Mededingingsrecht:
recente ontwikkelingen

Mr. Melissa Van Schoorisse (Covington)

Webinar op vrijdag 25 september 2026


Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?

Overweeg dan zeker onze voordeelformules!

 

Krijg toegang tot +250 opleidingen

Live & on demand webinars

Met tussenkomst van de kmo-portefeuille


Generatieve AI
in de juridische praktijk

Dr. Wim De Mulder (KU Leuven)

Webinar op donderdag 25 februari 2027


Discriminatie op de werkvloer:
de laatste ontwikkelingen

Mr. Inger Verhelst (Claeys & Engels)

Webinar op donderdag 24 september 2026

Kan de GBA een klacht afwijzen omdat er al een procedure bij de rechter loopt? (Everest)

Auteur: Joris Deene (Everest)

Wie meent dat zijn persoonsgegevens onrechtmatig zijn verwerkt, kan twee wegen bewandelen: een klacht bij de toezichthouder en een vordering bij de burgerlijke rechter. Maar wat als de betrokkene beide tegelijk gebruikt? In het arrest van 18 juni 2026 (C-414/24, Datenschutzbehörde) oordeelt het Hof van Justitie dat een toezichthoudende autoriteit een klacht niet zomaar mag afwijzen op de enkele grond dat dezelfde zaak al bij de rechter aanhangig is. De klacht moet worden behandeld, desnoods na opschorting in afwachting van het vonnis.

De feiten

Een arts vroeg in 2017 aan de exploitant van een online artsenbeoordelingsplatform om de haar betreffende persoonsgegevens te wissen. Toen dat werd geweigerd, stelde zij in november 2017 een burgerlijke vordering in tegen het platform, onder meer tot wissing van de gegevens en tot het staken van de verdere verwerking.

Na de inwerkingtreding van de Algemeen Verordening Gegevensbescherming (AVG/GDPR) herhaalde zij haar wissingsverzoek. Ook dat werd geweigerd. Daarop diende zij in juli 2018 een klacht in bij de Oostenrijkse gegevensbeschermingsautoriteit, gesteund op het recht op gegevenswissing van art. 17 AVG. Het voorwerp van die klacht was identiek aan dat van de burgerlijke vordering: de wissing van dezelfde gegevens op hetzelfde platform.

De toezichthouder wees de klacht af. Volgens haar verdraagt het stelsel van de AVG zich niet met het gelijktijdig of achtereenvolgens voeren van een administratieve klachtprocedure en een gerechtelijke procedure over dezelfde kwestie. Bovendien verbiedt het Oostenrijkse grondwettelijke beginsel van scheiding tussen rechterlijke en uitvoerende macht dat beide organen over hetzelfde geschil oordelen. Via de Oostenrijkse hoogste bestuursrechter belandde de vraag bij het Hof van Justitie.

De beslissing

Het Hof oordeelt dat art. 77, lid 1, en art. 79, lid 1, AVG zich ertegen verzetten dat een toezichthoudende autoriteit een klacht afwijst op de enkele grond dat er eerder een voorziening in rechte met hetzelfde voorwerp is ingesteld, zelfs wanneer de rechterlijke beslissing in die procedure nog niet definitief is.

Het Hof bouwt voort op zijn eerdere rechtspraak. In het arrest Nemzeti Adatvédelmi és Információszabadság Hatóság (HvJ 12 januari 2023, C-132/21) stelde het al vast dat de beroepsmogelijkheden van de artikelen 77 tot en met 79 AVG naast elkaar en onafhankelijk van elkaar kunnen worden aangewend. De verordening voorziet niet in een prioritaire of exclusieve bevoegdheid, en kent geen voorrangsregel toe aan de autoriteit dan wel de rechter bij de beoordeling van een vermeende inbreuk. Elke beroepsweg moet kunnen worden benut “onverminderd” de andere, zoals de aanhef van de drie bepalingen uitdrukkelijk vermeldt.

Die uitlegging vindt steun in de context en de doelstellingen van de verordening. Krachtens art. 57, lid 1, f) AVG moet elke toezichthoudende autoriteit klachten met de nodige voortvarendheid en zorgvuldigheid behandelen. De klachtenprocedure is, zoals het Hof in het arrest SCHUFA Holding (HvJ 7 december 2023, C-26/22 en C-64/22) benadrukte, geen vrijblijvend verzoek dat de autoriteit naar eigen inzicht onbehandeld kan laten, maar een mechanisme dat de rechten en belangen van de betrokkene daadwerkelijk moet beschermen. De toezichthouder is verplicht op te treden wanneer een corrigerende maatregel uit art. 58, lid 2 AVG passend, noodzakelijk en evenredig is.

Uit die zorgvuldigheidsplicht volgt dat de autoriteit bij de behandeling van een klacht rekening moet houden met de uitkomst van een parallelle gerechtelijke procedure over hetzelfde voorwerp. Het Hof reikt daartoe een alternatief aan: in plaats van de klacht af te wijzen kan een lidstaat voorzien in een opschortingsmechanisme. De autoriteit schorst dan het onderzoek tot de rechterlijke beslissing definitief is. Dat verzoent het recht op een doeltreffende voorziening met de zorg om tegenstrijdige beslissingen te vermijden.

Een loutere afwijzing voldoet daar niet aan. Wijst de autoriteit de klacht af terwijl de gerechtelijke procedure nog loopt, dan heeft zij geen zekerheid dat er ooit een beslissing ten gronde volgt: de vordering kan om procedurele redenen onontvankelijk worden verklaard, of de betrokkene kan ervan afzien. Wanneer het nationale recht de indiening van een nieuwe klacht bovendien aan een vervaltermijn bindt en die termijn intussen is verstreken, dreigt de betrokkene elke doeltreffende bescherming te verliezen. Dat is strijdig met het doeltreffendheidsbeginsel.

Juridische analyse en duiding

De afwijzing-versus-opschorting-dichotomie als kern van het arrest

De toegevoegde waarde van dit arrest ligt niet in de bevestiging van het parallellisme van de beroepswegen, dat sinds Nemzeti Adatvédelmi vaststaat, maar in het scherpe onderscheid tussen twee procedurele technieken die ogenschijnlijk hetzelfde doel dienen. Zowel afwijzing als opschorting kunnen tegenstrijdige beslissingen voorkomen, maar enkel de opschorting eerbiedigt de onafhankelijkheid van de klachtprocedure.

De redenering is intern coherent. Het Hof verbindt de zorgvuldigheidsplicht van art. 57, lid 1, f) en de optredensverplichting uit de SCHUFA-rechtspraak rechtstreeks aan het procedurele lot van de klacht: een autoriteit die afwijst, ontslaat zichzelf van haar onderzoeksplicht op grond van een toekomstige gebeurtenis die misschien nooit plaatsvindt. De opschorting daarentegen houdt de plicht in stand en stelt de uitoefening ervan enkel uit. Het al dan niet definitieve karakter van de rechterlijke beslissing wordt zo doorslaggevend, een punt waarop de advocaat-generaal zich in deze zaak uitdrukkelijk distantieerde van het andersluidende standpunt van de Commissie.

De analogie met art. 81 AVG en haar grenzen

De verwijzende rechter zocht inspiratie bij het schorsingsmechanisme van art. 81, leden 2 en 3 AVG, dat een prioriteitsregel hanteert: het laatst aangezochte orgaan wijkt. Die bepaling is echter geschreven voor de grensoverschrijdende situatie, waarin procedures in verschillende lidstaten samenlopen. Voor tegenstrijdige beslissingen binnen één lidstaat voorziet de verordening niet in een geharmoniseerde oplossing.

Daar ligt precies de ruimte voor de procedurele autonomie. Het Hof bevestigt dat het aan elke lidstaat toekomt de afstemming tussen de beroepswegen vorm te geven, mits het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel en art. 47 van het Handvest worden geëerbiedigd. De Oostenrijkse keuze om uit het beginsel van machtenscheiding een afwijzingsplicht af te leiden, sneuvelt niet wegens de machtenscheiding als zodanig, maar omdat de gekozen techniek, de afwijzing, het nuttig effect van het klachtrecht aantast. De boodschap is methodologisch: een lidstaat mag coördineren, maar de gekozen techniek moet de minst ingrijpende zijn die het doel bereikt.

Wat betekent dit concreet?

Voor de Belgische gegevensbeschermingsautoriteit. De Geschillenkamer kan een klacht niet zonder meer seponeren omdat de klager voor dezelfde feiten al een vordering bij de burgerlijke rechter heeft ingesteld. De Belgische wet voorziet niet uitdrukkelijk in een opschortingsmechanisme tussen de klacht onder art. 77 AVG en de vordering onder art. 79 AVG. Tot de wetgever daarin voorziet, zal de Geschillenkamer haar onderzoeksplicht moeten verzoenen met het arrest: behandelen, of de facto opschorten in afwachting van het definitieve vonnis, maar niet afwijzen. Een seponering op de enkele grond van een hangende gerechtelijke procedure dreigt voor het Marktenhof te sneuvelen wegens schending van het doeltreffendheidsbeginsel.

Voor de betrokkene die zijn rechten wil afdwingen. De dubbele weg blijft volledig open. Wie naar de rechter stapt, verliest zijn recht op een klacht bij de toezichthouder niet, en omgekeerd. Wel verdient het aanbeveling de samenloop strategisch te bekijken: de klachtprocedure is laagdrempelig en kosteloos, terwijl een gerechtelijke vordering toelaat een veroordeling en eventueel schadevergoeding te bekomen. Let bij de klacht goed op de ontvankelijkheidsvereisten en de feitelijke onderbouwing, want het arrest beschermt het recht op behandeling, niet de gegrondheid ervan.

Voor de verwerkingsverantwoordelijke als verwerende partij. De keerzijde is dat een dezelfde verwerking voortaan langs twee sporen tegelijk kan worden aangevochten, met de bijbehorende last en kosten van een dubbele verdediging. De advocaat-generaal erkende dit nadeel uitdrukkelijk. Verweerders die met een parallelle klacht en vordering worden geconfronteerd, kunnen er belang bij hebben de Geschillenkamer actief op de hangende gerechtelijke procedure te wijzen en aan te sturen op opschorting in plaats van een gelijktijdige inhoudelijke behandeling.

Veelgestelde vragen (FAQ)

Kan ik tegelijk een klacht indienen bij de gegevensbeschermingsautoriteit en naar de rechter stappen voor dezelfde zaak?
Ja. De AVG voorziet in beroepswegen die naast elkaar en onafhankelijk van elkaar kunnen worden aangewend. Een klacht bij de toezichthouder sluit een gerechtelijke vordering niet uit, en omgekeerd.

Mag de toezichthouder mijn klacht weigeren omdat er al een rechtszaak loopt?
Neen, niet op die enkele grond. De autoriteit moet de klacht behandelen. Zij kan het onderzoek wel opschorten tot de rechterlijke beslissing definitief is, maar mag de klacht niet zonder meer afwijzen.

Wat gebeurt er als de rechter mijn vordering al heeft afgewezen, maar dat vonnis nog niet definitief is?
Ook dan mag de toezichthouder de klacht niet afwijzen. Zolang de rechterlijke beslissing nog kan worden aangevochten, blijft het risico op tegenstrijdige uitspraken louter hypothetisch en moet de klacht haar gewone behandeling krijgen.

Conclusie

Het arrest verstevigt de positie van de betrokkene. De klacht bij de toezichthouder en de vordering bij de rechter zijn twee zelfstandige wegen die niet tegen elkaar kunnen worden uitgespeeld. Een toezichthoudende autoriteit die met een samenloop wordt geconfronteerd, mag de klacht niet afwijzen op de enkele grond dat dezelfde zaak al bij de rechter aanhangig is; zij moet behandelen, desnoods na opschorting tot het vonnis definitief is. Voor de Belgische praktijk betekent dit dat een seponering door de Geschillenkamer wegens een hangende gerechtelijke procedure kwetsbaar is voor het Marktenhof.

Bron: Everest

Boeken in de kijker: