>>>Erfdienstbaarheden door menselijk handelen: een overzicht van de nieuwe artikelen, telkens verduidelijkt met de motivering uit de Memorie van Toelichting (LegalNews.be)

Erfdienstbaarheden door menselijk handelen: een overzicht van de nieuwe artikelen, telkens verduidelijkt met de motivering uit de Memorie van Toelichting (LegalNews.be)

Auteur: LegalNews.be

Publicatiedatum: 12/04/2020

In deze bijdrage, sommen we de nieuwe artikelen op, telkens met een eigen selectie uit de oorspronkelijke Memorie van Toelichting uit het oorspronkelijke wetsontwerp van 31 oktober 2018.

U kan hier de integrale Memorie van Toelichting raadplegen.

In dit artikel overlopen we hoofdstuk 2, meer bepaald erfdienstbaarheden door menselijk handelen, van de wijzigingen inzake erfdienstbaarheden (ondertitel 3).

Afdeling 1. Specifieke wijzen van verkrijging

Rechtshandeling (art.3117)

1. Nieuw artikel

Art. 3.117:

Alle erfdienstbaarheden kunnen gevestigd worden door rechtshandeling. Erfdienstbaarheden die ontstaan door rechtshandeling kunnen worden bewezen door een titel van erkenning uitgaande van de titularis van het lijdend erf op het tijdstip van de opmaak ervan.

Ze kunnen worden gevestigd door de eigenaar of titularis van een zakelijk gebruiksrecht binnen de grenzen van zijn recht.

2. Reden van de wijzigingen

In antwoord op de opmerkingen van de Raad van State wordt opgemerkt dat de titel van deze afdeling effectief betrekking heeft op specifieke ontstaanswijzen, enerzijds doordat er specifieke wijzen worden bepaald die beperkt zijn tot erfdienstbaarheden (zoals de bestemming door de huisvader), anderzijds doordat het om preciseringen gaat (titel van erkenning, verjaring enkel voor zichtbare erfdienstbaarheden) die dus specifieke regels uitmaken.

De huidige artikelen 690 en 691 betreffen de erfdienstbaarheden ontstaan door titel. Volgens vaste rechtspraak (Cass. 12 december 2013), moet de term “titel” begrepen worden als de rechtshandeling, d.i. het negotium, waarmee de erfdienstbaarheid gevestigd wordt. De opstellers stellen dus voor om het woord “rechtshandeling” te hanteren. Die rechtshandeling kan eenzijdig zijn, zoals een testament, of meerzijdig, zoals een overeenkomst. Voor de vestiging ervan is geen enkele specifieke vorm vereist. Wel wordt het opstellen van een instrumentum aanbevolen om bewijsproblemen te vermijden, of zelfs van een notariële akte die kan worden overgeschreven met het oog op de tegenwerpelijkheid.

Bij ontstentenis van vestigingstitel en bewijs ervan, voorziet de wet (art. 695 BW) uitdrukkelijk in de mogelijkheid om een titel van erkenning voor te leggen. Deze mogelijkheid wordt hier hernomen. Dit bijzondere bewijsmiddel, wanneer het uitgaat van de actuele eigenaar of vorige eigenaar van een lijdend erf, is belangrijk gezien het eeuwigdurende karakter van erfdienstbaarheden, en voorkomt dat het bewijs moet worden geleverd van het verlies van de oorspronkelijke titel overeenkomstig artikel 1337 van het Burgerlijk Wetboek. De gehanteerde formulering benadrukt het belang van de hoedanigheid van de titularis op het tijdstip van het opstellen ervan.

Tot slot, aangezien een erfdienstbaarheid een beperking inhoudt op de gebruikelijke bevoegdheden van de eigenaar, moet de rechtshandeling tot vestiging van de erfdienstbaarheid in principe uitgaan van degene die beschikt over dergelijke bevoegdheid op het lijdend erf. Een erfdienstbaarheid kan worden toegestaan – voor de duur van het recht- door de titularis van een zakelijk recht op het lijdend erf, zoals de vruchtgebruiker, de erfpachter of de opstalhouder.

De titularissen van zakelijke rechten zijn aldus gemachtigd om erfdienstbaarheden te bedingen met inachtneming van het adagium “Nemo plus iuris (…)”.

De respectieve artikelen 2 en 6 van de wetten van 10 januari 1824 voorzien daarin immers uitdrukkelijk voor de erfpachter en voor de opstalhouder. De regel wordt op algemene wijze geformuleerd voor alle titularissen van een zakelijk gebruiksrecht.

Verkrijgende verjaring (art. 3.118)

1. Nieuw artikel

Art. 3.118:

Zichtbare erfdienstbaarheden kunnen ontstaan door verkrijgende verjaring onder de voorwaarden van de artikelen 3.26 en 3.27.

2. Reden van de wijzigingen

Aangezien doorheen deze wijziging het zichtbare karakter van een erfdienstbaarheid ruimer is opgevat, lijkt het niet langer noodzakelijk om terug te grijpen naar het begrip voortdurende erfdienstbaarheid. Die laatste vereiste wordt derhalve niet hernomen voor de verkrijging door verjaring. Dit verhoogt de transparantie en eenvoud van deze problematiek. De belangen (van een kandidaat-verkrijger) van het lijdend erf worden voldoende gevrijwaard wanneer dat laatste de gedraging van de titularis van het toekomstige heersend erf heeft kunnen waarnemen. Die gedraging zal dan bestaan in ofwel het opzetten van zichtbare en voortdurende werken ofwel in een regelmatige activiteit die blijkt uit zichtbare sporen die de rechten van het lijdend erf voldoende tegenspreken.

In de praktijk betekent zulks dat de erfdienstbaarheid van overgang vatbaar wordt voor verkrijgende verjaring mits de overgang in de feiten regelmatig zijn en veruitwendigd door om het even welke sporen op het lijdend erf (snoeien van de vegetatie, aanleg van een verharding, aanbrengen van een omheining, maaien van het stuk van de doorgang, bandensporen van een voertuig, enz.). Hetzelfde geldt voor de erfdienstbaarheid van waterbron, bijvoorbeeld middels een pomp op het heersend erf die aan het naburige erf grenst via een buis. Hetzelfde geldt ook voor de erfdienstbaarheden van rioleringen voor huishoudelijk afvalwater of voor drinkwatervoorziening, mits de leidingen, op zijn minst gedeeltelijk, zichtbaar zijn en zich bevinden op het lijdend erf.

De verkrijgende verjaring wordt beoogd zonder verduidelijking van duurtijd, teneinde zowel de verjaring na dertig jaar als de verkorte verjaring, volgens de respectieve voorwaarden ervan, mogelijk te maken.

Bestemming door de eigenaar (art. 3.119)

1. Nieuw artikel

Art. 3.119:

Een erfdienstbaarheid ontstaat door bestemming door de eigenaar wanneer twee thans van elkaar gescheiden percelen aan dezelfde eigenaar hebben toebehoord en er op het moment van de verdeling een dienstbaarheid bestaat tussen de percelen die tot stand gebracht of behouden werd door die enige eigenaar.

Die wijze van verkrijging geldt enkel voor erfdienstbaarheden die zichtbaar zijn op het tijdstip van de verdeling.

2. Reden van de wijzigingen

François Laurent steunt de vereiste van het zichtbare karakter van de erfdienstbaarheid op de stilzwijgende instemming van de partijen over het behoud van de band van dienstbaarheid: de verkrijger van het gesplitste goed moet kennis hebben van het bestaan van de band van dienstbaarheid om in te stemmen met het behoud ervan.

Wat het vereiste van het voortdurende karakter betreft, geeft hij het voorbeeld van de overgang tussen twee percelen die toebehoren aan dezelfde eigenaar en waarneembaar is dankzij een poort en een aangelegde weg. Bij de scheiding van de percelen blijven de poort en de weg behouden. F. LAURENT is evenwel van mening dat er geen erfdienstbaarheid kan ontstaan omdat er twijfel is over de intentie van de partijen: de doorgang wordt behouden, maar volgens welke titel: eenvoudig gedogen of erfdienstbaarheid? Bij twijfel zou men, in zijn opvatting, niet kunnen uitgaan van de wil tot vestiging van erfdienstbaarheid door stilzwijgende instemming aangezien hiervan slechts sprake is wanneer er onmogelijk een andere interpretatie kan worden gegeven aan het feit waaruit men de wilsovereenstemming wil afleiden.
De opstellers van dit ontwerp steunen de gedachte dat werken of sporen die zichtbaar zijn vanaf het lijdend erf de bescherming ervan bij de verkrijging mogelijk maken.

Er wordt benadrukt dat dit zichtbaar moet zijn voor een voorzichtige en redelijke persoon op het ogenblik van de splitsing (en we hebben deze terminologie in antwoord op de Raad van State aangepast om in overeenstemming te zijn met deze verwijzing naar de voorzichtige en redelijke persoon). Deze kan zich daartegen in voorkomend geval verzetten middels een uitdrukkelijke clausule in de akte. Er wordt enkel naar de bestemming door de eigenaar zelf gepeild: deze bijzondere wijze van vestiging van een erfdienstbaarheid wordt aan de eigenaar voorbehouden (in tegenstelling tot de erfdienstbaarheden gevestigd door rechtshandeling).

Het is niet relevant om het geval van herleving van een erfdienstbaarheid door bestemming door de huisvader over te nemen. Deze geeft aanleiding tot controverse wat het bewijs van de oorspronkelijke erfdienstbaarheid betreft. Wat moet immers bewezen worden? Het eerdere bestaan van de erfdienstbaarheid gevestigd door titel (in welk geval de bepaling weinig betekenisvol is) of eenvoudigweg het bestaan van het zichtbare teken vóór de verdeling van de erven? De rechtsleer neigt naar de eerste zienswijze.

Het Hof van Cassatie heeft zich hierover vooralsnog niet uitgesproken. Het opzet van het vroegere artikel 694 lijkt te kunnen worden voortgezet, door aanpassing van de hypothese van het tenietgaan door vermenging.

Afdeling 2. Rechten en verplichtingen van de partijen

Gebruik en omvang (art. 3.120)

1. Nieuw artikel

Art. 3.120:

Het gebruik en de omvang van een erfdienstbaarheid door menselijk handelen worden bepaald door de bedoeling van de partijen, zoals uitgedrukt in de vestigingsakte of erkenningsakte, door de feitelijke uitoefening van de erfdienstbaarheid of door de plaatselijke gesteldheid van de dienstbaarheid.

2. Reden van de wijzigingen

Artikel 686 wordt behouden en aangevuld om naast de wil van de partijen, zoals uitgedrukt in de titel (cf. artikel 1156 van het Burgerlijk Wetboek), de feitelijke uitoefening naar voren te schuiven. Dat is met name het geval als het gaat om een erfdienstbaarheid ontstaan door verkrijgende verjaring, en de overige feitelijke elementen van de dienstbaarheid, wanneer het gaat om de bestemming door de eigenaar van de percelen

Onderhoud en bouwwerken (art. 3.121)

1. Nieuw artikel

Art. 3.121:

De titularis van een erfdienstbaarheid mag alle werkzaamheden en bouwwerken uitvoeren die nodig zijn voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid en voor het behoud ervan.

Die werkzaamheden en bouwwerken worden door hem en op zijn kosten uitgevoerd tenzij die uitsluitend aan de fout van de titularis van het lijdend erf te wijten zijn.

Indien die werkzaamheden en bouwwerken ook nuttig zijn voor het lijdend erf, worden deze kosten gedeeld volgens het nut ervan voor elk perceel.

2. Reden van de wijzigingen

Het woord “gebruik” uit de artikelen 696 en 697 van het Burgerlijk Wetboek wordt vervangen door “uitoefening.”

Artikel 696, eerste lid BW wordt niet als zodanig hernomen omdat het vervat zit in de bevestiging dat de titularis van het heersend erf alle nodige werkzaamheden en bouwwerken mag uitvoeren voor het uitoefenen van de erfdienstbaarheid: wie een verdergaande bevoegdheid mag uitoefenen (noodzakelijke werkzaamheden met het oog op uitoefening) mag ook een minder vergaande bevoegdheid uitoefenen (noodzakelijk gebruik met het oog op uitoefening).

Het huidige artikel 697 BW blijft ongewijzigd, behoudens (1) het voorbehoud voor de hypothese van de fout van de titularis van het lijdend erf en (2) de toevoeging van “mag”, waaruit moet blijken dat het gaat om een mogelijkheid overeenkomstig de uitlegging van die bepaling: de titularis van het heersend erf is gemachtigd om de nodige werken uit te voeren voor de uitoefening en het onderhoud van de erfdienstbaarheid, zonder dat hij daartoe kan worden verplicht door de titularis van het lijdend erf. Er is op te wijzen dat de vervallenverklaring in het algemeen deel werd veralgemeend tot alle zakelijke gebruiksrechten: “de vervallenverklaring (kan worden) uitgesproken door de rechter, indien de titularis misbruik maakt van zijn gebruik en genot, hetzij door het goed te beschadigen, hetzij door bij gebrek aan onderhoud de waarde ervan kennelijk te doen verminderen.”

Tot slot wordt voorzien in een kostenverdeling indien de werken nuttig zijn voor zowel het heersend als lijdend erf.

In antwoord op de opmerkingen van de Raad van State, benadrukken we dat, zoals uitgelegd in de commentaren onder artikel 129, “titularis” zowel verwijst naar de eigenaar als naar de titularis van een zakelijk gebruiksrecht.

Afstand (art. 3.122)

1. Nieuw artikel

Art. 3.122:

Wanneer de eigenaar van het lijdend erf door de titel verplicht is de werkzaamheden en bouwwerken nodig voor de uitoefening en het behoud van de erfdienstbaarheid op zijn kosten uit te voeren, kan hij afstand doen van het gehele lijdend erf, of het gedeelte van het lijdend erf dat noodzakelijk is voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid, ten voordele van de eigenaar van het heersend erf. In dat geval eindigt de erfdienstbaarheid door vermenging. Die afstand vergt de instemming van de eigenaar van het heersend erf.

Indien de eigenaar van het heersend erf zijn instemming weigert, behoudt de eigenaar van het lijdend erf zijn eigendom maar gaat de erfdienstbaarheid teniet.

In beide gevallen is de eigenaar van het lijdend erf, niettegenstaande artikel 3.17, tweede lid, bevrijd van elke bestaande of toekomstige verbintenis en is de eigenaar van het heersend erf bevrijd van zijn toekomstige verbintenissen.

2. Reden van de wijzigingen

Ter bevordering van de leesbaarheid wordt afzonderlijk van de basisregel, de mogelijkheid behouden om de kosten van de werkzaamheden om te keren. Dit is mogelijk door het instellen van accessoire kwalitatieve verbintenissen voor de titularis van het lijdend erf en de mogelijkheid om zich te bevrijden, door afstand te doen. De mogelijkheid van afstand moet immers behouden blijven en met betrekking tot accessoire kwalitatieve verbintenissen. Van belang is de precisering van de omvang van de afstand, die kan variëren naargelang het soort erfdienstbaarheid. Wat de uitwerking ervan betreft, zal de titularis van het lijdend erf zal bevrijd zijn van de toekomstige en bestaande lasten.
Het vereisen van het akkoord van de eigenaar van het heersend erf bleek voor de opstellers een groter evenwicht te bieden aan die mogelijkheid om zich te bevrijden voor de titularis van het lijdend erf. Bij gebreke aan akkoord wordt voorzien in het tenietgaan van de erfdienstbaarheid en van de overeenstemmende bestaande en toekomstige verbintenissen van het lijdend erf.

Immers werd aan het heersend erf de mogelijkheid geboden om eigenaar te worden van het perceel of van een deel ervan.

Verdeling van de onroerende goederen (art. 3.123)

1. Nieuw artikel

Art. 3.123:

Bij verdeling van het heersend erf blijft de erfdienstbaarheid verschuldigd volgens dezelfde modaliteiten ten voordele van elke partij, zonder dat de toestand van het lijdend erf gevoelig mag worden verzwaard.

Bij verdeling van het lijdend erf mag de toestand van het heersend erf daar verminderd noch vermeerderd uit komen.

De rechter bepaalt, indien nodig, de nieuwe modaliteiten van de erfdienstbaarheid ten laste en ten voordele van elk onroerend goed.

2. Reden van de wijzigingen

Hier wordt gedoeld op de verdeling van het onroerend goed, ten einde af te stemmen met het verzwaringsverbod van erfdienstbaarheden. Dat verzwaringsverbod voorziet erin dat bepaalde wijzigingen toegelaten zijn, rekening houdend met de technische en maatschappelijke evoluties sinds het ontstaan van de erfdienstbaarheid, indien zulks spoort met de wil van de partijen en de bedoeling van de erfdienstbaarheid. Aangezien de verdeling van het heersend erf vaak aanleiding dreigt te geven tot een lichte verzwaring wordt voorgesteld dat enkel de gevoelige verzwaring omwille van de verdeling wordt verboden.

In lijn met andere hedendaagse wetgevingen moet naast de hypothese van verdeling van het heersend erf, ook de hypothese van verdeling van het lijdend erf worden bekeken. De gevolgen hiervan zullen afhangen van het soort erfdienstbaarheid en van de mogelijke ligging ervan, zonder dat zulks het heersend erf ten goede kan komen of kan schaden.

Toestand van het lijdend erf (art. 3.124)

1. Nieuw artikel

Art. 3.124:

De titularis van het lijdend erf mag niets doen dat de uitoefening van de erfdienstbaarheid vermindert of minder gemakkelijk maakt.
Hij mag de plaatsgesteldheid niet wijzigen, noch de uitoefening van de erfdienstbaarheid verplaatsen, tenzij daartoe een objectief belang bestaat. In geval van verplaatsing moet hij op eigen kosten aan de eigenaar van het heersend erf een plaats op het lijdend erf aanbieden waarop de rechten even gemakkelijk kunnen worden uitgeoefend.

2. Reden van de wijzigingen

De mogelijkheden tot verlegging van de uitoefening van de erfdienstbaarheid (het zijn de actuele bewoordingen van artikel 701, die behouden worden omdat ze geen probleem qua leesbaarheid stellen) worden ruimer voorgesteld doordat het objectieve belang als criterium wordt geviseerd.

Het begrip “objectief belang” wordt aan de beoordeling van de magistraat overgelaten, in het licht van de concrete omstandigheden van het geval. In antwoord op de Raad van State, wordt inderdaad opgemerkt dat het gaat om een veralgemening van de huidige bewoordingen die handelen over “een meer bezwarende aanwijzing” of “voordelige herstellingen,” wat ook aanleiding geeft tot betwisting door het gebruik van de adjectieven “bezwarend” of “voordeliger.”

Door die veralgemening zijn de mogelijkheden tot verlegging gunstiger voor het lijdend erf.

Daarom wordt in de eerste zin de vereiste aangehouden dat niets mag worden gedaan dat de uitoefening van de erfdienstbaarheid “minder gemakkelijk” zou maken, veeleer dan “ongemakkelijker”, zoals voorgesteld in het Avant-Projet Capitant, teneinde een evenwichtige oplossing te behouden. De mogelijkheid om een andere bedding voor te stellen, wordt zoals gezegd behouden en zelfs uitgebreid. Het is immers mogelijk dat het lijdend erf een andere bestemming of configuratie krijgt. Een dergelijke wijziging moet mogelijk zijn, door de titularis van de erfdienstbaarheid onder bepaalde voorwaarden te doen instemmen met de verplaatsing ervan. Opdat de verplaatsing zou kunnen worden verkregen, vergt dit ontwerp dat het lijdend erf aantoont dat het daartoe een objectief belang heeft.

Op grond van de huidige wettekst is omstreden waar de nieuwe voorgestelde plaats zich moet of kan situeren: volgens sommigen kan de nieuwe voorgestelde plaats zich enkel op het lijdend erf situeren terwijl volgens anderen het tracé zich kan situeren op een ander perceel dat toebehoort aan de eigenaar van het lijdend erf.

Dit ontwerp preciseert dat de voorgestelde plaats zich moet situeren op het lijdend erf, hetgeen uiteraard geenszins belet, gelet op het principieel aanvullende karakter van dit Boek, dat de eigenaar van een ander perceel ermee instemt om de erfdienstbaarheid ten laste te nemen. De verplaatsingskosten zijn ten laste van de eigenaar van het lijdend erf. In antwoord op de Raad van State, hebben de opstellers niet in een bijzondere procedure voorzien. Enerzijds willen ze het minnelijk akkoord tussen partijen aanmoedigen en anderzijds is er geen enkele reden om in een bijzondere procedure te voorzien. Wat de informatie betreft, deze wordt door de hypothecaire publiciteit gewaarborgd.

Toestand van het heersend erf (art. 3.125)

1. Nieuw artikel

Art. 3.125:

De titularis van het heersend erf mag de uitoefening van de erfdienstbaarheid wijzigen, rekening houdend met de technische en maatschappelijke evoluties sinds het ontstaan van de erfdienstbaarheid, onder voorbehoud van de wil van de partijen en het doel van de erfdienstbaarheid.

2. Reden van de wijzigingen

Huidig artikel 702 omvat twee regels: enerzijds mag de titularis van de erfdienstbaarheid deze enkel uitoefenen binnen de grenzen van zijn titel, ook al zou hij bij een ander gebruik geen schade berokkenen aan het lijdend erf, en anderzijds moet hij deze uitoefenen zonder de toestand van het lijdend erf te verzwaren, ook al zou hij binnen de grenzen van zijn titel blijven.

De bepaling doet evenwel problemen rijzen en geeft aanleiding tot uiteenlopende en soms tegenstrijdige toepassingen door de hoven en rechtbanken. Er zijn gevallen waarin men veel soepelheid toelaat in het kader van artikel 702 BW, met name wanneer het gaat om oude bedingen. Wanneer de vestigingstitel van de erfdienstbaarheid oud is en geformuleerd is in termen van archaïsche elementen of factoren, erkennen de hoven en rechtbanken soms dat de erfdienstbaarheid enigszins verschillend van de vestigingstitel wordt uitgeoefend. De aanpassing aan het moderne leven, de evolutie van de technologieën of gewoonten rechtvaardigen dus in specifieke gevallen afwijkingen op hetgeen oorspronkelijk was bedongen, voor zover de toestand van het lijdend erf daardoor niet (of volgens sommigen niet onredelijk) wordt verzwaard.

Die bedenkingen zetten ertoe aan om afstand te nemen van de letterlijke bewoordingen van de titel, wat niet zou sporen met het evolutieve karakter van de erfdienstbaarheden, die – zoals hierboven gezegd – eeuwigdurend zijn. Derhalve moet men, overeenkomstig de bedoeling van de partijen, veranderingen toelaten die niet alleen rekening houden met de technologische ontwikkelingen maar ook met maatschappelijke evoluties die zich voorgedaan hebben sinds de vestiging van de erfdienstbaarheid, door verwijzing naar de finaliteit (doel, doelstelling) van de erfdienstbaarheid. In antwoord op de Raad van State, merken de opstellers op dat zij een meer functionele benadering in het kader van erfdienstbaarheden hebben willen bieden. Het leek opportuun om wijzigingen ten aanzien van strakke modaliteiten toe te laten. Indien het artikel in twee zou worden geknipt, zou dat een terugtred zijn.

Afdeling 3. Specifieke wijzen van tenietgaan

Bevrijdende verjaring (art. 3.126)

1. Nieuw artikel

Art. 3.126:

Erfdienstbaarheden doven geheel of gedeeltelijk uit door het niet uitoefenen daarvan gedurende dertig jaar, ongeacht of zulks het gevolg is van een menselijk handelen, een materiële belemmering of overmacht. De bewijslast voor het uitdoven, rust op de eigenaar van het lijdend erf. De erfdienstbaarheid gaat slechts teniet in de mate van dat onbruik.

De termijn van dertig jaar begint te lopen vanaf het onbruik.

2. Reden van de wijzigingen

De vraag wat de gevolgen zijn indien een erfdienstbaarheid niet wordt uitgeoefend, wordt in ruime mate vereenvoudigd doordat het onderscheid voortdurend/ niet voortdurend verdwijnt. De terminologie in de artikelen 703 en 704 wordt thans immers ernstig bekritiseerd vanuit de rechtsleer. Deze is van mening dat het enige belang van die bepalingen erin bestaat het geval van toevallige onmogelijkheid tot uitoefening van de erfdienstbaarheid gelijk te stellen met de overige gevallen van het niet uitoefenen, door al die gevallen zonder onderscheid te onderwerpen aan het principe van de bevrijdende verjaring na dertig jaren.

Het regime van het niet uitoefenen zou bijgevolg eengemaakt worden, ongeacht de niet-uitoefening zijn grondslag vindt in de wil, een belemmering of toeval. De mogelijkheid van het gedeeltelijk tenietgaan, opgenomen in artikel 708 van het Burgerlijk Wetboek, wordt behouden, waarbij de erfdienstbaarheid tenietgaat in zoverre zij niet wordt uitgeoefend gedurende 30 jaar. In de voorgestelde tekst is het onderscheid tussen het volledige of gedeeltelijke niet uitoefenen in functie van het type van erfdienstbaarheid niet meer terug te vinden. Het onderscheid voortdurend/ niet voortdurend is verdwenen, net zoals het vereiste van een materiële belemmering, zoals reeds gesuggereerd in het cassatie-arrest van 6 januari 2006.

Ook de aanvang van de termijn wordt eenvormig gemaakt, mede door de verdwijning van het onderscheid voortdurend/niet voortdurend. In alle gevallen neemt deze een aanvang vanaf het niet-uitoefenen.

Tot slot komt er een oplossing voor de bewijsmoeilijkheden, met name voor de bewijslast, met vaak moeilijk te rechtvaardigen onderscheiden (Cass. 18 november 1983; Cass. 30 mei 2003. Zie ook Cass. 5 april 1990). De oplossing bestaat erin de bewijslast bij de titularis van het lijdend erf te leggen, ongeacht of het gaat om het gedeeltelijke of volledige tenietgaan van niet voortdurende of voortdurende erfdienstbaarheden (onder de vroegere terminologie).

Vermenging (art. 3.127)

1. Nieuw artikel

Art. 3.127:

Alle erfdienstbaarheden doven uit wanneer het lijdend en het heersend erf in dezelfde hand worden verenigd, zonder afbreuk te doen aan artikel 3.119 wanneer de onroerende goederen opnieuw gescheiden worden.

2. Reden van de wijzigingen

Het juridisch mechanisme van de heropleving van de erfdienstbaarheid door bestemming van de huisvader deed moeilijkheden en discussies rijzen op vlak van de toepassingsvoorwaarden. Aldus luidde de vraag of artikel 694 vereiste dat de vestiging van een zichtbare erfdienstbaarheid werd aangetoond vóór de vereniging van de percelen in dezelfde hand dan wel of een schijn van erfdienstbaarheid volstond. Deze betwisting is trouwens niet beslecht door het Hof van Cassatie.

De vraag was ook of het voortbestaan, gedurende meer dan dertig jaar van de vermenging tussen het heersend en het lijdend erf aanleiding zou geven tot bevrijdende verjaring en het definitieve tenietgaan van de erfdienstbaarheid, zodat zij niet meer opnieuw kan ontstaan door bestemming van de huisvader.

In die context hebben de opstellers van dit ontwerp geopteerd voor het schrappen van dit herlevingsmechanisme, evenwel met behoud van de onderliggende gedachte van het oude artikel 694. Wanneer een eigenaar de zichtbare dienstbaarheid tussen twee percelen behoudt bij de vereniging ervan in één hand en hij uitdrukking geeft aan de wil om die toestand te behouden bij een nieuwe verdeling van de percelen, zal een erfdienstbaarheid ontstaan.

Er is dus geen sprake meer van herleving van een erfdienstbaarheid waarvan de uitoefening “verlamd” zou zijn gedurende de vermenging van de percelen, maar van het ontstaan van een nieuwe erfdienstbaarheid door bestemming door de eigenaar, zonder dat de vraag moet worden gesteld naar de eerdere vestiging van een erfdienstbaarheid of naar de duurtijd van de vermenging. De bestemming door de eigenaar moet bovendien toepassing vinden wanneer de wil van laatstgenoemde kenbaar is gemaakt door ofwel het instellen van een zichtbare dienstbaarheid, ofwel door het behoud ervan op het tijdstip van de verdeling van de percelen.

Verlies van nut (art. 3.128)

1. Nieuw artikel

Art. 3.128:

Op verzoek van de eigenaar van het lijdend erf kan de rechter de afschaffing van een erfdienstbaarheid bevelen wanneer deze ieder nut, zelfs voor de toekomst, voor het heersend erf heeft verloren.

2. Reden van de wijzigingen

Aangezien het gaat om een vrij recente bepaling, die intussen gedekt is door een vaste cassatierechtspraak, wordt vooropgesteld om zo min mogelijk te veranderen en daarom grotendeels de lering van het Hof van Cassatie te volgen, inzonderheid zijn arrest van 28 januari 2000: de erfdienstbaarheid wordt behouden indien zij een zeker toekomstig of potentieel nut, hoe miniem ook, bewaart, zelfs voor het loutere gebruiksgemak.

Wel blijkt het potentiële nut in de rechtspraak elke afschaffing van erfdienstbaarheid vrijwel onmogelijk te maken en de uitwerking van artikel 710bis goeddeels uit te hollen. Beperken tot het nut, zelfs zuiver voor het gemak, maar dan enkel toekomstig, lijkt evenwichtiger. Voorts vereist een economische insteek ook meer mogelijkheden voor het tenietgaan van de erfdienstbaarheden in gewijzigde omstandigheden.

Een economische benadering van het recht leidt immers tot de noodzaak van een soepel ontstaan van de erfdienstbaarheden maar ook tot meer flexibiliteit op het niveau van de afschaffing ervan. Desalniettemin, aangezien het gaat om de uitdoving van een in principe eeuwigdurend recht, is die mogelijkheid ingrijpend en is de vordering voorbehouden aan de eigenaar van het lijdend erf.

Dat zou ook beter sporen met de invoeging van het begrip onvoorziene omstandigheden, beoogd in het deel Verbintenissen, dat binnen dit domein bijzonder relevant is. Het principieel eeuwigdurende karakter van de erfdienstbaarheid vergt immers wat meer flexibiliteit bij de uitoefening van de erfdienstbaarheid, zulks uiteraard steeds onder toezicht van de rechter. Deze laatste kan een beslissing nemen gaande van de loutere wijziging tot de volledige afschaffing. Wat dat laatste betreft, wordt eraan herinnerd dat de algemene regels betreffende de erfdienstbaarheden door menselijk handelen ook van toepassing zijn op de wettelijke erfdienstbaarheden, behoudens andersluidende bepalingen of onverenigbaarheid met de bedoeling van de wetgever.

Vier praktijkgerichte webinars on demand over de hervorming van het goederenrecht

De Wet tot hervorming van het goederenrecht van 4 februari 2020 (Staatsblad van 17 maart 2020) zal in werking treden op 1 september 2021. Deze wet is revolutionair en bevat volledig nieuwe bepalingen inzake eigendom, mede-eigendom, erfpacht, opstal, vruchtgebruik, erfdienstbaarheden, hypothecaire publiciteit, enz.

LegalNews.be biedt u in 4 ‘webinars on demand’ een mooi overzicht van deze wijzigingen.

U kijkt waar en wanneer u wilt!

Er zijn twee opties:

  • €119 (excl. 21% btw) voor 2 webinars on demand naar keuze (3 punten)
  • €149 (excl. 21% btw) voor de 4 webinars on demand (6 punten)

Webinar 1. Het nieuwe goederenrecht: een algemeen overzicht
Dr. Siel Demeyere, advocaat Eubelius, Instituut voor Goederenrecht KU Leuven

Webinar 2. Mede-eigendom
Mr. Frank Burssens, advocaat-vennoot Everest, gastprofessor KU Leuven

Webinar 3. Erfpacht, opstal en vruchtgebruik
Mr. William Timmermans, advocaat-vennoot Altius

Webinar 4. Zakelijke rechten en omgevingsvergunningen
Mr. Carlos De Wolf, advocaat-vennoot De Wolf & Vennoten Advocaten
Mr. Charlotte De Wolf, advocaat De Wolf & Vennoten Advocaten

> Meer informatie

2020-06-05T10:14:49+00:00 12 april 2020|Categories: Verbintenissen- en zakenrecht|Tags: |