Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?

Overweeg dan zeker onze voordeelformules!

 

Krijg toegang tot +250 opleidingen

Live & on demand webinars

Met tussenkomst van de kmo-portefeuille


Generatieve AI
in de juridische praktijk

Dr. Wim De Mulder (KU Leuven)

Webinar op donderdag 25 februari 2027


Antiwitwaskader:
de fundamentele wijzigingen
vanaf 10 juli 2027

Mr. Stijn De Meulenaer (Everest)

Webinar op vrijdag 16 april 2026


Overname van een handelszaak:
15 knelpunten onder de loep

Mr. Vanessa Ramon en mr. Mariël Van Vynckt (Cygnus Advocaten)

Webinar op donderdag 18 maart 2027


Aansprakelijkheid voor gebrekkige producten:
de uitbreiding van Boek 6 BW
(inclusief handboek)

Dhr. Constant De Koninck (Rekenhof)

Webinar op donderdag 20 mei 2027

Identificatie– en objectiviteitsvereiste bij vergelijkende reclame (Stibbe)

Auteur: Peter Wytinck (Stibbe)

Publicatiedatum: 17/04/2018

Op 22 januari 2018 kreeg het Hof van beroep te Gent opnieuw de kans de geoorloofdheid van een vergelijkende reclame te onderzoeken[1].

De zaak betrof een discussie gerezen tussen een producent van gespoten PUR isolatie en een producent van isolatiechapes waarin EPS (‘isomo’) wordt verwerkt. Deze laatste had enkele hyperlinks op zijn website geplaatst onder de hoofding “Nuttige info PUR”. De hyperlinks verwezen naar artikels van derden die de nadelen van PUR isolatie uiteenzetten.

Het hof onderzocht vooreerst of er sprake was van vergelijkende reclame. Interessant is opnieuw de flexibiliteit waarmee het hof omspringt met de identificatievereiste. De verwijzingen naar PUR isolatie laten volgens het Hof immers “een impliciete identificatie toe met een groep van concurrenten (namelijk de ondernemingen die ter plaatse PUR spuiten)”. Dit volstond voor het hof.

Vervolgens werd de geoorloofdheid van de vergelijking onderzocht, en meer bepaald de cumulatieve criteria van wezenlijkheid, relevantie, controleerbaarheid en representativiteit van het vergeleken kenmerk en de objectiviteit van de vergelijking zelf. Dit laatste vormde geen probleem aangezien de artikels geen concrete vergelijking maakten met concurrerende producten, maar zich beperkten tot het uiten van kritiek op een bouwprocédé. Verwerende partij maakte haar deze kritiek eigen door ze op haar website te plaatsen, waardoor men onrechtstreeks toch in een vergelijkende context tussen concurrenten kwam. Het hof achtte de bestanden verder voldoende onderbouwd, wezenlijk, relevant, controleerbaar en representatief, en dit mede gelet op het feit dat ze ofwel geschreven waren door ingenieurs of door personen verbonden aan expertisecentra, ofwel gebaseerd waren op onderbouwde studies, ofwel een relaas vormden van getuigenissen met verwijzingen naar officiële publicaties. De vergelijkende reclame werd bijgevolg geoorloofd bevonden.

Voetnoten:

  1. Gent 22 januari 2018, Rolnr. 2017/AR/910.

Lees hier het originele artikel

» Bekijk alle artikels: Handel & Consument

Boeken in de kijker: