>>>Nietigheden in het verbintenissenrecht: wat wordt er voorgesteld in het wetsvoorstel van 24 februari 2021? (LegalNews)

Nietigheden in het verbintenissenrecht: wat wordt er voorgesteld in het wetsvoorstel van 24 februari 2021? (LegalNews)

Auteur: LegalNews

Publicatiedatum: 28/03/2021

Op 24 februari 2021 werd opnieuw een wetsvoorstel tot invoeging van boek 5 “Verbintenissen” in het nieuw Burgerlijk Wetboek bij de Kamer van volksvertegenwoordigers neergelegd.

Het wetsvoorstel werd ingediend door de heren Koen Geens en Khalil Aouasti, de dames Nathalie Gilson, Claire Hugon en Katja Gabriëls en de heren Ben Segers en Stefaan Van Hecke.

LegalNews selecteerde de artikelen inzake de ‘nietigheden’, die opgenomen zijn in het op 24 februari 2021 ingediende Wetsvoorstel tot invoeging van boek 5 “Verbintenissen” in het nieuw Burgerlijk Wetboek:

1. Artikel 5.57. – Nietigheidsgronden

Definitie:

Een contract dat niet voldoet aan de geldigheidsvereisten is nietig.

Het contract blijft evenwel geldig in de gevallen die door de wet zijn bepaald of wanneer uit de omstandigheden blijkt dat de nietigheidssanctie kennelijk ongeschikt zou zijn, gelet op het doel van de geschonden regel.

Memorie van Toelichting (eigen selectie):

Er bestaat geen gelijkwaardige bepaling in het huidig Burgerlijk Wetboek.

Het eerste lid brengt in herinnering dat nietigheid de gebruikelijke sanctie is voor een geldigheidsgebrek, d.w.z. een schending van de wet die bij de totstandkoming van het contract toepassing vindt. Dit uitgangspunt moet worden samengelezen met artikel 5.63 zodat de nietigheid niet altijd het volledige contract moet treffen, maar soms slechts bepaalde verbintenissen of bepaalde bedingen van dat contract. Overigens wordt de term “nietigheid” in het voorstel op generieke wijze gebruikt, daaronder begrepen de sanctie die met de term “vernietiging” wordt aangeduid in sommige bepalingen van het huidige Wetboek (te weten artt. 887, 891, 892, 1117, 1234, 1304, 1305, 1338, 1674, 1681, 1682, 1683, 1685 en 1706).

In het positief recht bestaat er immers geen substantieel verschil meer tussen nietigheid en vernietiging. Dit historische onderscheid heeft tegenwoordig dus zijn betekenis verloren.

Het tweede lid van het artikel biedt echter de mogelijkheid om de nietigheidssanctie terzijde te schuiven wanneer dit niet de meest geschikte sanctie zou zijn.

Tegenwoordig wordt immers breed gedragen dat de nietigheid, zoals elke sanctie, in verhouding moet zijn met het beoogde doel, d.i. de naleving van de geschonden norm verzekeren.

De wetgever kan dus beslissen om de nietigheid uitdrukkelijk te vervangen door een andere, meer geschikte sanctie, zoals de niet-tegenwerpelijkheid in geval van een pauliaanse vordering, de schadevergoeding in geval van incidenteel bedrog, de matiging van de verbintenis in geval van een kennelijk onredelijk schadebeding, enz. Overigens moet nietigheid, zelfs bij gebrek aan een uitdrukkelijke bepaling in die zin, worden verworpen wanneer de toepassing van een dergelijke sanctie kennelijk indruist tegen het doel van de geschonden norm. Met de term “kennelijk” wordt het uitzonderlijke karakter van deze situatie onderstreept. De bepaling biedt in dat opzicht dan ook de mogelijkheid om in specifieke gevallen de nietigheidssanctie terzijde te schuiven in het voordeel van een andere, meer passende sanctie, en in sommige gevallen zelfs de toepassing van elke sanctie tegen te gaan. Daarmee geeft de bepaling gevolg aan de oproep van bepaalde stemmen in de rechtsleer en de rechtspraak die de stelselmatige toepassing van de nietigheid betreuren in aangelegenheden die weliswaar verband houden met de openbare orde, maar waar het opleggen van een dergelijke sanctie drastische gevolgen zou hebben die ingaan tegen de bedoeling van de wetgever. Denk bijvoorbeeld aan de schending van bepaalde gewestelijke normen inzake huur, regulariseerbare stedenbouwkundige inbreuken, de vormvereisten inzake contracten tot reisorganisatie en reisbemiddeling of de vormvoorwaarden waarin de antiwitwaswetgeving voorziet.

Het werd niet nuttig geacht om in het voorstel een specifieke bepaling te wijden aan de regularisatie van nietige handelingen, die de wet slechts in bepaalde specifieke gevallen toestaat (zie art. 1681 BW en art. 176 W. Venn.).
Niettemin kan de inachtname van het doel en de strekking van de geschonden norm in voorkomend geval de rechter toelaten af te zien van de nietigheidssanctie als blijkt dat de schending van de norm, sinds de totstandkoming van het contract, geregulariseerd is en dat de geschonden norm in dat geval niet langer de toepassing van de nietigheid vereist.

2. Artikel 5.58. – Indeling van de nietigheden

Definitie:

De nietigheid is absoluut wanneer de geschonden regel van openbare orde is en dus in hoofdzaak de bescherming van het algemeen belang beoogt. Iedere belanghebbende kan zich erop beroepen.

De nietigheid is relatief wanneer de geschonden regel van dwingend recht is en dus in hoofdzaak de bescherming van een particulier belang beoogt. Enkel de beschermde persoon kan zich erop beroepen.

Memorie van Toelichting (eigen selectie):

Er bestaat geen gelijkaardig artikel in het huidig Burgerlijk Wetboek.

De bepaling codificeert, naar geldend recht, het onderscheid tussen absolute en relatieve nietigheden. De verwijzing naar “de beschermde persoon” in het enkelvoud belet niet dat een wetsbepaling de bescherming van meerdere personen beoogt of dat de nietigheid kan worden ingeroepen door een derde die krachtens de wet bevoegd is om de belangen van de beschermde persoon te verdedigen (zie met name art. 493, § 3, lid 1, eerste zin, en art. 499/13, lid 2, BW).

De term “in hoofdzaak” is gebruikt om te onderstrepen dat een norm van openbare orde onrechtstreeks de bescherming van particulieren kan beogen en, omgekeerd, dat de wetgever door de zwakke partijen te beschermen, onrechtstreeks een economisch beleid van algemeen belang kan nastreven.

De verwijzing naar de goede zeden is verlaten. Het werd niet nuttig geacht om hier de bevoegdheden van de rechter inzake de nietigheid (zo het ambtshalve opwerpen ervan) te codificeren aangezien dat vraagstuk thuishoort in het gemene gerechtelijk recht.

Krachtens het beginsel jura novit curia, is de rechter inderdaad ertoe gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de rechtsregel die daarop van toepassing is. Hij heeft dus de plicht om, met inachtneming van de rechten van verdediging, ambtshalve de rechtsmiddelen op te werpen waarvan de toepassing geboden is door de feiten die de partijen in het bijzonder hebben aangevoerd ter ondersteuning van hun eisen. Wanneer de partijen de feiten niet in het bijzonder hebben aangevoerd, is de toepassing van de rechtsregel die op die feiten gestoeld is, voor de rechter niets meer dan een mogelijkheid.

Vanuit die invalshoek is de tegenstelling tussen absolute nietigheid en relatieve nietigheid afgezwakt.

Voortaan mogen en moeten – onder voornoemde voorwaarden – de twee vormen van nietigheid inderdaad ambtshalve door de rechter worden opgeworpen, tenzij het contract op geldige wijze is bevestigd. In antwoord op de opmerkingen van de Raad van State behoudt men de precisering volgens dewelke de regel van openbare orde hoofdzakelijk strekt tot bescherming van het algemeen belang en, omgekeerd, de regel van louter dwingend recht hoofdzakelijk strekt tot bescherming van een particulier belang. Zij geeft immers een waardevolle indicatie van het onderscheidingscriterium dat moet worden toegepast. Er wordt overigens verduidelijkt dat besloten is om het principe te behouden volgens hetwelk de relatieve nietigheid voortvloeit uit de schending van een regel van louter dwingend recht. Wat dit betreft vormen de regels in verband met de afwezigheid van toestemming (artikel 5.31), de bepaalbaarheid van het voorwerp (artikel 5.49) en het vereiste van een oorzaak (artikel 5.54) regels die strekken tot bescherming van een particulier belang, waardoor het regels zijn waarvan de schending leidt tot een relatieve nietigheid, niettegenstaande dat die op bepaalde vlakken aan een bijzonder regime kan zijn onderworpen. Aldus volstaat een bevestiging van het contract in het geval van een onbepaalbaar voorwerp niet om de schuldeiser de mogelijkheid te bieden om de nakoming door de schuldenaar na te streven. Die bijzonderheid is het gevolg aan het begrip zelf van de verbintenis (artikel 5.1), dat veronderstelt dat er een prestatie bestaat waarvan kan worden geëist dat de schuldenaar haar nakomt.

3.Artikel 5.59. – In werking stelling van de nietigheid

Definitie:

Tot aan de nietigverklaring ervan brengt het contract aangetast door een nietigheidsgrond dezelfde gevolgen teweeg als een geldig contract.

De nietigverklaring vloeit voort uit een rechterlijke beslissing die het bestaan van de nietigheidsgrond erkent of uit een akkoord van de partijen. Dit akkoord is nietig indien de vermelde nietigheidsgrond niet bestaat.

Tenzij het contract bij authentieke akte is vastgesteld, vloeit de nietigheid ook voort uit een schriftelijke kennisgeving die elke persoon die bevoegd is om de nietigheid in te roepen op eigen risico kan richten aan de contractspartijen. Die kennisgeving is onwerkzaam indien de vermelde nietigheidsgrond niet bestaat.

Memorie van Toelichting (eigen selectie):

Het bestaande artikel is artikel 1117 van het Burgerlijk Wetboek.

Het eerste lid verankert het in het Belgische recht goed ingeburgerde beginsel op grond waarvan nietigheid nooit van rechtswege intreedt. In deze zin is een contract dat aangetast is door een nietigheidsgrond niet van rechtswege nietig, maar eerder vernietigbaar.

Het voorstel behoudt evenwel de traditionele terminologie van de “nietigheid”, eerder dan te spreken van “vernietigbaarheid”.

Het tweede lid verankert de mogelijkheid van een minnelijke of gerechtelijke nietigverklaring van het contract. Een minnelijke nietigverklaring veronderstelt dat de nietigheidsgrond daadwerkelijk bestaat. Bij gebrek daaraan is het akkoord nietig voor zover het een minnelijke nietigverklaring vormt, maar kan het worden geherkwalificeerd als een opzegging door wederzijdse toestemming van de partijen (zie art. 5.70). De wet kan zich overigens verzetten tegen een minnelijke nietigverklaring of haar onderwerpen aan voorwaarden (zie bijvoorbeeld artikel 14 van de Pachtwet). De gerechtelijke nietigverklaring is de gewone wijze van nietigverklaring van contracten. Net als in artikel 3:51, eerste lid, NBW, is in de bepaling nader bepaald dat het contract nietig is verklaard zodra een gerechtelijke uitspraak het bestaan van de nietigheidsgrond erkent. Het is dus van weinig belang of de nietigheid het gevolg is van een gerechtelijke uitspraak op verzoek van een partij, ambtshalve is opgeworpen door de rechter of als exceptie tegen een vordering in rechte door hem is aanvaard, aangezien al die hypotheses gelden als nietigverklaring van het contract (in die zin: R. JAFFERALI, La rétroactivité dans le contrat, Brussel, Bruylant, 2014, nr. 250, blz. 534 e.v.).

Het derde lid voert een nieuwigheid in die in rechtsvergelijkend perspectief al breed gedragen was en waarvoor in een deel van de rechtsleer al werd. Wanneer het contract door een nietigheidsgrond aangetast is, lijkt het inderdaad onredelijk om de partij die bevoegd is om zich daarop te beroepen, ertoe te verplichten de afloop van een gerechtelijke procedure af te wachten vooraleer ze zich van het contract kan bevrijden. Het huidige systeem lijkt overigens niet meer te sporen met de praktijk aangezien een partij die overtuigd is van de nietigheid van het contract, over het algemeen de uitvoering ervan stopzet. Daardoor miskent ze de bindende kracht van het contract die immers tot zijn nietigverklaring behouden blijft. Die miskenning blijft echter sterk theoretisch want de partij kan een exceptie van nietigheid opwerpen tegen elke tegen haar ingestelde vordering tot uitvoering; welnu, de in dat kader uitgesproken nietigheid heeft tot gevolg dat het foutieve karakter van de niet-nakoming met terugwerkende kracht wordt uitgewist. Ten slotte is het paradoxaal om de buitengerechtelijke ontbinding te erkennen (zie art. 5.93) en tegelijk de mogelijkheid van een buitengerechtelijke nietigverklaring te weigeren, terwijl de nietigheidsgronden het bestaan van het contract radicaler treffen dan een niet-nakoming begaan tijdens zijn levensloop. In die omstandigheden verdient het de voorkeur om de titularis van de nietigheid de mogelijkheid te bieden om die langs buitengerechtelijke weg in werking te stellen door middel van een kennisgeving aan de andere contractspartijen. Overeenkomstig artikel 5.63 zijn de gevolgen van de nietigverklaring door middel van een kennisgeving beperkt tot de verbintenissen of tot de bedingen aangetast door nietigheid indien zij deelbaar zijn van de rest van het contract. Zo impliceert het feit dat de kennisgeving aan alle andere partijen bij het contract wordt gedaan, niet noodzakelijk dat het contract ten aanzien van al die partijen nietig zal worden verklaard. De kennisgeving moet schriftelijk gebeuren. Bijgevolg kan ze met name via een deurwaardersexploot gedaan worden, waardoor de overschrijving ervan kan worden verzekerd overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van de hypotheekwet.

De nietigverklaring door middel van een kennisgeving geschiedt echter op risico van de partij die ze uitbrengt in die zin dat ze altijd in rechte kan worden betwist en dat de rechter die vaststelt dat het contract op ongegronde wijze nietig is verklaard, kan vaststellen dat de kennisgeving onwerkzaam is en dat het contract op grond daarvan nooit een einde heeft genomen. In dat geval en indien de persoon die de kennisgeving heeft afgelegd in de tussentijd bovendien de uitvoering van het contract heeft gestaakt, kan die niet-nakoming in voorkomend geval de ontbinding van het contract te zijnen laste verantwoorden. Als de kennisgeving door de bestemmeling wordt betwist, kan de persoon die de kennisgeving heeft afgelegd de zaak ook aanhangig maken bij de rechter om de nietigverklaring van het contract te laten bevestigen. Zelfs wanneer de nietigverklaring niet wordt betwist, kan de rechter altijd worden gevat door elke belanghebbende partij om elke betwisting inzake de gevolgen ervan (met name het lot van de restituties) te beslechten. Bij uitzondering is de nietigverklaring bij kennisgeving uitgesloten, wanneer het contract is vastgesteld door een authentieke akte (voor een vergelijkbare uitzondering, zie art. 3:50, lid 2 NBW), zoals een notariële akte of een homologatievonnis. Die oplossing is tegelijk gerechtvaardigd door de gedachte dat de persoon die het authentiek karakter aan het contract verleent (zoals een notaris of een rechter) gehouden is om voorafgaandelijk de geldigheid ervan te verifiëren en door de bekommernis om de uitvoerende kracht van de authentieke akte niet te schaden. Een minnelijke of gerechtelijke vernietiging blijven evenwel mogelijk. Omwille van de duidelijkheid is artikel 5.59, derde lid herzien, met de formulering die de Raad van State heeft voorgesteld als inspiratiebron.

De uitdrukking “beschouwt het contract als nietig” is niet overgenomen om te vermijden dat een controverse ontstaat die analoog is aan de controverse die de huidige rechtspraak van het Hof van Cassatie inzake de buitengerechtelijke ontbinding heeft veroorzaakt. Inderdaad, de persoon die overgaat tot de kennisgeving beperkt zich niet tot het beschouwen van het contract als nietig; de kennisgeving brengt daadwerkelijk de vernietiging van het contract teweeg, voor zover de ingeroepen nietigheidsgrond bestaat, waardoor elke vordering overbodig is als die vernietiging of haar gevolgen niet worden betwist. In antwoord op de opmerkingen van de Raad van State wordt verduidelijkt dat de term “onwerkzaamheid” een technische betekenis heeft en ontleend is aan moderne doctrine.

4. Artikel 5.60. – Verjaring van de nietigheid

Definitie:

De nietigheid door middel van vordering of kennisgeving verjaart na vijf jaar vanaf de dag volgend op deze waarop degene die zich erop beroept kennis heeft van de nietigheidsgrond, en in geval van een relatieve nietigheid, geldig afstand kan doen van het recht om zich erop te beroepen. Aldus moet, naargelang het geval, de onbekwaamheid, het wilsgebrek of de bestaansreden van de bescherming geboden door de geschonden regel van dwingend recht, opgehouden hebben te bestaan. Zij verjaart in ieder geval na twintig jaar vanaf de dag volgend op de dag waarop het contract gesloten is.

De exceptie van nietigheid verjaart niet.

Memorie van Toelichting (eigen selectie):

Thans verjaart de nietigheid in principe na tien jaar, overeenkomstig artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek voor de absolute nietigheden en artikel 1304 van het Burgerlijk Wetboek voor de relatieve nietigheden.

Die termijn lijkt overdreven gelet op de vereisten van de rechtszekerheid. Hij stemt bovendien niet overeen met de dubbele termijn van vijfentwintig jaar bepaald in artikel 2262bis, § 1, tweede en derde lid, van het Burgerlijk Wetboek inzake buitencontractuele aansprakelijkheid, wat tot het ongelukkige resultaat leidt dat het hoofdbedrog, enerzijds, en het verschuldigde herstel van schade in geval van hoofdbedrog (ter aanvulling van de nietigverklaring) of incidenteel bedrog, anderzijds, onderworpen zijn aan verschillende verjaringstermijnen.

Het eerste lid van de bepaling beoogt die moeilijkheden te verhelpen door de termijn voor de verjaring van de nietigheid in overeenstemming te brengen met de termijn voor de verjaring van de buitencontractuele aansprakelijkheid. Dat beginsel geldt zowel voor de absolute als voor de relatieve nietigheden. Door nader te bepalen dat de verjaring als vertrekpunt heeft de dag die volgt op de dag waarop de titularis van de nietigheid een daadwerkelijke kennis heeft van de nietigheidsgrond en in staat is om geldig afstand te doen van de bevoegdheid om haar in te roepen, is de bepaling niet meer dan een veralgemening van de hypothesen bedoeld in artikel 1304 van het Burgerlijk Wetboek. Zo zal de nietigheid op grond van een wilsgebrek, zoals voorheen, pas beginnen verjaren vanaf het tijdstip waarop het slachtoffer niet meer onderhevig is aan het gebrek en de nietigheid wegens onbekwaamheid zal pas verjaren wanneer de onbekwaamheid een einde neemt. In de andere gevallen, brengt die bepaling met zich dat de verjaring niet kan beginnen lopen zolang de titularis van het ter discussie staande recht geen gebruik heeft kunnen maken van de bescherming waarin de wetgever voorziet.

Niettemin zal met het oog op de rechtszekerheid de nietigheid middels vordering of kennisgeving uiterlijk twintig jaar na de dag die volgt op de dag waarop het contract totstandgekomen is, verjaren.

Het tweede lid verankert de regel Quae temporialia sunt ad agendum perpetua sunt ad excepiendum, die door de rechtspraak wordt erkend.
Bijgevolg is het zo dat als een partij de uitvoering eist op grond van het contract na het verstrijken van de termijn van de nietigheidsvordering, de verweerder evenals de rechter, zonder beperking in de tijd, de exceptie van de nietigheid in beginsel kunnen opwerpen om zich tegen de vordering te verweren.

5. Artikel 5.61. – Bevestiging

Definitie:

Het contract aangetast door een relatieve nietigheidsgrond kan uitdrukkelijk of stilzwijgend worden bevestigd door de beschermde persoon.

De bevestiging veronderstelt dat de beschermde persoon kennis heeft van de nietigheidsgrond en geldig afstand kan doen van het recht om zich erop te beroepen. Aldus moet, naargelang het geval, de onbekwaamheid, het wilsgebrek of de bestaansreden van de bescherming geboden door de geschonden regel van dwingend recht, opgehouden hebben te bestaan.

Zij leidt tot afstand van de mogelijkheid om de nietigheid in te roepen, onverminderd de rechten van derden die bevoegd zijn om zich op de nietigheid te beroepen.

Het contract aangetast door een absolute nietigheidsgrond kan niet worden bevestigd; het kan slechts opnieuw worden gesloten mits inachtneming van de wet.

Memorie van Toelichting (eigen selectie):

Dit artikel vervangt artikelen 1115, 1311, 1338 en 1339 van het Burgerlijk Wetboek.

Deze bepaling stemt in grote mate overeen met de stand van het positief recht zoals het voortvloeit uit de interpretatie van het artikel 1338 van het Burgerlijk Wetboek. Enkel de relatieve nietigheden, met uitsluiting dus van de absolute nietigheden, kunnen worden bevestigd. Een contract dat met een absolute nietigheidsgrond aangetast is, kan slechts opnieuw worden gesloten met inachtneming van de wet, voor zover dat mogelijk is (zie huidig artikel 1339 van het Burgerlijk Wetboek). De bepaling verduidelijkt de verwarring tussen inhoudelijke en vormvoorwaarden van de bevestiging, die door artikel 1338 in stand werd gehouden. Overeenkomstig het beginsel van consensualisme kan de bevestiging uitdrukkelijk of stilzwijgend zijn (zie art. 5.28, toepasselijk overeenkomstig artikel 5 126). Ze moet echter, zoals elke afstand, met kennis van zaken gebeuren (zie art. 5 253). Bovendien moet de steller bekwaam zijn om de nietigheid te vorderen, wat betekent dat hij de juridische bekwaamheid heeft, dat hij niet meer onderhevig is aan een wilsgebrek en dat hij gebruik heeft kunnen maken van de bescherming waarin de wet voorziet (zie in dat opzicht de toelichting bij artikel 5.60 inzake de verjaring van de nietigheid). De bevestiging brengt afstand voor de toekomst teweeg van het recht om de nietigheidsgrond in te roepen. Ze geldt onverminderd het recht van derden, in die zin dat als er andere personen zijn die beschermd worden door de geschonden norm, zij nog steeds de nietigheid kunnen vorderen of ze kunnen bevestigen. In antwoord op de opmerkingen van de Raad van State wordt verduidelijkt dat het vierde lid in fine behouden blijft om pedagogische redenen.

6. Artikel 5.62. – Gevolgen van de nietigverklaring

Definitie:

De nietigverklaring ontneemt het contract zijn gevolgen vanaf de dag waarop het is gesloten.

De prestaties geleverd op grond van dit contract geven aanleiding tot restitutie onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 5.115 tot 5.124.

Memorie van Toelichting (eigen selectie):

Het eerste lid verankert de terugwerkende kracht van de nietigheid naar geldend recht. Het contract krijgt dus geen uitwerking meer en gaat teniet vanaf de datum van zijn totstandkoming, eerder dan vanaf de datum van zijn nietigverklaring. In beginsel worden zowel de persoonlijke als de zakenrechtelijke gevolgen van het contract beoogd.

Aldus ontberen, op verbintenisrechtelijk vlak, de rechten en plichten uit het contract ab initio elke uitwerking en kunnen de partijen hun nakoming niet meer in rechte vorderen.

Op zakenrechtelijk vlak ontneemt de nietigheid de gevolgen van de overdracht, de vestiging, de wijziging of het tenietgaan van de zakelijke rechten waarin het contract voorziet, en dit erga omnes. In geval van de nietigverklaring van een verkoop, bijvoorbeeld, wanneer de koper in de tussentijd over het voorwerp heeft beschikt ten voordele van een onderverkrijger, zal deze laatste eveneens zijn recht op het voorwerp verliezen (Nemo plus juris ad alium transferre potest quam ipse habet), onverminderd de mechanismen voor de derdenbescherming (zoals artikel 2279 van het Burgerlijk Wetboek).

De terugwerkende kracht van de nietigheid vormt dus het uitgangspunt waarvan de wet echter kan afwijken (zie bijvoorbeeld artikel 1038 van het Burgerlijk Wetboek, op grond waarvan de vervreemding van het door testament gelegateerde voorwerp de herroeping van het legaat teweegbrengt, zelfs indien die vervreemding nietig is).

Het tweede lid onderwerpt de restituties naar aanleiding van de nietigheid aan het gemeenrechtelijk regime van de restituties, zoals uitgewerkt in de artikelen 5 115 tot 5 124, onder voorbehoud van de afwijkingen waarin aldaar is voorzien. Het regime inzake restituties betreft “alle prestaties geleverd op grond van het contract”. Die ruime omschrijving beoogt ook geleverde prestaties te omvatten die niet de uitvoering van een contractuele verbintenis vormen (bijvoorbeeld de overhandiging van het voorwerp die noodzakelijk was voor de totstandkoming van een zakelijk contract).

7. Artikel 5.63. – Gedeeltelijke nietigheid

Definitie:

Wanneer de nietigheidsgrond slechts een gedeelte van het contract betreft, beperkt de nietigverklaring zich tot dat gedeelte, voor zover het contract deelbaar is, rekening houdend met de bedoeling van de partijen evenals met het doel van de geschonden regel.

Eenmaal nietig verklaard, laat het door de wet voor niet-geschreven gehouden beding de rest van het contract voortbestaan.

Memorie van Toelichting (eigen selectie):

Er bestaat geen gelijkaardig artikel in het huidig Burgerlijk Wetboek.
Deze bepaling verankert de theorie van de gedeeltelijke nietigheid. De nietigverklaring kan aldus beperkt blijven tot bepaalde bedingen van het contract (materiële deelbaarheid) en zelfs tot bepaalde delen van een beding (theorie van de matiging) overeenkomstig artikel 17.

In een meerpartijencontract kan ze ook beperkt blijven tot de rechtsverhoudingen tussen bepaalde partijen (personele deelbaarheid). Het relevante criterium is dat van de deelbaarheid van het contract volgens de bedoeling van de partijen. Die bedoeling kan echter niet ingaan tegen het doel en de strekking van de geschonden norm. Dat betekent dat zelfs wanneer de partijen in hun contract een ondeelbaarheidsbeding hebben opgenomen, de opname van een onrechtmatig beding in een contract met een consument slechts de nietigverklaring van dat beding meebrengt en de rest van het contract laat voortbestaan (art. VI.84, § 1, lid 2, WER).

Overeenkomstig de vermoede wil van de partijen en aard van die bedingen, zijn de rechtskeuzebedingen en de bedingen inzake geschillenbeslechting (forumkeuzebeding, beding van arbitrage, beding van verzoening of van bemiddeling, enz.) overigens in beginsel deelbaar van de rest van het contract en overleven ze de nietigverklaring ervan (zie art. 5 114). Wanneer de wetgever een beding voor niet geschreven houdt, wil hij in beginsel de deelbaarheid van dat beding huldigen. Het werd niet wenselijk geacht om een autonoom regime te verankeren voor het “voor niet-geschreven gehouden” beding, dat van rechtswege nietig zou zijn; rekening houdend met de mogelijkheden inzake buitengerechtelijke nietigverklaring waarin het voorstel voorziet, lijkt een dergelijk regime overbodig. Het door de wet voor niet geschreven gehouden beding is onderworpen aan het gemeenrechtelijk regime van nietigheden, met als enig voorbehoud de deelbaarheid ervan. Het krijgt dus uitwerking tot aan de nietigverklaring, die echter met terugwerkende kracht intreedt. Het leek evenmin nodig om een bepaling te wijden aan de conversie van nietige handelingen, aangezien die al mogelijk is dankzij artikel 5.68 inzake de herkwalificatie van het contract.

Lees hier de volledige fiche van het wetsvoorstel

2021-04-06T10:17:20+00:00 28 maart 2021|Categories: Verbintenissen- en zakenrecht|