Antiwitwaskader:
de fundamentele wijzigingen
vanaf 10 juli 2027
Mr. Stijn De Meulenaer (Everest)
Webinar op vrijdag 16 april 2026
Generatieve AI
in de juridische praktijk
Dr. Wim De Mulder (KU Leuven)
Webinar op donderdag 25 februari 2027
Ondernemingsstrafrecht:
de ingrijpende wijzigingen vanaf 1 september 2026
Mr. Stijn De Meulenaer en mr. Danique Van Mechelen (Everest)
Webinar op dinsdag 24 november 2026
Faillissementsrecht anno 2026:
recente wetgeving en rechtspraak
Mr. Ilse Van de Mierop en mr. Charlotte Sas
(DLA Piper)
Webinar op donderdag 26 november 2026
Bestuurdersaansprakelijkheid
bij cyberincidenten
Dhr. Bernd Fiten en dhr. Bram Goetry (CRANIUM)
Webinar op vrijdag 29 januari 2027
Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?
Overweeg dan zeker onze voordeelformules!
Krijg toegang tot +250 opleidingen
Live & on demand webinars
Inbreng van een handelszaak in een vennootschap en niet-concurrentieverplichting. Cassatie-arrest van 10 januari 2025 (Recht op zaterdag)
Op 10 januari 2025 heeft het Hof van Cassatie zich uitgesproken over een zaak rond de inbreng van een handelszaak in een vennootschap en de bijbehorende niet-concurrentieverplichting.
Het Hof van Beroep in Brussel oordeelde eerder (op 19 oktober 2022) dat:
- Wie een handelszaak inbrengt in een vennootschap, daarna geen concurrentie mag aangaan met zijn mede-aandeelhouders of de vennootschap zelf.
- Het verstandig is om de afspraken hierover duidelijk vast te leggen in de inbrengovereenkomst of de statuten.
- De duur van de niet-concurrentieverplichting losstaat van de vraag of de inbrenger vennoot blijft en moet worden bepaald volgens de algemene regels over dergelijke verplichtingen.
- Er geen bewijs was dat de eiseres bij de inbreng van de handelszaak afspraken had gemaakt met de betrokken partijen over een concurrentiebeding met een maximale duur van vijf jaar, beperkt in ruimte en activiteiten.
- Na hun vertrek als bestuurders op 29 augustus 2019 de verweerders niet langer gebonden waren aan een (impliciet) concurrentieverbod en was er geen bewijs dat zij hun discretieplicht hadden geschonden.
Het Hof van Cassatie stelt dat het Hof van Beroep onvoldoende heeft onderbouwd waarom de niet-concurrentieverplichting maximaal vijf jaar mocht duren en niet langer dan de bestuursperiode van de betrokkenen.
Conclusie: het cassatieberoep is gegrond.
» Bekijk alle artikels: Vennootschappen & Verenigingen

















