>, Bouwrecht>De hoofdelijke aansprakelijkheid en de inhoudingsplicht inzake RSZ (VDV Advocaten)

De hoofdelijke aansprakelijkheid en de inhoudingsplicht inzake RSZ (VDV Advocaten)

Auteur: Maarten Verhaghe (VDV Advocaten)

Publicatiedatum: 16/10/2018

Cassatie verduidelijkt 2 maal.

Twee recente arresten van het Hof van Cassatie veranderen een jarenlange praktijk en toepassing van de RSZ-wet.

Niet enkel de toekomstige toepassing van de wet wordt veranderd, maar deze rechtspraak kan ook gevolgen hebben voor de in het verleden gestelde RSZ-vorderingen.

In dit artikel wordt de wettekst en het standpunt van de RSZ, in het licht van twee cassatiearresten, onder de loep genomen. Meer specifiek wanneer er beroep wordt gedaan, voor uitvoering van werken in onroerende staat, op een aannemer/onderaannemer die openstaande schulden bij de RSZ heeft.

De arresten van het Hof van Cassatie  perken de aansprakelijkheid van de bouwheer/aannemer en de sanctie bij miskenning van de inhoudingsplicht in. Bij de professionele uitvoering van werken in onroerende staat, blijft het aangewezen om actief de al dan niet toepassing van de inhoudingsplicht te controleren en te respecteren.

Wanneer de RSZ een vordering wegens het niet-respecteren van de inhoudingsplicht stelt of heeft gesteld, is het raadplegen van een advocaat in deze materie ten zeerste aangewezen.

Vooreerst om naleving van de hierna besproken arresten door de RSZ te controleren en/of een terugbetaling te vorderen wanneer de RSZ reeds betaald is geweest.

Verplichtingen van de bouwheer/aannemer

De hoofdelijke aansprakelijkheid van de professionele bouwheer/aannemer voor sociale schulden wordt geregeld in het befaamde artikel 30bis van de RSZ-wet.

In deze wet wordt een grote controleverantwoordelijkheid bij de bouwheer/aannemer gelegd.  Deze dient voorafgaandelijk en tijdens de uitvoering van werken in onroerende staat  te controleren of deze al dan niet sociale schulden heeft. Dit kan door de professionele bouwheer/aannemer worden gecontroleerd aan de hand van de website www.checkinhoudingsplicht.be.

De procedure is simpel:

  • Invullen van het ondernemingsnummer van de aannemer/onderaannemer;
  • Daarna wordt weergegeven of er al dan niet sociale schulden aanwezig zijn en een verplichting tot inhouding aanwezig is.

De aanwezigheid van sociale schulden brengt verplichtingen voor de bouwheer/aannemer met zich mee.

Namelijk moet bij betaling van de facturen van de aannemer rekening gehouden worden met de inhoudingsplicht, waardoor het volledige factuurbedrag of 35% van het factuurbedrag rechtstreeks aan de RSZ dient doorgestort te worden. Een uitgevoerde inhouding staat gelijk met een bevrijdende betaling aan de aannemer/onderaannemer.

Sancties die werden toegepast door de RSZ

Wanneer deze inhoudingen niet (correct) worden uitgevoerd, is de bouwheer/aannemer hoofdelijk aansprakelijk voor de sociale schulden van de aannemer/onderaannemer. Weliswaar wordt deze aansprakelijkheid beperkt tot de totale prijs van de werken exclusief BTW (art. 30bis§3 RSZ-wet).

Bovenop de totale som van de werken, vorderde de RSZ ook de betaling van het bedrag van de niet gedane inhouding (art. 30bis§4 RSZ-wet) en een bijslag (administratieve boete) gelijk aan het te betalen of in te houden bedrag (art 30bis§5 RSZ-wet).

Anders gezegd vorderde de RSZ bij het niet-naleven van de inhoudingsplicht een maximumsom gelijk aan:

  1. 100% van het factuurbedrag (art. 30bis§3 RSZ-wet).
  2. De niet gedane inhouding van 35% van het factuurbedrag excl. BTW (art. 30bis§4 RSZ-wet).
  3. Bijslag gelijk aan het in te houden bedrag (art 30bis§5 RSZ-wet).
Cassatie wijzigt de toepassing van de RSZ-wet tweemaal.

De RSZ heeft jarenlang deze drievoudige sanctie opgelegd aan ondernemingen die de inhoudingsplicht niet (correct) hadden toegepast. Recentelijk, in twee arresten, wordt de interpretatie van RSZ door het Hof van Cassatie tenietgedaan.

Hieruit blijkt dat de RSZ verschillende sommen heeft ontvangen waar zij geen recht op had:

Arrest dd. 11/09/2017

Het Hof van Cassatie oordeelt dat de inhoudingen en stortingen als voorschotten beschouwd dienen te worden op de bedragen die de bouwheer/aannemer verschuldigd is, ingevolge de hoofdelijke aansprakelijkheid wegens het niet naleven van de inhoudingsplicht.

Door deze interpretatie kan de RSZ bij niet (correcte) toepassing van de inhoudingsplicht geen betaling van de niet-ingehouden som, overeenkomstig artikel 30bis§4 RSZ-wet, meer vorderen bovenop het bedrag van de hoofdelijke aansprakelijkheid (art. 30bis§3 RSZ-wet) en de administratieve bijslag (art 30bis§5 RSZ-wet).

De vordering kan van de RSZ  kan aldus nog bestaan uit:

  1. 100% van het factuurbedrag (art. 30bis§3 RSZ-wet)
  2. Bijslag gelijk aan het in te houden bedrag (art 30bis§5 RSZ-wet).

Arrest dd. 18/03/2018

In dit arrest wordt geoordeeld dat een wettelijke schuldvergelijking, waarbij wederzijdse schulden tussen opdrachtgever en aannemer (uit welke oorzaak deze ook zijn ontstaan) worden gecompenseerd, niet gelijk kan worden gesteld met een betaling in de zin van de RSZ-wet.

Derhalve kan de RSZ de bouwheer/aannemer niet hoofdelijk aansprakelijk stellen wanneer deze geen inhoudingen heeft verricht omdat de openstaande facturen tussen partijen het voorwerp waren van een schuldvergelijking. Er is dan namelijk geen sprake van een inbreuk op de inhoudingsplicht.

Lees hier het originele artikel

2018-10-17T13:06:35+00:00 19 oktober 2018|Categories: Arbeidsrecht - Bouwrecht|Tags: , , , |