Grensoverschrijdende sociale zekerheid
anno 2026: een update

Dhr. Bruno De Pauw (RSZ)

Webinar op vrijdag 20 november 2026


Ontslag van A tot Z anno 2027

Mr. Kato Aerts, mr. Katrien Coenen

en mr. Sarah Witvrouw (Lydian)

Webinar op donderdag 25 februari 2027


Overname van een handelszaak:
15 knelpunten onder de loep

Mr. Vanessa Ramon en mr. Mariël Van Vynckt (Cygnus Advocaten)

Webinar op donderdag 18 maart 2027


Bonusbeleid anno 2027.
Warrants en CAO nr. 90 onder de juridische loep

Mr. Mieke Deconinck en mr. Jan Lein (Claeys & Engels)

Webinar op vrijdag 29 januari 2027


Loontransparantie anno 2027

Mr. Dieter Dejonghe en mr. Veerle Van Keirsbilck

(Claeys & Engels)

Webinar op donderdag 18 februari 2027


Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?

Overweeg dan zeker onze voordeelformules!

 

Krijg toegang tot +250 opleidingen

Live & on demand webinars

Schadevergoeding wegens discriminatie (SoConsult)

Auteur: Willy van Eeckhoutte (SoConsult)

Publicatiedatum: juni 2020

Werknemers die het slachtoffer zijn van discriminatie op basis van een van de criteria waaromtrent de drie antidiscriminatiewetten bescherming bieden, kunnen onder meer schadevergoeding vorderen.

Omdat de omvang van de schade die discriminatie veroorzaakt, moeilijk te bewijzen valt, voorzien die wetten in de mogelijkheid een forfaitaire schadevergoeding te vorderen. Voor de materiële en morele schade samen is die in beginsel bepaald op zes maanden brutoloon. Kan worden aangetoond dat de betwiste ongunstige of nadelige behandeling die discriminerend is, ook op niet-discriminerende gronden zou hebben plaatsgehad, dan wordt het bedrag van de forfaitaire schadevergoeding gereduceerd tot drie maanden brutoloon.

Die “tarieven” vormen een uitzondering op het algemene “tarief” van 650 of 1.300 euro en zijn maar van toepassing “wanneer het slachtoffer morele of materiële schadevergoeding vordert wegens discriminatie in het kader van de arbeidsbetrekkingen of van de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid”, aldus de wet (zie Sociaal Compendium Arbeidsrecht 2019-2020, nr. 2345). Men zou op basis van die zinsnede kunnen besluiten dat het van geen belang is van wie de schadevergoeding wordt gevorderd.

Fout zegt het Hof van Cassatie in het hieronder nader aangewezen arrest: de zes of drie maanden loon gelden als het gaat om arbeidsverhoudingen of aanvullende socialezekerheidsvoorzieningen, maar enkel ingeval van vorderingen tegen de werkgever. In andere gevallen zijn de bedragen van 650 of 1.300 euro van toepassing, naar gelang “de dader” wel of niet kan aantonen dat de betwiste ongunstige of nadelige behandeling ook op niet-discriminerende gronden zou gebeurd zijn. De 1.300 euro kan ook toegekend worden omwille van andere omstandigheden zoals de bijzondere ernst van de geleden morele schade, zo zegt de wet.

Het Hof komt blijkbaar tot die conclusie op grond van het feit dat de wet “de werkgever” de mogelijkheid biedt aan te tonen dat de betwiste ongunstige of nadelige behandeling ook op niet-discriminerende gronden zou getroffen zijn.

Uit het arrest valt niet af te leiden waarin de discriminatie bestond. Maar aangezien toepassing wordt gemaakt van de Genderwet, was zij gesteund op geslacht (of de daarmee gelijkgestelde gronden zoals bv. zwangerschap en bevalling). Het slachtoffer richtte de vordering tegen de nv DKV Belgium, een gekende verzekeraar op het vlak van gezondheidszorg en niet tegen haar werkgever. Die had, zo blijkt uit het arrest, de werkneemster een hospitalisatieverzekering aangeboden als deel van het verloningspakket. Blijkbaar zat daarin genderdiscriminatie.

In de zaak was ook het Instituut voor Gelijkheid van Mannen en Vrouwen tussengekomen, dat een stakingsvordering had ingesteld tegen niet nader geïdentificeerde personen en tot aanplakking en publicatie van de uitspraak van de rechter. Het arbeidshof had de eerstgenoemde vordering onontvankelijk verklaard, beslissing die door het Hof van Cassatie wordt vernietigd omdat de rechter ambtshalve de heropening van de debatten niet bevolen had vooraleer hij de exceptie van onontvankelijkheid had ingeroepen, waartoe weliswaar het openbaar ministerie had geconcludeerd, maar die geen van de partijen had ingeroepen. Het Hof van Cassatie vernietigt de beslissing over de vordering van het Instituut tot aanplakking van het arrest omdat het arbeidshof een verband legt met de beslissing tot onontvankelijkverklaring van de stakingsvordering.

BRON:  Cass. 11 mei 2020, S.18.0094.N

Lees hier het originele artikel

» Bekijk alle artikels: Arbeid & Sociale zekerheid

Boeken in de kijker: