Faillissementsrecht anno 2026:
recente wetgeving en rechtspraak
Mr. Ilse Van de Mierop en mr. Charlotte Sas
(DLA Piper)
Webinar op donderdag 26 november 2026
Zekerheden anno 2026:
een update aan de hand van wetgeving en rechtspraak
Mr. Ivan Peeters (NautaDutilh)
Mr. Philip Van Steenwinkel (Hogan Lovells)
Webinar op donderdag 19 november 2026
Vennootschapsrecht anno 2026:
recente wetgeving en rechtspraak
Mr. Joris De Vos en mr. Laurens Engelen (Dentons)
Webinar op vrijdag 23 oktober 2026
Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?
Overweeg dan zeker onze voordeelformules!
Krijg toegang tot +250 opleidingen
Live & on demand webinars
Met tussenkomst van de kmo-portefeuille
Generatieve AI
in de juridische praktijk
Dr. Wim De Mulder (KU Leuven)
Webinar op donderdag 25 februari 2027
Bestuurdersaansprakelijkheid
bij cyberincidenten
Dhr. Bernd Fiten en dhr. Bram Goetry (CRANIUM)
Webinar op vrijdag 29 januari 2027
Bestuurders van kleine(re) ondernemingen kunnen slechts aan de toepassing van de aansprakelijkheidsregeling in XX.225 WER ontsnappen middels een regelmatige boekhouding (Tijdschrift voor Belgisch Handelsrecht)
Auteur: Jente Dengler (Tijdschrift voor Belgisch Handelsrecht)
Indien bij faillissement van een onderneming, de schulden de baten overtreffen, kunnen de huidige of gewezen bestuurders, zaakvoerders, dagelijks bestuurders, leden van een directieraad of van een raad van toezicht, alsmede alle andere personen die ten aanzien van de zaken van de onderneming werkelijke bestuursbevoegdheid hebben gehad, persoonlijk en al dan niet hoofdelijk aansprakelijk worden verklaard voor het geheel of een deel van de schulden van de onderneming ten belope van het tekort, indien komt vast te staan dat een door hen begane, kennelijk grove fout heeft bijgedragen tot het faillissement (art. XX.225 WER, oud art. 265 resp. art 530 W.Venn.).
Deze bijzondere bestuurdersaansprakelijkheid wegens kennelijk grove fout geldt evenwel niet voor bestuurders van kleine(re) ondernemingen waarvan de gemiddelde omzet gedurende de afgelopen drie boekjaren niet meer dan 620.000 EUR bedroeg en het balanstotaal van het laatste boekjaar niet hoger was dan 370.000 EUR (art. XX.225 §2 WER).
Recent oordeelde het Hof van Cassatie nog dat het de bestuurder is (en niet de curator) die ter zake de bewijslast draagt en derhalve moet aantonen dat géén van voormelde drempels werden overschreden teneinde zich op deze uitzonderingsregeling te kunnen beroepen (Cass. (1e k.) AR C.21.0016.N, 2 december 2021).
In een arrest van 1 juni 2023 heeft het Hof haar rechtspraak verder aangescherpt door in navolging van een uitspraak van het Hof van Beroep te Luik[1] van 28 juni 2022 te bevestigen dat bestuurders dit bewijs enkel kunnen leveren aan de hand van een regelmatige boekhouding.
In casu werd de vennootschap op 12 oktober 2020 failliet verklaard. Een goedgekeurde jaarrekening over het voorgaand boekjaar was evenwel niet voorhanden, ondanks de statutaire en wettelijke verplichtingen ter zake (o.a. art. 3:1 en 3:12 WVV). Een (niet-goedgekeurde) balans per 31 december 2019 a posteriori opgesteld na faillissement volstond niet om aan te tonen dat de cumulatieve voorwaarden van art. XX.225 §2 WER vervuld waren, aldus het Hof van Beroep te Luik. De veroordeelde bestuurder ging in cassatie, maar zijn beroep werd afgewezen.
[1] Die in het verleden al oordeelde dat bij ontstentenis van enige boekhouding een zaakvoerder niet kon bewijzen onder de uitzonderingsregeling van (oud) art. 265 §2 W.Venn. te vallen (zie bv. Luik 30 april 2007, JLMB 2009, 728).
» Bekijk alle artikels: Insolventie & Faillissement
















