidsrecht, en met name de toepassing van de loonbarema’s, de onkostenvergoedingen, de naleving van de in de paritaire comités “vervoer en logistiek” gesloten cao’s (PC 140 en 140.03), enz. De betrokkenen waren immers, net zoals het auditoraat, van mening dat zij als werknemers van het platform moesten worden beschouwd),

Welnu, de rechtbank is van oordeel dat er geen reden is om de arbeidsrelatie tussen Deliveroo en de koeriers te herkwalificeren als een arbeidsovereenkomst. Wij merken graag nog op dat de rechtbank zich eveneens heeft uitgesproken over de toepassing van het gunstige belastingregime van de deeleconomie, hetwelke volgens de rechtbank niet van toepassing is op koerierdiensten.

Wat het bestaan van een eventuele arbeidsovereenkomst betreft, redeneert de rechtbank als volgt.

In de eerste plaats is de rechtbank van mening dat de relatie tussen de koeriers en Deliveroo moet begrepen worden als een activiteit van goederenvervoer in de zin van de Programmawet van 27 december 2006. In deze sector (evenals in andere, zoals de schoonmaak- of de bouwsector) moet de aard van de arbeidsrelatie onderzocht worden in het licht van 8 socio-economische criteria, zoals het ontbreken van een financieel of economisch risico in hoofde van de koerier; het ontbreken van beslissingsmacht over de financiële middelen van de onderneming (d.w.z. het platform); het ontbreken van beslissingsmacht over het aankoopbeleid van de onderneming; het ontbreken van de mogelijkheid om personeel in dienst te nemen voor de uitvoering van het overeengekomen werk; het gebruik maken van een voertuig waarvan de werknemer niet de eigenaar is; enz.

Volgens de arbeidsrechtbank leidt de beoordeling van deze specifieke socio-economische criteria, eigen aan de vervoerssector, tot het vermoeden van een arbeidsovereenkomst.

Het gaat hier aldus slechts om een vermoeden. Dit vermoeden kan worden weerlegd door toepassing van de zogenaamde vier algemene criteria, die de aard van een arbeidsrelatie kunnen bepalen. Deze criteria zijn de volgende: de wil van de partijen; de vrijheid van organisatie van de werktijd; de vrijheid van organisatie van het werk; en de mogelijkheid om een hiërarchische controle uit te oefenen.

De rechtbank analyseert dus vervolgens deze algemene criteria en besluit dat deze het vermoeden van een arbeidsovereenkomst weerleggen. Volgens de rechtbank:

  • is het de wil van de partijen (overeenkomstig de contractuele bepalingen van hun samenwerking) om een overeenkomst te sluiten met als voorwerp het verrichten van onafhankelijke diensten;
  • blijkt de vrijheid van de koeriers om hun werktijd te organiseren niet gelimiteerd. Meer bepaald is het systeem van vooraf gereserveerde tijdsloten geen beperking van de vrijheid van de koeriers om hun arbeidstijd te organiseren;
  • blijkt de vrijheid van de koeriers om hun werk te organiseren evenmin beperkt te zijn. Volgens de rechtbank staat het de koeriers immers vrij om de connectie met het platform te verbreken wanneer zij dat wensen en zijn zij niet verplicht leveringen te aanvaarden zolang zij niet verbonden zijn. Pas wanneer de koerier de opdracht heeft aanvaard, verbindt hij er zich tegenover Deliveroo toe om de opdracht volgens bepaalde richtlijnen uit te voeren.

Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat uit de verklaringen van de koeriers in de conclusie van het arbeidsauditoraat niet blijkt dat het platform ook effectief hiërarchische controle heeft uitgeoefend.

Bijgevolg wijst de arbeidsrechtbank alle vorderingen van het arbeidsauditoraat en van de tussengekomen koeriers af.

Deze beslissing liet lang op zich wachten en zou een precedent kunnen vormen in de discussie over de aard van de arbeidsrelatie met platformmedewerkers. De specifieke situatie van elk platform moet uiteraard geval per geval worden onderzocht.

Het toeval wil dat de Europese Commissie gisteren (9 december) een voorstel voor een richtlijn heeft ingediend teneinde de arbeidsomstandigheden in de context van platformarbeid, te verbeteren. De voorgestelde richtlijn bevat onder meer een lijst van controlecriteria op basis waarvan kan bepaald worden of het platform als “werkgever” moet beschouwd worden. Als het platform aan ten minste twee van die criteria voldoet, zou het wettelijk als de werkgever moeten worden beschouwd. Wordt vervolgd!

Actiepunt

Indien u samenwerkt met zelfstandigen, dient u er steeds over te waken dat de concrete wijze van samenwerken geen band van ondergeschiktheid laat uitschijnen. Hou daarbij steeds de best practices voor ogen, bijvoorbeeld met betrekking tot instructies, uurroosters, afwezigheden, evaluaties, organigrammen, enz.

Bron: Claeys & Engels

Legal Manager