Aansprakelijkheid van hulppersonen
in en buiten de contractketting.
Een analyse in het licht van Boek 6

Prof. dr. Ignace Claeys en mr. Camille Desmet (Eubelius)

Webinar op vrijdag 30 augustus 2024


Woninghuur in Vlaanderen en Brussel:
het antwoord op 25 praktijkvragen

Mr. Ulrike Beuselinck en mr. Koen De Puydt (Seeds of Law)

Webinar op dinsdag 27 augustus 2024


Boek 7 ‘Bijzondere contracten’
en de impact voor de bouw- en vastgoedsector

Prof. dr. Kristof Uytterhoeven (Caluwaerts Uytterhoeven)

Webinar op donderdag 7 november 2024


Appartementsrecht:
een overzicht van recente ontwikkelingen

Mr. Ulrike Beuselinck en mr. Koen De Puydt (Andersen in Belgium)

Webinar op donderdag 5 december 2024


Recente wetgevende ontwikkelingen
met impact op de bouwsector

Prof. dr. Kristof Uytterhoeven (Caluwaerts Uytterhoeven)

Webinar op dinsdag 27 augustus 2024


Zekerheden: een update
aan de hand van wetgeving en rechtspraak

Mr. Ivan Peeters en mr. Philip Van Steenwinkel (Hogan Lovells)

Webinar op vrijdag 8 november 2024

Verplichte verzekering voor schade door verzakking als gevolg van uitdroging van de grond: het Grondwettelijk Hof verwerpt de vordering van de verzekeraars (Schoups)

Auteur: Melissa Olivotto (Schoups)

Op 13 januari 2022 berichtten we over de interpretatieve wet van 29 oktober 2021, waarmee de wetgever met retroactieve kracht artikel 124, §1, d) van de Verzekeringswet (zie hier voor meer info) uitlegde. Deze wet verduidelijkt dat het inklinken van een belangrijke massa van de bodemlaag ten gevolge van een langdurige periode van droogte binnen het toepassingsgebied valt van genoemde wetsbepaling (nl. het begrip «aardverschuiving of grondverzakking » in de zin van « natuurramp »). Bijgevolg zijn de verzekeraars verplicht om, in de brandverzekering voor eenvoudige risico’s, de schade die daarvan het gevolg is, mee te verzekeren in het kader van de waarborg natuurrampen.

Vervolgens hebben we u erover ingelicht (hier) dat Assuralia en een aantal verzekeraars bij het Grondwettelijk Hof een beroep tot schorsing en vernietiging hadden ingesteld, daar ze meenden dat de wet tot nog meer rechtsonzekerheid zou leiden voor zowel de verzekeraars als de verzekerden. De verzoekers wierpen op dat in werkelijkheid enkel de gevolgschade gedekt was en niet de kosten die nodig zijn om de woning te stabiliseren en toekomstige schade te vermijden, zodat er door de wet (die de verzekeraars trouwens ertoe verplichtte om te moeten uitkeren voor iets waar ze geen premie voor ontvangen) geen duurzame oplossing geboden werd.

Met zijn arrest nr. 86/2023 van 1 juni 2023  heeft het Grondwettelijk Hof de polemiek beëindigd en de beroepen verworpen.

Uit de analyse van de voorbereidende werkzaamheden met betrekking tot de interpretatieve wet van 2021 leidt het Grondwettelijk Hof af dat artikel 124, §1, d) van de verzekeringswet steeds de bedoeling gehad zou hebben om dekking te verlenen voor alle aardverschuivingen of grondverzakkingen welke geheel of ten dele te wijten zijn aan een natuurlijk fenomeen anders dan een overstroming of een aardbeving. De voorbereidende werkzaamheden verwezen immers naar de terugkerende droogte en de implicaties ervan voor de beschadiging van de ondergrond (en voor woningen gebouwd op kleigrond). Om de schade veroorzaakt door een natuurramp te laten opnemen in de woningverzekering, werd de wijziging van de verzekeringswet in 2005 goedgekeurd. Opdat de schade echter gedekt zou zijn, mocht de grond echter niet plots noch uitsluitend ten gevolge van een natuurlijk fenomeen verzakken. De verzekeraars konden dus zelf bepalen of een grondverzakking al dan niet gedeeltelijk te wijten was aan een natuurlijk fenomeen. De voorbereidende werken wezen echter met de vinger naar een aantal verzekeraars die deze waarderingsvrijheid misbruikten door te beweren dat de inklinking van de bodem geen grondverzakking vormde, vermits het niet ging om een beweging van een belangrijke massa van de bodemlaag, zoals de wet vereist. Deze zelfde verzekeraars meenden bovendien, nog steeds volgens de voorbereidende werkzaamheden, dat niets bewees dat de inklinking van de bodem te wijten was aan de droogte.

Het is dan ook om deze misverstanden te vermijden dat de interpretatieve wet aangenomen werd: de voorbereidende werkzaamheden vermelden dit uitdrukkelijk. Het is dus zo, volgens het Grondwettelijk Hof, dat aangenomen mag worden dat het steeds de bedoeling van de wetgever was om het « inklinken van een belangrijke massa van de bodemlaag dat geheel of ten dele het gevolg is van een langdurige periode van droogte » te beschouwen als een « aardverschuiving of grondverzakking »..

Het Grondwettelijk Hof merkt op dat de bestreden bepaling aan artikel 124, §1, d) van de verzekeringswet een betekenis geeft die de wetgever bij de aanneming eraan heeft willen geven en die het redelijkerwijze kon krijgen, zodat de terugwerkende kracht van de bestreden bepaling verantwoord wordt door het interpretatieve karakter ervan.

De ingestelde beroepen worden integraal verworpen, hetgeen impliceert dat de verzekeraars verplicht zijn om, op retroactieve wijze,  de schade te verzekeren die te maken heeft met de inklinking van de bodem. De verplichting om dekking te verlenen zal zeker leiden tot een stijging van het bedrag van de premies. Het valt af te wachten hoe de verzekeraars in de toekomst op basis van geval tot geval het inklinken van de bodem zullen analyseren en op welke manier dit inklinken al dan niet deels te wijten zou zijn aan de droogte.

Bron: Schoups