Bestuurdersaansprakelijkheid
bij cyberincidenten
Dhr. Bernd Fiten en dhr. Bram Goetry (CRANIUM)
Webinar op vrijdag 29 januari 2027
Cryptomunten en de fiscaliteit
Mr. Dave van Moppes (Tuerlinckx Advocaten)
Webinar op donderdag 28 januari 2027
Generatieve AI
in de juridische praktijk
Dr. Wim De Mulder (KU Leuven)
Webinar op donderdag 25 februari 2027
Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?
Overweeg dan zeker onze voordeelformules!
Krijg toegang tot +250 opleidingen
Live & on demand webinars
Met tussenkomst van de kmo-portefeuille
Mag een politieke partij een bekend merk gebruiken om haar boodschap te versterken? (Everest)
Auteur: Joris Deene (Everest)
Niet zomaar. Volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie kan de vrijheid van meningsuiting, politieke parodie inbegrepen, een geldige reden zijn om een teken te gebruiken dat gelijk is aan of overeenstemt met een bekend merk, maar enkel wanneer die vrijheid in het concrete geval zwaarder weegt dan het eigendomsrecht van de merkhouder. Wie een bekend merk louter leent om zijn eigen politieke boodschap luider te laten klinken, haalt die drempel niet. Dat is de kern van het arrest van 8 september 2026 (C-298/23) in de zaak tussen Inter IKEA Systems en de vereniging achter de campagne van Vlaams Belang, die in 2022 haar migratieplan lanceerde als “IKEA-plan: Immigratie Kan Echt Anders”.
In het kort:
- De Grote kamer van het Hof van Justitie oordeelde op 8 september 2026 dat de vrijheid van meningsuiting in beginsel een geldige reden kan vormen in de zin van de Uniemerkenverordening, de Merkenrichtlijn en het Benelux-verdrag, maar dat het beroep op die vrijheid alleen niet volstaat.
- De derde die het bekende merk gebruikt, moet zelf aantonen waarom zijn concrete redenen zwaarder wegen dan de belangen van de merkhouder, aan de hand van zijn oogmerk en goede trouw, de bijdrage aan een debat van algemeen belang, en de gevolgen voor het merk.
- Toegepast op de campagne van Vlaams Belang lijkt die afweging volgens het Hof van Justitie in het nadeel van de partij uit te vallen: het migratiedebat had niets met IKEA te maken, de tekens waren bijna identiek, het gebruik was intensief en het kon de indruk wekken dat IKEA de boodschap steunde.
De feiten
Inter IKEA Systems BV is houder van vier merken: drie Benelux-merken, waaronder het woordmerk IKEA uit 1971 en het bekende blauw-gele beeldmerk uit 1987, en het Uniewoordmerk IKEA uit 1998. Dat die merken bekend zijn, werd in de procedure door niemand betwist.
Op 14 november 2022 presenteerde Vlaams Belang op een persconferentie een programma voor de hervorming van het asiel- en migratiebeleid onder de titel “IKEA-plan: Immigratie Kan Echt Anders”. De spreker voegde eraan toe dat dit plan niet stond voor “Ingvar Kamprad Elmtaryd en Agunnaryd”, de echte betekenis van het letterwoord IKEA. Het plan telde vijftien voorstellen, omschreven als klaar om door de regering “in elkaar te worden gezet”. De illustraties gebruikten tekens die met de IKEA-merken overeenkwamen, in hetzelfde lettertype en dezelfde kleuren, en figuurtjes die deden denken aan de montagehandleidingen van de meubelketen. Een uitgebreider programma stond op de website van de partij, en de persconferentie werd op sociale media uitgespeeld.

Acht dagen later, op 22 november 2022, stelde Inter IKEA een inbreukvordering in bij de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank te Brussel tegen de vzw Algemeen Vlaams Belang, de vzw Vrijheidsfonds en enkele natuurlijke personen die de partij vertegenwoordigen. De rechtbank verklaarde de vordering enkel ontvankelijk tegen Vrijheidsfonds, de vereniging die de campagne in naam en voor rekening van de partij had gevoerd. Vrijheidsfonds erkende het gebruik en verbond zich ertoe het te staken tot de einduitspraak, maar voerde aan dat het de bekendheid van de merken had aangewend om zijn boodschap kracht bij te zetten en dat de vrijheid van meningsuiting daarvoor een geldige reden vormt.
De ondernemingsrechtbank stelde daarop bij vonnis van 4 mei 2023 een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie: kan de vrijheid van meningsuiting, met inbegrip van politieke meningen en politieke parodie, een geldige reden zijn, en met welke criteria moet de nationale rechter dan rekening houden? Inter IKEA stelde hoger beroep in tegen dat verwijzingsvonnis, maar dat beroep werd niet-ontvankelijk verklaard, zodat het Hof van Justitie zich gebonden achtte door de verwijzing. Advocaat-generaal Szpunar nam op 13 november 2025 conclusie; het arrest van de Grote kamer volgde op 8 september 2026.
De beslissing
Het Hof van Justitie behandelt de vraag in vier stappen: het toepasselijke kader, de vraag of de vrijheid van meningsuiting een geldige reden kan zijn, de afwegingscriteria, en de bijzondere Benelux-bepaling voor gebruik anders dan als merk.
Het toepasselijke kader: gebruik in het economische verkeer voor waren of diensten, of ander gebruik
Een bekend merk is een merk dat bij een aanmerkelijk deel van het relevante publiek bekend is en daardoor een ruimere bescherming geniet dan een gewoon merk: de houder kan optreden tegen elk gebruik van een gelijk of overeenstemmend teken dat zonder geldige reden ongerechtvaardigd voordeel trekt uit of afbreuk doet aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van het merk, ook voor totaal andere waren of diensten. Die bescherming staat in artikel 9, lid 2, c) van de Uniemerkenverordening en, voor nationale en Benelux-merken, in artikel 10, lid 2, c) van de Merkenrichtlijn. Beide bepalingen vereisen dat de derde het teken gebruikt in het economische verkeer en voor waren of diensten.
Daarnaast laat artikel 10, lid 6 van de Merkenrichtlijn de lidstaten toe een bekend merk ook te beschermen tegen gebruik “anders dan ter onderscheiding van waren of diensten”. De Benelux heeft dat gedaan in artikel 2.20, lid 2, d) van het Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom. Die grond geldt enkel voor de drie Benelux-merken, niet voor het Uniemerk.
De verwijzende rechter had niet vastgesteld onder welke grond het gebruik door Vrijheidsfonds viel. Het Hof van Justitie reikt daarom de maatstaven aan. Gebruik in het economische verkeer is elk gebruik in een handelsactiviteit waarmee een economisch voordeel wordt nagestreefd, buiten de particuliere sfeer. Een vereniging zonder winstoogmerk kan daaronder vallen wanneer zij als marktdeelnemer handelt, zoals het Hof van Justitie eerder oordeelde in het arrest Verein Radetzky-Orden (HvJ 9 december 2008, C-442/07). Opvallend is dat Vrijheidsfonds ter terechtzitting zelf toegaf dat zijn gebruik in het economische verkeer plaatsvond, omdat het een economisch voordeel nastreefde. Een politiek programma is op zichzelf noch een waar noch een dienst, maar het aanbrengen van het teken op reclamemateriaal of het gebruik ervan in promotionele online-inhoud kan wel gebruik voor waren of diensten zijn. De Brusselse rechter moet dat nagaan.
De vrijheid van meningsuiting als geldige reden voor het gebruik van een bekend merk
Een geldige reden is het verweer waarmee de derde die een bekend merk gebruikt, kan ontkomen aan het verbodsrecht van de houder, ook wanneer zijn gebruik voordeel trekt uit of afbreuk doet aan dat merk. Het begrip is niet gedefinieerd in de merkenwetgeving. Het Hof van Justitie herhaalt zijn arrest Leidseplein Beheer (HvJ 6 februari 2014, C-65/12): het begrip omvat niet alleen objectief dwingende redenen, maar kan ook aanknopen bij de subjectieve belangen van de gebruiker, en het strekt ertoe een evenwicht te vinden tussen de belangen van de houder en die van de derde.
Vervolgens plaatst het Hof van Justitie het conflict op het niveau van de grondrechten. Het merkrecht valt onder het eigendomsrecht van artikel 17, lid 2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, maar dat recht is niet absoluut en moet worden afgewogen tegen de vrijheid van meningsuiting van artikel 11. De considerans van zowel de verordening als de richtlijn dringt erop aan dat het merkenrecht wordt toegepast met volledige inachtneming van die vrijheid, wat het Hof van Justitie eerder al onderstreepte in het arrest Constantin Film Produktion (HvJ 27 februari 2020, C-240/18 P). De conclusie luidt dat de vrijheid van meningsuiting in beginsel een geldige reden kan vormen.
Daar hangt echter een belangrijke rem aan. Het louter inroepen van de vrijheid van meningsuiting volstaat niet, omdat anders elk gebruik van een bekend merk daarmee zou kunnen worden gerechtvaardigd en het begrip geldige reden zou worden uitgehold. De derde moet de concrete redenen van zijn gebruik uiteenzetten die met de uitoefening van die vrijheid samenhangen, en aantonen dat die redenen zwaarder wegen dan de rechten en belangen van de merkhouder. De bewijslast ligt dus bij de gebruiker, zoals ook al volgde uit het arrest Intel Corporation (HvJ 27 november 2008, C-252/07).
De criteria voor de afweging tussen het eigendomsrecht en de vrijheid van meningsuiting
De nationale rechter moet alle omstandigheden van het geval wegen. Het Hof van Justitie ordent ze in drie groepen.
Ten eerste het oogmerk van de derde. Wie het teken gebruikt om afbreuk te doen aan het merk, of met als enig doel in het kielzog van het bekende merk te varen, heeft geen geldige reden: dat is precies wat de bepaling wil verbieden. Het gebruik moet te goeder trouw zijn ingegeven door de wil om de vrijheid van meningsuiting uit te oefenen. Dat is met name zo wanneer het merk wordt gebruikt om een mening te uiten over het merk zelf, de houder, zijn handelspraktijken of zijn waren of diensten, wanneer het gebruik een debat van algemeen belang op gang brengt of voedt, of wanneer het gebruik om andere redenen noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat een bestanddeel van het merk een taalkundige betekenis heeft of omdat het merk een publieke culturele referentie is geworden.
Ten tweede de aard van de uiting. Draagt zij bij tot een debat van algemeen belang, dan is er volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens weinig ruimte voor beperkingen, terwijl de lidstaten bij commerciële uitingen een ruime beoordelingsmarge hebben, zo blijkt uit het arrest Ashby Donald (EHRM 10 januari 2013, nr. 36769/08). Satire en parodie verdienen bovendien bijzondere aandacht, omdat zij per definitie overdrijven en provoceren, zoals het Straatsburgse hof oordeelde in het arrest Eon (EHRM 14 maart 2013, nr. 26118/10).
Ten derde de gevolgen voor de merkhouder. Wie een geldige reden aantoont, krijgt geen eigen recht op het teken, maar verplicht de houder om het gebruik en een zekere schade te tolereren. Van de houder mag echter niet worden verlangd dat hij onevenredige schade duldt of een aantasting van de kern van zijn uitsluitend recht. Relevant zijn de intensiteit, de omvang en de modaliteiten van het gebruik, de mate van bekendheid van het merk, de mate van overeenstemming tussen teken en merk, en, nieuw in de rechtspraak, de vraag of het gebruik de indruk kan wekken dat de houder de politieke boodschap steunt, terwijl hij politiek neutraal wil blijven of die boodschap net afwijst.
De toepassing op de campagne van Vlaams Belang
Het Hof van Justitie laat het niet bij abstracte criteria. IKEA is een letterwoord uit eigennamen zonder taalkundige betekenis, en niets wijst erop dat het een culturele referentie of een woord uit het dagelijkse taalgebruik is geworden. Vrijheidsfonds gebruikte de merken niet om een debat over IKEA of haar producten te voeren. Het migratiedebat is wel een debat van algemeen belang, maar het houdt geen enkel verband met de IKEA-merken, zodat het gebruik zich ertoe beperkt in het kielzog van die merken te varen.
Bovendien waren de tekens bijna identiek aan de merken, met hetzelfde lettertype en dezelfde kleuren als het beeldmerk, en ging het niet om een eenmalig gebruik op een persconferentie maar om herhaald gebruik met verspreiding op internet naar een potentieel onbeperkt publiek. Ondanks de uitdrukkelijke ontkenning tijdens de persconferentie kan volgens het Hof van Justitie niet worden uitgesloten dat het publiek de indruk kreeg dat IKEA de boodschap steunde. De slotsom, telkens onder voorbehoud van de verificaties door de Brusselse rechter, is dat een gebruik dat louter de reputatie van de merken wil aanwenden om een politieke boodschap kracht bij te zetten en te verspreiden, niet zwaarder lijkt te wegen dan de rechten van de houder en dus geen geldige reden lijkt op te leveren.
De Benelux-bepaling voor gebruik anders dan ter onderscheiding van waren of diensten
Komt de ondernemingsrechtbank tot het besluit dat het gebruik niet in het economische verkeer voor waren of diensten plaatsvond, dan moet zij het enkel voor de drie Benelux-merken toetsen aan artikel 2.20, lid 2, d) van het Benelux-verdrag. Het Hof van Justitie oordeelt dat het begrip geldige reden daar dezelfde betekenis heeft, met dezelfde afwegingscriteria. Wel voegt het toe dat de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting buiten het commerciële domein volgens het EHRM een ruimere bescherming kan genieten, zodat de afweging onder die grond niet noodzakelijk hetzelfde resultaat oplevert. Voor deze zaak ziet het Hof van Justitie echter niet in dat dit verschil enige invloed heeft.
Juridische analyse en duiding
Het Hof van Justitie is milder dan zijn advocaat-generaal, en dat is een echte koerskeuze
Advocaat-generaal Szpunar had het Hof van Justitie een strengere regel voorgesteld. Volgens zijn conclusie van 13 november 2025 moet wie zich op de vrijheid van meningsuiting beroept, aantonen dat zijn uiting het merk, de houder of zijn waren of diensten viseert, of dat de houder zich door eigen gedrag al in het betrokken debat heeft gemengd. Een politiek programma dat niets over het merk zegt, zou volgens hem nooit door de vrijheid van meningsuiting kunnen worden gered. Zo bekeken zou het IKEA-plan al op de eerste horde zijn gestruikeld, zonder afweging.
Het Hof van Justitie neemt die eis niet over. Een verband met het merk of de houder is in het arrest één van de omstandigheden die op goede trouw wijzen, naast de bijdrage aan een debat van algemeen belang en de noodzaak van het gebruik. Het ontbreken van dat verband weegt zwaar, maar sluit het verweer niet uit. Dat is geen detail. Een parodie die een bekend merk gebruikt als vehikel om iets over de samenleving te zeggen, en niet over het merk zelf, blijft dus in beginsel verdedigbaar, op voorwaarde dat de gebruiker de afweging wint. In de zaak zelf verandert het weinig, omdat het Hof van Justitie de afweging vervolgens toch tegen Vlaams Belang laat uitvallen, maar voor toekomstige zaken laat het de deur op een kier die de advocaat-generaal wilde sluiten.
Er is een tegenargument dat het gewicht van die kier relativeert. Het Hof van Justitie eist dat het gebruik “noodzakelijk” is voor de uitoefening van de vrijheid wanneer het niet over het merk gaat en geen debat voedt, en het aanvaardt dat de merkhouder geen onevenredige schade moet dulden. Wie een bekend merk inzet voor een boodschap die er niets mee te maken heeft, zal bijna altijd worden geconfronteerd met de vraag waarom hij precies dat merk nodig had. Op die vraag heeft een campagnevoerder zelden een ander antwoord dan de aandacht die het merk genereert, en dat antwoord is volgens het arrest juist geen geldige reden. De kier is dus reëel, maar smal, en zij zal in de praktijk vooral spelen wanneer het merk in het dagelijkse taalgebruik is opgegaan of een culturele referentie is geworden.
Het Dom Pérignon-arrest van het Benelux-Gerechtshof is grotendeels achterhaald
De verwijzende rechter wees op een spanning binnen de Benelux. Belgische rechters legden het begrip geldige reden traditioneel zeer restrictief uit, terwijl het Benelux-Gerechtshof in het arrest Moët Hennessy Champagne Services tegen Cedric Art (BenGH 14 oktober 2019, A 2018/1) een erg ruime regel had geformuleerd: de artistieke vrijheid is een geldige reden voor gebruik anders dan als merk, wanneer de kunstuiting het originele resultaat is van een creatief vormgevend proces dat niet erop is gericht het merk of de houder schade toe te brengen. In de praktijk kwam dat erop neer dat enkel de intentie om te schaden een kunstenaar kon worden tegengeworpen. De rechtsleer had daar kritiek op, onder meer omdat het arrest geen enkel afwegingscriterium aanreikte en onduidelijk liet of voor politieke uitingen iets anders gold (M.-C. JANSSENS, noot onder BenGH 14 oktober 2019, RW 2019-2020, 1369).
Het arrest van 8 september 2026 vervangt die intentietoets door een volwaardige afweging met minstens zeven gezichtspunten, en het verklaart die afweging uitdrukkelijk ook van toepassing op de Benelux-grond voor gebruik anders dan als merk, omdat het begrip geldige reden daar dezelfde betekenis moet hebben als in de richtlijn. Wie zich vandaag nog op het Dom Pérignon-arrest beroept, komt dus niet verder dan de vaststelling dat de vrijheid van meningsuiting in aanmerking komt; over de vraag of zij het in het concrete geval haalt, geeft het Hof van Justitie nu de maatstaf. Voor kunstenaars is er wel een nuance: het Hof van Justitie erkent dat een uiting buiten het commerciële domein ruimer wordt beschermd, zodat een schilderij anders kan worden beoordeeld dan een politieke folder of een reclamecampagne.
Er zit ook een methodologische les in. De vragen die aan het Benelux-Gerechtshof werden gesteld, luidden bijna letterlijk hetzelfde als die welke nu aan het Hof van Justitie zijn voorgelegd. Omdat de geldige reden een begrip van geharmoniseerd Unierecht is, hadden zij toen al in Luxemburg moeten worden gesteld, aan het andere hof. Dat de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank te Brussel ditmaal als rechter in eerste aanleg rechtstreeks het Hof van Justitie heeft bevraagd, heeft de Benelux zeven jaar onzekerheid bespaard die anders tot in cassatie had kunnen aanslepen.
Is het Hof van Justitie te ver gegaan door de feiten zelf te beoordelen?
Een prejudiciële verwijzing onder artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dient om het Unierecht uit te leggen, niet om het op de feiten toe te passen. Toch beoordeelt het Hof van Justitie in de punten 94 tot 101 van het arrest de campagne van Vlaams Belang tot in de details: de afwezigheid van een taalkundige betekenis, de bijna identieke tekens, het herhaalde gebruik, de verspreiding op internet, en het risico dat het publiek IKEA met de boodschap associeert. De slotsom dat het gebruik “niet lijkt” zwaarder te wegen dan de belangen van de merkhouder, laat de Brusselse rechter formeel vrij, maar geeft hem in de praktijk weinig ruimte om anders te beslissen. Een eerste kritische lezing luidt dan ook dat het Hof van Justitie zijn bevoegdheid heeft opgerekt, en dat die terughoudendheid des te meer geboden was omdat de zaak politiek gevoelig is.
Die kritiek weegt, maar zij is niet beslissend. Het Hof van Justitie doet niets anders dan wat het in het arrest Leidseplein Beheer en in het auteursrechtelijke arrest Deckmyn (HvJ 3 september 2014, C-201/13) ook al deed: de verwijzende rechter een nuttig antwoord geven door de criteria op de feiten uit de verwijzingsbeslissing te projecteren, telkens onder voorbehoud van verificatie. Bovendien ligt de uitkomst voor het Hof van Justitie al grotendeels vast door de eigen stellingname van Vrijheidsfonds, dat ter terechtzitting toegaf dat het in het economische verkeer handelde en dat het de bekendheid van de merken wilde gebruiken om zijn boodschap te versterken. Wie zelf zegt dat hij in het kielzog van een merk vaart, kan het Hof van Justitie moeilijk verwijten dat het die verklaring ernstig neemt. En voor de nationale rechters heeft die concrete toepassing een groot voordeel: zij weten nu niet alleen welke criteria gelden, maar ook hoeveel gewicht elk criterium krijgt in een typisch geval.
Het arrest Deckmyn verdient nog een woord, omdat het over dezelfde vereniging ging. In 2011 verspreidde Vlaams Belang een kalender waarop de cover van het Suske en Wiske-album De Wilde Weldoener was hertekend met de Gentse burgemeester en gesluierde figuren. Het Hof van Justitie omschreef toen de parodie als een uiting die een bestaand werk oproept met duidelijke verschillen en daarbij humor of spot bevat, en het gaf de rechthebbenden een grondrechtelijk belang om niet met een discriminerende boodschap te worden geassocieerd. Vijftien jaar later loopt het merkenrecht op hetzelfde punt uit: het risico dat het publiek de houder van een merk met de politieke boodschap verbindt, is nu ook een uitdrukkelijk criterium bij de geldige reden. Het verschil is dat het auteursrecht in artikel 5, lid 3, k) van de InfoSoc-richtlijn een echte parodie-uitzondering kent, terwijl het Europees Parlement een gelijkaardige uitzondering voor het merkenrecht in 2014 wel voorstelde maar niet doorgevoerd kreeg. De geldige reden vult die leemte, maar met de bewijslast bij de gebruiker.
Wat betekent dit concreet?
Voor houders van bekende merken. Het arrest versterkt uw positie tegen het gebruik van uw merk in campagnes waar u niets mee te maken wilt hebben, ook wanneer die campagnes zich op een maatschappelijk debat beroepen. Documenteer uw politieke neutraliteit of uw publiek ingenomen standpunten, want de vraag of het publiek de indruk kan krijgen dat u de boodschap steunt, is voortaan een volwaardig criterium. Leg de intensiteit van het gebruik vast: het aantal berichten, de kanalen, het bereik en de duur, omdat het Hof van Justitie uitdrukkelijk onderscheid maakt tussen een eenmalige persconferentie en een herhaalde onlineverspreiding. Twijfelt u of een campagne die uw merk gebruikt onder de bekendmerkbescherming valt, dan is die kwalificatie het eerste wat wij voor u nagaan.
Voor politieke partijen, verenigingen en campagnevoerders. De vrijheid van meningsuiting geeft u geen vrijgeleide om een bekend merk als blikvanger te gebruiken. Stel u vóór een campagne drie vragen. Gaat de boodschap over het merk, de onderneming of haar producten? Is het merk noodzakelijk voor de boodschap, bijvoorbeeld omdat het een begrip uit het dagelijkse taalgebruik is geworden? En hoe dicht blijft u bij het origineel? Wie enkel het woord leent en een eigen vormgeving kiest, staat sterker dan wie lettertype, kleuren en beeldtaal overneemt. Een uitdrukkelijke ontkenning van elk verband, zoals de opmerking over de echte betekenis van het letterwoord tijdens de persconferentie, volstaat volgens het Hof van Justitie niet om de indruk van instemming weg te nemen. Vergeet ook niet dat een vereniging zonder winstoogmerk in het economische verkeer handelt zodra zij als marktdeelnemer optreedt, en dat partijfinanciering die aan verkiezingsresultaten is gekoppeld, die kwalificatie volgens de advocaat-generaal mee kan dragen. Wie een campagne op een bekend merk wil bouwen, doet er goed aan zich vooraf te laten bijstaan door een advocaat gespecialiseerd in merkenrecht.
Voor kunstenaars, satirici en uitgevers. Het arrest maakt uw positie niet slechter, wel preciezer. De ruime formule van het Dom Pérignon-arrest is vervangen door een afweging waarin uw goede trouw, de bijdrage van het werk aan een debat, het niet-commerciële karakter van de uiting en de afstand tot het merk tellen. Een kunstwerk dat het merk zelf tot onderwerp maakt en buiten de handel wordt getoond, blijft de sterkste casus. Een parodie die louter een bekend logo overneemt om een andere boodschap te verkopen, is het zwakst, zoals ook in het auteursrecht bleek bij de hertekende cover van een kinderboek die een weekblad als parodie verdedigde. De nuance dat de rechter buiten het commerciële domein anders mag wegen, is voor u het belangrijkste zinnetje van het arrest.
Veelgestelde vragen (FAQ)
Mag ik een bekend merk gebruiken in een politieke campagne of een protestactie?
Alleen wanneer uw vrijheid van meningsuiting in het concrete geval zwaarder weegt dan het merkrecht van de houder, en u dat kunt aantonen. Volgens het Hof van Justitie speelt in uw voordeel dat de boodschap over het merk of de onderneming zelf gaat, dat zij bijdraagt aan een debat van algemeen belang, of dat het merk noodzakelijk is voor de boodschap. In uw nadeel spelen bijna identieke tekens, een intensieve verspreiding en het risico dat het publiek denkt dat de merkhouder uw boodschap steunt.
Is een parodie op een merk toegelaten zoals een parodie op een boek of een strip?
Niet op dezelfde manier. Het auteursrecht kent een uitdrukkelijke parodie-uitzondering, het merkenrecht niet. Bij een bekend merk verloopt de toets via het begrip geldige reden: de merkhouder bewijst eerst dat uw gebruik voordeel trekt uit of afbreuk doet aan zijn merk, en daarna moet u aantonen dat uw redenen zwaarder wegen dan zijn belangen. Satire en parodie krijgen wel bijzondere aandacht in die afweging, omdat zij mogen overdrijven en provoceren.
Kan een vereniging zonder winstoogmerk merkinbreuk plegen?
Ja. De bescherming van een bekend merk vereist gebruik in het economische verkeer, maar een vzw handelt in dat verkeer zodra zij als marktdeelnemer optreedt, bijvoorbeeld door een campagne te voeren die op reclamemateriaal of in online-inhoud een merk gebruikt. Dat zij geen winst nastreeft, is niet doorslaggevend. In de zaak over het IKEA-plan erkende de betrokken vzw zelf dat haar gebruik in het economische verkeer plaatsvond. Voor Benelux-merken kan de houder bovendien optreden tegen gebruik anders dan als merk, waarvoor die voorwaarde niet geldt.
Wat moet de merkhouder bewijzen en wat moet de gebruiker bewijzen?
De houder van het bekende merk moet aantonen dat het gebruik van het teken ongerechtvaardigd voordeel trekt uit of afbreuk doet aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van zijn merk, of dat daarvoor een ernstig gevaar bestaat. Slaagt hij daarin, dan verschuift de bewijslast: de gebruiker moet de concrete redenen voor zijn gebruik uiteenzetten en aantonen dat die zwaarder wegen dan de rechten en belangen van de houder. Een algemeen beroep op de vrijheid van meningsuiting volstaat daarvoor niet.
Conclusie
Het Hof van Justitie heeft op 8 september 2026 voor het eerst uitgemaakt dat de vrijheid van meningsuiting, politieke parodie inbegrepen, een geldige reden kan zijn om een bekend merk te gebruiken, maar het legt de lat hoog: de gebruiker draagt de bewijslast, moet te goeder trouw handelen en wint enkel wanneer zijn belang de belangen van de merkhouder overstijgt. Voor de campagne van Vlaams Belang lijkt die afweging in het nadeel van de partij uit te vallen, omdat het migratiedebat niets met IKEA te maken heeft en de bijna identieke tekens intensief werden verspreid. In België en de rest van de Benelux vervangt het arrest de ruime intentietoets van het Dom Pérignon-arrest door een concrete afweging die ook geldt voor gebruik anders dan als merk, zodat het merkenrecht en de vrijheid van meningsuiting voortaan volgens één Europese maatstaf tegen elkaar worden afgewogen.
Bron: Everest
» Bekijk alle artikels: IT & IP













