>>>Hervorming insolventierecht en vrije beroepen : KB van 26 april 2018 legt de regels vast (LegalNews.be)

Hervorming insolventierecht en vrije beroepen : KB van 26 april 2018 legt de regels vast (LegalNews.be)

Auteur: LegalNews.be

Publicatiedatum: 19/05/2018

LegalNews.be overloopt de diverse artikelen van dit KB, in werking getreden op 1 mei 2018.

Het toepassingsgebied (art. 2)

In art. 2 wordt, wat logisch is, bepaald dat alle bepalingen uit boek XX Wetboek van economisch recht die betrekking hebben op de beoefenaars van een vrij beroep zowel van toepassing zijn op natuurlijke personen als op de rechtspersonen waarbinnen de beroepsbeoefenaars van een vrij beroep hun activiteiten als onderneming uitoefenen (in de laatste hypothese kunnen vennotenbeoefenaars van een vrij beroep zowel natuurlijke personen als rechtspersonen zijn).

Het toepassingsgebied blijft wel beperkt tot die rechtspersonen die een vrije beroepsactiviteit als statutair doel hebben: het is uiteraard nooit de bedoeling om elke rechtspersoon met één of meer vrij beroepsbeoefenaars-vennoten onder het toepassingsgebied van dit uitvoeringsbesluit te laten vallen.

Wat betreft natuurlijke personen, zal de bescherming enkel gelden wanneer de vrije beroepsactiviteit uitgeoefend wordt op zelfstandige basis. Wanneer de beroepsactiviteit uitgeoefend wordt in ondergeschikt verband als werknemer, kan deze persoon niet als een onderneming worden beschouwd en zal deze persoon bijgevolg niet onderworpen zijn aan boek XX van hetzelfde Wetboek.

Kennisgeving aan en adviezen van de Ordes en Instituten (artt. 3 t.e.m. 7)

Het is mogelijk dat een beoefenaar van een vrij beroep onderworpen is aan het toezicht van meerdere Ordes of Instituten, omdat hij bepaalde beroepsactiviteiten combineert en bijgevolg meerdere inschrijvingen verrichtte. Er kan ook sprake zijn van multidisciplinaire samenwerkingsverbanden tussen meerdere beoefenaars van een vrij beroep die elk verschillende activiteiten uitoefenen. In art. 3 wordt bepaald dat in dergelijke gevallen alle bevoegde Ordes en Instituten afzonderlijk en gelijktijdig moeten worden geïnformeerd.

In art. 4 wordt per beroepsgroep geconcretiseerd aan welk bevoegd orgaan binnen de Orde of het Instituut deze kennisgevingen moeten worden gericht. Op deze wijze kan de rechtbank eenvoudig bepalen aan welk orgaan de kennisgeving moet worden gericht.

Art. 5 voorziet in de mogelijkheid voor de rechtbank om verzoeken tot advies te richten aan de bevoegde Orde of het bevoegde Instituut. Op deze wijze kan de rechtbank bijkomende informatie inwinnen om voldoende rekening te kunnen houden met de eigenheid van een bepaalde vrije beroepsactiviteit.

Art. 6 bepaalt dat de verzoeken tot advies en de kennisgevingen gericht aan de Ordes of Instituten, gebeuren via het Centraal Register Solvabiliteit. Dat register speelt immers een sleutelrol bij de opvolging en afhandeling van insolventieprocedures: alle informatie omtrent een insolventiedossier wordt in het register op digitale wijze verwerkt en toegankelijk gemaakt. Het register zal tevens worden aangewend om de informatie-uitwisseling tussen de rechtbank en de bevoegde Orde of het bevoegde Instituut te stroomlijnen.

Art. 7 voorziet dat de rechtbank bij de Orde of het Instituut inlichtingen kan inwinnen over het feit of de schuldenaar kan worden beschouwd als beoefenaar van een vrij beroep. Het is immers belangrijk dat de rechtbank, vooraleer te beslissen over de opening van een insolventieprocedure, kan nagaan of de insolvente schuldenaar in kwestie wel degelijk beschouwd kan of mag worden als beoefenaar van een vrij beroep. Het valt niet uit te sluiten dat een persoon met financiële problemen niet langer actief kan of mag zijn als beroepsbeoefenaar, maar zich wel nog zo voordoet.

De mede-insolventiefunctionaris (artt. 8 t.e.m. 15)

Art. 8 bepaalt dat wanneer er een insolventieprocedure wordt geopend in hoofde van een schuldenaar die een vrij beroep uitoefent er in bepaalde gevallen de bijkomende aanstelling van een insolventiefunctionaris voorzien wordt die dezelfde beroepsactiviteit uitoefent als de schuldenaar.

Art. 9 voorziet dat de Ordes en Instituten zelf bepalen hoe de lijst (het artikel somt wel op welke informatie die lijst moet bevatten) van mede-insolventiefunctionarissen wordt opgesteld. Deze lijst wordt neergelegd in het register, waar alle rechtbanken toegang hebben tot bovenvermelde informatie, neerlegging gebeurt jaarlijks ten laatste tegen 31 december.

Art. 10 verduidelijkt dat de opdracht van de mede-insolventiefunctionaris zal variëren naargelang de insolventieprocedure waarin hij wordt aangesteld. Het staat de rechtbank vrij om, waar dit nuttig wordt geacht, in het vonnis waarbij de mede-insolventiefunctionaris wordt aangesteld, een specifieke taakomschrijving op te nemen. Niettegenstaande hun gezamenlijke opdracht waarbij er sprake is van een volledige wisselwerking tussen de curator en de medecurator, spreekt het voor zich dat de curator het best geplaatst is om alle handelingen te stellen en procedures te voeren die gepaard gaan met de concrete afwikkeling van een faillissementsprocedure. Hij doet dit wel in samenspraak met, en gesteund door de medecurator. Deze laatste verleent advies en bijstand bij de concrete afhandeling van de faillissementsprocedure. De medecurator zal in het bijzonder advies verstrekken over de vraag of een voortzetting van de ondernemingsactiviteit aangewezen is en welke formaliteiten moeten worden vervuld om de lopende zaken op een passende wijze op te volgen en desgevallend af te ronden.

Art. 11 bepaalt dat de medecurator het meest passende gevolg voor de briefwisseling zal bepalen. Hoewel boek XX van het Wetboek van economisch recht hier niet uitdrukkelijk in voorziet, is het aangewezen om deze regels ook toe te passen op elektronische brievenpost (op heden veel meer voorkomend dan de papieren brievenpost).

Art. 12 regelt de derdenrekeningen. Ter bescherming van die derdenrekeningen en om te garanderen dat de gelden worden teruggegeven aan de rechthebbenden, wordt de mede-insolventiefunctionaris belast met het beheer van deze rekeningen.

Art .13 voorziet dat de mede-insolventiefunctionaris de nodige maatregelen moet treffen opdat de vereiste informatie en documenten correct worden bewaard. Deze opdracht impliceert niet dat de mede-insolventiefunctionaris persoonlijk moet instaan voor de bewaring van de documenten.

Art. 14 voorziet dat wat notarissen betreft, elke betaling gedaan door of voor rekening van de overnemer van het notariskantoor en die betrekking heeft op de vergoeding bedoeld in artikel 55, § 3, c), van de wet op het notarisambt, gedaan in handen van de curator in geval van faillissement, en in handen van de gerechtsmandataris in geval van gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag, die bij de uitvoering van zijn opdracht de wettelijke bepalingen met betrekking tot de overdracht van minuten en andere bestanddelen die verband houden met de organisatie van het notariskantoor, zoals bepaald in artikelen 54 en 55 van de wet op het notarisambt, respecteert. Iedere vrijgave, geheel of gedeeltelijk, kan enkel na een geschreven toestemming van zowel de curator als de medecurator in geval van faillissement, en van de gerechtsmandataris en de mede-insolventiefunctionaris in geval van gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag.

Art. 15 regelt de vergoeding.

Het KB van 26 april 2018 leest u hier

2018-05-18T11:08:27+00:00 19 mei 2018|Categories: Insolventierecht - Ondernemingsrecht|Tags: |