>>>Het Grondwettelijk Hof bevestigt de toepassing van de (korte) driejarige verjaringstermijn uit het verzekeringsrecht voor vorderingen tot nietigverklaring van tak 23-levensverzekeringen (Lydian)

Het Grondwettelijk Hof bevestigt de toepassing van de (korte) driejarige verjaringstermijn uit het verzekeringsrecht voor vorderingen tot nietigverklaring van tak 23-levensverzekeringen (Lydian)

Auteurs: Jo Willems en Helena Hendrickx (Lydian)

Publicatiedatum: 10/11/2020

In haar arrest van 22 oktober 2020 heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat de toepassing van de driejarige verjaringstermijn (die specifiek geldt voor vorderingen voortvloeiend uit verzekeringsovereenkomsten) op de vordering tot nietigverklaring van een tak 23 levensverzekering, geen schending uitmaakt van het gelijkheidsbeginsel (artikel 10 en 11 van de Grondwet).

De prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof werd gesteld door de Franstalige Ondernemingsrechtbank te Brussel.

Volgens de verzoekende partij zou de toepassing van de korte driejarige verjaringstermijn op vorderingen tot nietigverklaring van tak 23-levensverzekeringen, een discriminatie uitmaken ten opzichte van particulieren die hebben belegd in financiële instrumenten en spaarproducten, die ook verbonden zijn aan beleggingsfondsen, maar die onderworpen zijn aan de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van 5 of 10 jaar.

Op basis van het gemeen recht verjaart een rechtsvordering tot nietigverklaring immers na verloop van 10 jaar (tenzij de termijn door een bijzondere wet zou zijn ingekort) (artikel 1304 Burgerlijk Wetboek) en een rechtsvordering op basis van precontractuele aansprakelijkheid na verloop van 5 jaar (artikel 2262bis, §1 Burgerlijk Wetboek).

Op basis van artikel 88 van de Wet betreffende Verzekeringen verjaart elke rechtsvordering voortvloeiend uit een verzekeringsovereenkomst reeds na verloop van drie jaar vanaf het voorval dat het vorderingsrecht doet ontstaat of vanaf de dag waarop de benadeelde van dat voorval kennis heeft gekregen, en in ieder geval zonder dat een periode van vijf jaar mag worden overschreden, behalve in het geval van bedrog.

Aangezien de verzekeringnemer in het kader van de vordering tot nietigverklaring vaak beweert niet voldoende te zijn ingelicht omtrent de aard en risico’s van een tak 23-levensverzekering bij het sluiten van de overeenkomst, dateert het “voorval dat het vorderingsrecht doet ontstaan” in bepaalde gevallen van vroeger dan drie jaar voor het opstarten van een procedure met als gevolg dat de vordering aldus verjaard is wanneer deze voor een rechtbank wordt ingesteld tegen de verzekeraar.

In haar arrest overweegt het Grondwettelijk Hof dat een verzekeringnemer van een tak 23-levensverzekeringsovereenkomst enerzijds en een belegger in een financieel product anderzijds, zich in twee objectief verschillende omstandigheden bevinden. Hoewel een tak 23-levensverzekeringsovereenkomst op economisch vlak gelijkenissen vertoont met de overeenkomst waarbij een particulier belegt in een financieel product, neemt dit niet weg dat een tak 23 levensverzekeringsovereenkomst de voornaamste kenmerken van een verzekeringsovereenkomst heeft (aanduiding van begunstigde, aleatoir karakter,…).

De invoering van de korte verjaringstermijn voor rechtsvorderingen voortvloeiend uit verzekeringsovereenkomsten is bovendien ontstaan met een redelijke verantwoording om het risico van verlies van de bewijzen in geval van een schadegeval te voorkomen en mede gelet om een goede werking van de verzekeringsmaatschappijen te waarborgen. Het Hof oordeelt daarbij eveneens uitdrukkelijk dat de driejarige verjaringstermijn geen onevenredige beperking van de rechten van de betrokken personen met zich meebrengt.

Het Hof beslecht hiermee een belangrijke en reeds vaak gevoerde discussie in het kader van geschillen met betrekking tot tak 23-levensverzekeringsovereenkomsten die gekenmerkt wordt door het gebrek aan een kapitaalsgarantie en daarbij verbonden is aan een onderliggend risicovol beleggingsproduct. De verzekeringnemer stelt  een vordering in tot nietigverklaring wegens dwaling of bedrog, of op basis van schending van precontractuele informatieverplichtingen waarbij de verzekeringnemer niet voldoende zou zijn ingelicht omtrent de aard en risico’s van de verzekeringsovereenkomst. Een belangrijk tegenargument van de verzekeraar in dergelijke zaken is dat de vordering van de verzekeringnemer reeds verjaard is.

Dit arrest van het Grondwettelijk Hof bevestigt de (correcte) toepassing van rechtbanken en hoven met betrekking tot de korte verjaringstermijn van drie jaar voor wat betreft vorderingen tot nietigverklaring van een tak 23-levensverzekeringsovereenkomst.

Lees hier het originele artikel

2020-11-13T11:46:09+00:00 19 november 2020|Categories: Verzekeringsrecht|Tags: , , , |