Corporate Governance
voor familiebedrijven

Mr. Sofie Lerut (advocaat)

Webinar op donderdag 8 oktober 2026


Oude successieplanningen onder de loep:
wat bij gewijzigde omstandigheden?

Mr. Rinse Elsermans (Cazimir)

Webinar op donderdag 8 oktober 2026


Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?

Overweeg dan zeker onze voordeelformules!

 

Krijg toegang tot +250 opleidingen

Live & on demand webinars

Met tussenkomst van de kmo-portefeuille

Wat zijn de toepasselijke tarieven onder de nieuwe meerwaardebelasting? (Cazimir)

Auteur: Cazimir

Nu we in deze reeks reeds hebben uiteengezet welke handelingen en activa belastbaar zijn onder de nieuwe meerwaardebelasting, kunnen we dieper ingaan op de exacte belastingdruk die zij met zich meebrengt. In de media is het algemeen tarief van 10 % samen met de vrijstelling van 10.000 euro voor de residuaire categorie reeds uitvoerig besproken. In dit artikel gaan we echter ook dieper in op de overige tarieven (en eventuele vrijstellingen) die de nieuwe meerwaardebelasting met zich meebrengt.

1.Tarieven binnen de algemene meerwaardebelasting

Zoals reeds besproken in het tweede artikel van deze reeks, voorziet de wetgever in drie nieuwe categorieën van meerwaarden die belastbaar zijn als diverse inkomsten. Deze categorieën worden onderworpen aan afwijkende (voet)vrijstellingen en tarieven, dewelke hieronder afzonderlijk worden uiteengezet. Hiernaast dient te worden opgemerkt dat bovenop de nieuwe meerwaardebelasting geen gemeentebelasting zal worden geheven, waardoor deze tarieven in feite niet meer worden ‘verhoogd’.

1.1. Categorie 1 – Interne meerwaarde

Interne meerwaarden worden onder de nieuwe meerwaardebelasting belast aan een tarief van 33 %.(1) In tegenstelling tot de andere twee categorieën, voorziet de wetgever hier niet in enige voetvrijstelling. Ook wordt niet voorzien in een uitzondering voor belastingplichtigen die de meerwaarde ‘te goede trouw’ zouden hebben verwezenlijkt. Concreet betekent dit dat wanneer de meerwaarde wordt gekwalificeerd als ‘interne meerwaarde’, het tarief van 33 % op de volledige meerwaarde zonder meer van toepassing zal zijn. Niettemin zal er (zelfs) binnen deze categorie toepassing kunnen worden gemaakt van de waarde ten tijde van het “fotomoment” om als aanschafwaarde te fungeren. Let wel, zoals in onze eerdere artikelen toegelicht is de nieuwe meerwaardebelasting (en dus ook deze categorie van interne meerwaarden) enkel van toepassing als de meerwaarde zich buiten de beroepssfeer en binnen het normaal beheer van privévermogen situeert.

1.2. Categorie 2 – Aanmerkelijk belang

Meerwaarden binnen de categorie van het aanmerkelijk belang (met name in geval van een minimale deelneming van 20%) worden progressief belast aan tarieven die oplopen van 1,25 % tot 10 %.(2) Deze meerwaarden kunnen bovendien genieten van een voetvrijstelling ten belope van 1.000.000 euro.(3)

Zie tabel

Een belangrijke kanttekening hierbij is echter dat deze vrijstelling van 1.000.000 euro fungeert als een maximumgrens voor een rollende periode van vijf opeenvolgende belastbare tijdperken. De memorie van toelichting beschrijft het als een “rugzak” die de belastingplichtige gedurende die tijd kan gebruiken. Ter verduidelijking schetsen wij kort het voorbeeld zoals besproken in de memorie van toelichting:

Een belastingplichtige realiseert het eerste jaar een meerwaarde van 500.000 euro, in het tweede en derde jaar opnieuw een meerwaarde ten belope van 500.000 euro en in het zesde jaar een meerwaarde van 1.000.000 euro. In het eerste en het tweede jaar kan de belastingplichtige een beroep doen op een vrijstelling van 500.000 euro voor ieder jaar. In het derde jaar kan de belastingplichtige geen beroep doen op een vrijstelling. In het zesde jaar kan de belastingplichtige een beroep doen op een vrijstelling ten belope van 500.000 euro. De belastingplichtige dient immers rekening te houden met de vrijstelling ten belope van 500.000 euro die in het tweede jaar gebruikt werd.

Bovenstaande progressieve tarieven gelden echter niet binnen de categorie van het (i) aanmerkelijk belang indien (ii) de aandelen van een (iii) binnenlandse vennootschap worden overgedragen aan een (iv) rechtspersoon waarvan de voornaamste inrichting of zetel van bestuur (of beheer) zich bevindt buiten de Europese economische ruimte (EER). In voorkomend geval geldt er namelijk een vlak tarief van 16,5 % op het volledige gedeelte van de meerwaarde boven de eerste vrijgestelde schijf van 1.000.000 euro.(4) Indien één van de bovenstaande voorwaarden (i – iv) niet is vervuld, zal de meerwaarde wel worden belast aan de progressieve tarieven van het aanmerkelijk belang, dan wel aan 10 % overeenkomstig de residuaire categorie.

1.3. Categorie 3 – Residuaire categorie

Tot slot bestaat de derde categorie – de residuaire categorie – uit alle meerwaarden gerealiseerd op financiële activa die niet onder de eerste of tweede categorie ressorteren. Deze meerwaarden zijn belastbaar tegen een tarief van 10 %.(5)

Binnen deze categorie wordt voorzien in een jaarlijkse voetvrijstelling ten belope van 10.000 euro.(6) Deze vrijstelling is tevens ook (beperkt) overdraagbaar naar de volgende belastbare tijdperken en zal jaarlijks worden geïndexeerd. De overdraagbaarheid wordt echter wel beperkt tot het ongebruikte deel van de eerste 10 % van de voetvrijstelling, waarbij de vrijstelling niet meer kan bedragen dan 15.000 euro.(7)

Conclusie

Het toepasselijk tarief waaraan de (gerealiseerde) meerwaarde zal worden onderworpen onder de nieuwe meerwaardebelasting zal afhangen van de categorie waarbinnen deze zal sorteren. Hierbij zijn de verschillen tussen de tarieven per categorie beduidend, waardoor het plannen en structureren van de overdracht in veel gevallen aangewezen is.

Heeft u vragen over de impact van de meerwaardebelasting op uw persoonlijke situatie of vermogensstructuur? Ons team staat klaar om u hierin bij te staan en samen met u de fiscale gevolgen helder in kaart te brengen.

Voetnoten

(1) Artikel 171, 1° a) WIB 1992.
(2) Artikel 171, 2°, f), 9°, 10° en 11° WIB 1992.
(3) Artikel 96/2, eerste lid, 1° WIB 1992.
(4) Artikel 171, 4°, I), WIB 1992.
(5) Artikel 171, 2°, e) WIB 1992.
(6) Artikel 96/2, eerste lid, 2° WIB 1992.
(7) Artikel 96/2, derde lid WIB 1992.

Bron: Cazimir

» Bekijk alle artikels: Successie & Vermogen

Boeken in de kijker: