Overname van een handelszaak:
15 knelpunten onder de loep

Mr. Vanessa Ramon en mr. Mariël Van Vynckt (Cygnus Advocaten)

Webinar op donderdag 18 maart 2027


Aansprakelijkheid voor gebrekkige producten:
de uitbreiding van Boek 6 BW
(inclusief handboek)

Dhr. Constant De Koninck (Rekenhof)

Webinar op donderdag 20 mei 2027


Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?

Overweeg dan zeker onze voordeelformules!

 

Krijg toegang tot +250 opleidingen

Live & on demand webinars


Generatieve AI
in de juridische praktijk

Dr. Wim De Mulder (KU Leuven)

Webinar op donderdag 25 februari 2027


Antiwitwaskader:
de fundamentele wijzigingen
vanaf 10 juli 2027

Mr. Stijn De Meulenaer (Everest)

Webinar op vrijdag 16 april 2026

Einde handelsagentuur-overeenkomst: op welk moment? (Recht op zaterdag)

Auteur: Marc Vandecasteele (Recht op zaterdag)

De prejudiciële vraag

Op 24 maart 2025 werd het Cassatie-arrest van 28 februari 2025 gepubliceerd waarbij het Hof van Cassatie volgende prejudiciële vraag stelt aan het Hof van Justitie:

‘Dient de handelsagentuurovereenkomst als beëindigd beschouwd te worden in de zin van de artikelen 15.2 en 19 van de Richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake zelfstandige handelsagenten, op het ogenblik van de effectieve stopzetting van de handelsagentuurovereenkomst, dus na het verstrijken van de opzeggingstermijn, dan wel op het ogenblik dat de handelsagent kennis neemt of redelijkerwijze kennis kon nemen van de opzegging van de handelsagentuurovereenkomst?’

Wat waren de feiten?

Tussen een bank en drie agenten bestonden handelsagentuurovereenkomsten die op respectievelijk 22 mei 2003, 22 december 2006 en 31 januari 2006 zijn gesloten

Bij aangetekend schrijven van 8 juli 2016 zegde de bank deze agentuurovereenkomsten op met een opzeggingstermijn van respectievelijk (i) één maand, eindigend op 31 augustus 2016, en een opzeggingsvergoeding van vijf maanden, (ii) drie maanden, eindigend op 31 oktober 2016, en een opzegginsvergoeding van drie maanden en (iii) zes maanden, eindigend op 31 januari 2017

Op 12 oktober 2016 werd in onderling akkoord tussen de bank en de tweede agent de opzeggingstermijn die afliep op 31 oktober 2016 verlengd tot 15 november 2016

Op 27 oktober 2016 sloten de bank en de agenten een globaal akkoord, maat de agenten waren nadien van oordeel dat de overeenkomst van 27 oktober 2016 onder druk van de bank zou zijn tot stand gekomen en zij riepen de nietigheid ervan in onder meer op grond van boek X Wetboek Economisch Recht. De bank werd hierbij aangemaand tot betaling van bepaalde bedragen over te gaan.

De agenten dagvaardden de bank voor de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel teneinde, onder meer, te horen zeggen voor recht dat de overeenkomst van 27 oktober 2016 nietig was. De agenten riepen daarbij onder meer in dat deze overeenkomst strijdig was met de dwingende bepalingen ter bescherming van de handelsagent van boek X WER.

De Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel besliste bij vonnis van 12 maart 2020 tot afwijzing van de vordering tot nietigverklaring van de overeenkomst van 27 oktober 2016.
Volgens de rechtbank herwonnen de partijen hun contractuele vrijheid eens de overeenkomst is beëindigd en is dit het geval van zodra de agent kennis krijgt van de beëindiging van de overeenkomst, ook indien de overeenkomst pas later, namelijk na het verstrijken van de opzeggingstermijn, eindigt. Toen de agenten de omvang van de opzeggings-, uitwinnings- en bijkomende vergoeding regelden in de overeenkomst van 27 oktober 2016, konden zij volgens de rechtbank vrij over hun rechten beschikken.

De agenten stelden hoger beroep in tegen dit vonnis bij verzoekschrift van 28 augustus 2020 neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Brussel.

Bij arrest van 19 juni 2023 verklaart het hof van beroep te Brussel het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. De appelrechters bevestigen het beroepen vonnis en veroordelen de agenten tot de nader begrote gedingkosten.

De visie van het Hof van Cassatie

De betwisting kan slechts worden opgelost door het antwoord op de vraag wanneer een handelsagentuurovereenkomst als beëindigd kan worden beschouwd in de zin van de artikelen 15.2 en 19 Richtlijn 86/653/EEG, waarvoor het Hof van Justitie van de Europese Unie uitsluitend bevoegd is.

Het Hof dient aldus overeenkomstig artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de in het dictum van dit arrest geformuleerde prejudiciële vraag te stellen

Lees hier het arrest

» Bekijk alle artikels: Handel & Consument

Boeken in de kijker: