Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?

Overweeg dan zeker onze voordeelformules!

 

Krijg toegang tot +250 opleidingen

Live & on demand webinars

Met tussenkomst van de kmo-portefeuille


Omgevingsprocedure:
de allerlaatste ontwikkelingen

Mr. Bart De Becker (De Becker Advocaten)

Webinar op donderdag 26 november 2026


Generatieve AI
in de juridische praktijk

Dr. Wim De Mulder (KU Leuven)

Webinar op donderdag 25 februari 2027


Koop-verkoop van onroerend goed:
obstakels uit de praktijk

Mr. Jérémy Vanderheyde en mr. Karel Veuchelen

(Scale / Schoups)

Webinar op donderdag 19 november 2026

De formaliteit van het openbaar onderzoek is niet voor iedereen weggelegd (UAntwerpen)

Auteur: Yannick Smeets (UAntwerpen)

Het openbaar onderzoek is allicht een van de meest fundamentele procedurestappen uit de (gewone) vergunningsprocedure. Het biedt een forum voor inspraak en maakt het (lokale) draagvlak voor een vergunning zichtbaar.

Maar heeft iedereen altijd belang bij het opwerpen van de onwettigheid van het georganiseerde openbaar onderzoek?

Een schending van de regels van het openbaar onderzoek of het al dan niet onterecht (opnieuw) georganiseerd hebben van een openbaar onderzoek is namelijk vaak een reden om tot vernietiging van een bestreden vergunning over te gaan.

In een recent arrest van 8 mei 2025 oordeelt de Raad voor Vergunningsbetwistingen alvast van niet.

Een partij heeft maar belang bij het opwerpen van een bepaalde onwettigheid als zij door die onwettigheid is benadeeld of de vernietiging op basis van die onwettigheid haar een voordeel kan opleveren.

Dat is, zo oordeelt de Raad, niet het geval voor een adviesinstantie die de onwettigheid van het openbaar onderzoek hekelt. Een adviesinstantie kan namelijk zelf geen bezwaar indienen tijdens een (nieuw) openbaar onderzoek.

De eventuele onwettigheid van het openbaar onderzoek kan een adviesinstantie dan ook niet kan hebben benadeeld, noch kan de vernietiging op basis daarvan haar een persoonlijk voordeel opleveren.

In 2017 voerde de Codex-trein de regeling voor ‘verouderde verkavelingen’ in. Op basis daarvan werden verkavelingsvoorschriften ouder dan 15 jaar geen weigeringsgrond meer. Dit beoogde een verhoogd ruimtelijk rendement mogelijk te maken, waar dat door verouderde voorschriften zou worden verhinderd.

Ongeveer een jaar geleden stelde de Raad voor Vergunningsbetwistingen (RvVb) in dat verband 2 prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof (GwH). De VCRO bepaalt namelijk dat de ‘leeftijd’ van verkavelingsvoorschriften moet worden bepaald aan de hand van de afgifte van de oorspronkelijk verkaveling. Maar wat met wijzigingen of bijstellingen van zulke verkaveling?

De Raad wilde weten of er daardoor geen sprake was van een ongrondwettig verschil in behandeling, aangezien:

  • een recente bijstelling van een verouderde verkaveling ertoe leidt dat de recent bijgestelde voorschriften onmiddellijk geen weigeringsgrond meer zijn, terwijl de bijgestelde voorschriften op dat moment nog niet ouder zijn dan 15 jaar
  • een recente bijstelling van een verouderde verkaveling ertoe leidt dat de bijgestelde voorschriften geen weigeringsgrond zijn, terwijl dat wel het geval is voor de voorschriften van een recent nieuw aangevraagde verkaveling.

Het GwH besliste op 24 april 2025 dat beide zaken er niet toe leiden dat de regeling inzake de verouderde verkavelingen een ongrondwettig verschil in behandeling creëert.

De start van de 15-jarige termijn van verkavelingsvoorschriften is en blijft dus het moment van afgifte van de oorspronkelijke verkaveling. Dat die voorschriften recenter dan 15 jaar zouden zijn bijgesteld, is dus irrelevant.

Lees hier het arrest

» Bekijk alle artikels: Bouw & Vastgoed

Boeken in de kijker: