Zekerheden anno 2026:
een update aan de hand van wetgeving en rechtspraak

Mr. Ivan Peeters (NautaDutilh)
Mr. Philip Van Steenwinkel (Hogan Lovells)

Webinar op donderdag 19 november 2026


Bestuurdersaansprakelijkheid
bij cyberincidenten

Dhr. Bernd Fiten en dhr. Bram Goetry (CRANIUM)

Webinar op vrijdag 29 januari 2027


Antiwitwaskader:
de fundamentele wijzigingen
vanaf 10 juli 2027

Mr. Stijn De Meulenaer (Everest)

Webinar op vrijdag 16 april 2026


Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?

Overweeg dan zeker onze voordeelformules!

 

Krijg toegang tot +250 opleidingen

Live & on demand webinars


Faillissementsrecht anno 2026:
recente wetgeving en rechtspraak

Mr. Ilse Van de Mierop en mr. Charlotte Sas

(DLA Piper)

Webinar op donderdag 26 november 2026


Generatieve AI
in de juridische praktijk

Dr. Wim De Mulder (KU Leuven)

Webinar op donderdag 25 februari 2027

Faillissement. Vraag voor verantwoording aan curator voor beroep op veilingkantoor en nood aan meer uitleg op de vraag voor een positieve erelooncorrectie. Ondernemingsrechtbank Gent 28 oktober 2026 (Recht op zaterdag)

Auteur: Marc Vandecasteele (Recht op zaterdag)

Samenvatting

De Ondernemingsrechtbank Gent heropent de debatten over het verzoek van de curator om zijn ereloon en boedelkosten te begroten in het faillissement van NV [X]. De rechtbank heeft ernstige vragen over een commissie van €140.250 aan een veiling- en verkoopkantoor en over het gevraagde positieve correctiecoëfficiënt van 1,275.

Feiten

De gefailleerde was een groothandel in bouwmateriaal in de haven van Gent, met een onroerend goed, voorraad, inrichting en rollend materieel. De curator realiseerde onder meer €4.570.000 uit de verkoop van het onroerend goed, €630.000 uit de overname van roerende goederen en €67.761,07 aan banktegoeden.

Uit het ontwerp van rangregeling blijkt dat na betaling van de schuldeisers nog circa €1.145.830,08 beschikbaar zou zijn voor de enige aandeelhouder, [F] GROUP, die zelf ook in faillissement is.

Verzoek curator

De curator vraagt een ereloon van €61.928,79 voor de onroerende realisatie en €151.304,74 voor de roerende realisatie. Daarnaast vraagt hij een positieve correctiecoëfficiënt van 1,275, goed voor een supplement van €41.608,80; het totaal zou daarmee €254.842,33 bedragen.

Hij vraagt bovendien om een factuur van het veiling- en verkoopkantoor [ABC] van €142.485 exclusief btw als boedelkost te erkennen. De kern daarvan is een “uitzonderlijke commissie” van €140.250: 12,5% op de roerende goederen en 12,5% op de vermeende meerwaarde van €492.000 op het onroerend goed.

Bezwaren rechtbank

De rechtbank aanvaardt dat het inschakelen van een veiling- en verkoopkantoor in dit dossier redelijk kon zijn, maar betwist niet de kwaliteit van de geleverde prestaties. Wel vindt zij de commissie ongebruikelijk, zowel qua percentage als qua berekeningsbasis.

  • Een tarief van 12,5% bij een onderhandse verkoop wijkt volgens de rechtbank sterk af van een gebruikelijk tarief van ongeveer 7% tot 8%.
  • Bij 8% zou de commissie op de roerende goederen €50.400 bedragen; de curator gaf zijn akkoord voor €140.250, dus €89.825 meer
  • Een commissie op een “gerealiseerde meerwaarde” ten opzichte van een schattingsverslag is volgens de rechtbank geen gebruikelijke of onderbouwde berekeningsbasis. Een hogere verkoopprijs bewijst niet automatisch dat het veilingkantoor die meerwaarde veroorzaakte.
    ‘De rechtbank kan voorlopig de “uitzonderlijke omstandigheden” niet vaststellen. De rechtbank kan ook voorlopig niet vaststellen wat abnormaal zou zijn aan deze verkoop van een onroerend goed met volledige uitrusting en de aanwezige voorraad aan één koper binnen het eerste jaar na faillietverklaring. Dit lijkt niet uitzonderlijk, doch eerder de normale gang van zaken.
    Dat een prijs voor een onroerend goed wordt bekomen die hoger is dan een schattingsverslag, is op zich geen bewijs van “uitzonderlijke omstandigheden”. De hogere prijs kan ook het gevolg zijn van het enkele feit dat er vele kandidaten waren en dat het onroerend goed omwille van de ligging en vergunningsstatuut zeer gewild was, zoals door de curator zelf aangegeven. Het maximaal realiseren van activa is nu eenmaal ook de wettelijke taak van de curator.’
  • De rechtbank betwijfelt of taken zoals onderhandelingen met kopers, revindicaties, retentierechten en verificatie van schuldvorderingen — kerntaken van de curator — mogen worden uitbesteed aan derden ten laste van de boedel.
    ‘De rechtbank merkt op dat:

    • onderhandelingen voeren met kandidaten bij de realisatie van activa tot de kern van de wettelijke taak van de curator behoort. Het “opdrijven van de prijs” met “potentiële kandidaat-kopers”, maakt deel uit van dat onderhandelingsproces;
    • het behandelen van revindicatieverzoeken en hierover communiceren tot de taak van de curator behoort, net zoals het afhandelen van ingeroepen retentierecht en het hierover communiceren;
    • het verifiëren van schuldvorderingen behoort tot de taak van de curator.
      Als de curator derden wil inschakelen voor loutere administratieve verlichting of ondersteuning dan is dit mogelijk, doch wel op eigen kosten. Het kan niet dat de ene curator correct eigen secretariaatsmedewerkers en juridische medewerkers of kantoorgenoten inschakelt voor administratieve afhandeling en juridische communicatie terwijl een andere curator die taken uitbesteedt en of laat leveren als “service” die finaal wel aangerekend wordt aan de boedel op een andere wijze.’
Correctiecoëfficiënt

De curator motiveert de positieve coëfficiënt met de hoge verkoopprijs, de volledige betaling van de schuldeisers en het resterende dividend voor de aandeelhouder. De rechtbank kan die “extra inspanningen” voorlopig niet vaststellen.

Zij wijst erop dat de inventarisatie, onderhandelingen, inning van vorderingen, revindicaties en afhandeling van werknemersvorderingen grotendeels door derden of een eigen bediende op kosten van de boedel werden verricht. Een bediende werd tien maanden aangehouden voor onder meer invorderingen, terwijl slechts €17.701,85 werd geïnd tegen een directe personeelskost van minstens €34.325,24.

De rechtbank vindt het ook relevant dat de aandeelhouder zelf failliet is: het resterende dividend komt dus niet noodzakelijk ten goede aan de oorspronkelijke aandeelhouders, maar aan de boedel van de moedervennootschap en diens schuldeisers. Het akkoord van de curator van de moedervennootschap met het taxatieverzoek acht zij niet doorslaggevend, omdat de begroting openbare orde raakt.

Beslissing

De rechtbank stelt de zaak niet in staat en heropent de debatten. De curator moet vóór 2 december 2026 onder meer aantonen of 12,5% gebruikelijk is, welke concrete handelingen de vermeende meerwaarde van €492.000 verantwoorden, welke prestaties de meerkost van €89.825 rechtvaardigen, welke taken de tien maanden aangeworven bediende effectief verrichtte en welke inspanningen een normaal faillissementsbewind overstijgen.

De zaak wordt gepland op woensdag 2 december 2026 om 10u30 in Gent en de curator moet zijn stukken zeven dagen vooraf ter griffie neerleggen. De rechtbank neemt in dit tussenvonnis nog geen definitief standpunt over de betwiste kosten of het ereloon.

Lees hier het vonnis

» Bekijk alle artikels: Insolventie & Faillissement

Boeken in de kijker: