Nooddecreet Coronacrisis Hoger Onderwijs (Alpheus Advocaten)

Auteur: Koen Maenhout (Alpheus Advocaten)

Publicatiedatum: 19/04/2020

Nooddecreet Coronacrisis Hoger Onderwijs [1]

Totstandkoming van het decreet.

1. Op 14 april 2020 dienden 3 leden van de meerderheid in het Vlaams parlement een voorstel van decreet in over maatregelen in het hoger onderwijs voor het academiejaar 2019-2020
als gevolg van de coronacrisis[2]. De Vlaamse Hogescholenraad (VLHORA), de Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR) en de VVS hebben hieraan meegewerkt. Er is ook overleg met studenten. De tekst zelf werd blijkbaar pas aan de parlementsleden bezorgd op 15 april 2020 de dag dat ze over de tekst dienden te stemmen[3].

Door de COVID-19-pandemie werden de Vlaamse hogeronderwijsinstellingen verplicht om vanaf 13 maart 2020 de overheidsmaatregelen toe te passen en over te schakelen naar afstandsonderwijs om de gezondheid van hun studenten en personeel te waarborgen. Om het academiejaar kwaliteitsvol georganiseerd te krijgen moeten de instellingen de onderwijs- en examenactiviteiten structureel wijzigen. De overheidsmaatregelen hebben impact op alle vormen van onderwijs en evaluatie. Dat is in eerste instantie het geval voor werkplekleren, stages, praktijkvakken, werkcolleges en vormen van permanente evaluatie. Maar ook voor gewone hoorcolleges kunnen gewijzigde onderwijsvormen leiden tot gewijzigde evaluatievormen om de betrouwbaarheid en validiteit van de examens te kunnen waarborgen. Niet alleen om didactische redenen kan het raadzaam zijn om voor een andere examenvorm te kiezen, maar ook om organisatorische reden, bijvoorbeeld om de opgelegde ‘social distancing’ te kunnen garanderen.

Vanuit het voorzorgsbeginsel moeten de hogeronderwijsinstellingen ook de examenperiode anders organiseren om de opgelegde ‘social distancing’-maatregel te kunnen toepassen. Wegens het continuïteitsbeginsel moeten de examens kunnen plaatsvinden, maar de noodzakelijke voorzorgen om de volksgezondheid te waarborgen vereisen dat die examens op een andere manier worden georganiseerd, zodat bijvoorbeeld aula’s worden vrijgemaakt om de vereiste ‘social distancing’ te kunnen garanderen. De hogeronderwijsinstellingen zijn zich daarop intern aan het voorbereiden en werken een aangepaste procedure uit voor de interne besluitvorming over wijzigingen aan onderwijs- en examenreglementen en aan de fiches voor het European Credit Transfer System (ECTS-fiches).

Veel van die wijzigingen kunnen juridisch via het algemene principe van overmacht worden gedekt. Toch kan dat tot enige onzekerheid leiden als hogeronderwijsinstellingen zich nu al voorbereiden op onzekere examenperiodes, zeker wat de praktische uitvoering van de noodzakelijke wijzigingen betreft. Doordat nog niet bekend is wanneer de ‘social distancing’-maatregel zal worden opgeheven en het niet uit te sluiten is dat de maatregel nog verlengd wordt tot aan de examens, is het raadzaam om nu al het examenreglement aan te passen. Dat wil zeggen dat docenten moeten communiceren over andere examenvormen (papers, thuistaken). Nog langer wachten om de impact op de examens in te schatten is geen optie, omdat de studenten en docenten nu al hun studeergedrag, respectievelijk onderwijs- en evalueergedrag daarop moeten kunnen afstemmen.

Met het voorstel van decreet wordt er dan ook voor gekozen om die eenzijdige organisatorische ingrepen decretaal te machtigen, zonder onnodige juridische complicaties te veroorzaken over gewijzigde onderwijs- en examenreglementen of ECTS-fiches. De expliciete mogelijkheid van een ‘eenzijdige’ aanpassing heeft het voordeel dat er duidelijkheid wordt gecreëerd over de rechtsgrond in het kader van het gelijkheidsbeginsel. Het is duidelijk dat afwijkingen ‘eenzijdig’ voor alle studenten kunnen, binnen de afgelijnde periode (het academiejaar 2019-2020) die gedekt wordt door dit voorstel van decreet. Als hogeronderwijsinstellingen in de context van de COVID-19-crisis bepaalde aanpassingen doorvoeren, is het opportuun dat ze de desbetreffende participatieorganen en -structuren daar maximaal bij betrekken. Daarnaast is het raadzaam dat die instellingen een algemene motiveringspassage over de context van de COVID-19-crisis als motivering voor een aantal van die aanpassingen opnemen.

Samenvattend kan gesteld worden dat de maatregelen voor onderwijs- en examenactiviteiten die de hogeronderwijsinstellingen in het kader van de overheidsmaatregelen rond het coronavirus vóór de inwerkingtreding van het voorliggende voorstel van decreet hebben genomen, gedekt zijn door het algemene principe van overmacht. De maatregelen die na de inwerkingtreding van het voorstel van decreet genomen zijn, zijn evengoed grotendeels gedekt door het principe van overmacht, maar voor die maatregelen, en ook voor maatregelen waarover discussie zou kunnen ontstaan, zoals de maatregelen in het kader van de komende examenperiode, is er met het voorliggende voorstel van decreet een decretale basis gecreëerd.

Enkele relevante bepalingen uit de Codex Hoger Onderwijs.

2. In de Codex Hoger onderwijs wordt onder “academiejaar” verstaan “een periode van 1 jaar die ten vroegste op 1 september en uiterlijk op 1 oktober begint en eindigt op de dag voor het begin van het volgende academiejaar; van de vaste duur van 1 jaar kan uitzonderlijk afgeweken worden indien het instellingsbestuur beslist de start van het academiejaar ofwel te vervroegen ofwel te verlaten”. [4]

In de Codex Hoger onderwijs wordt onder “creditcontract” verstaan “een contract, aangegaan door een instellingsbestuur met de student die zich inschrijft met het oog op het behalen van (een) creditbewij(s)(zen) voor 1 of meer opleidingsonderdelen”. [5] Een “diplomacontract” is “een contract, aangegaan door een instellingsbestuur met de student die zich inschrijft met het oog op het behalen van een graad of diploma van een opleiding of die zich inschrijft voor een schakel- of voorbereidingsprogramma” [6]

Een “examen” in de zin van de Codex Hoger Onderwijs is “elke evaluatie van de mate waarin een student op grond van zijn studie de competenties, verbonden aan een opleidingsonderdeel, heeft verworven.”[7]

Een “opleidingsonderdeel” is “een afgebakend geheel van onderwijs-, leer- en evaluatieactiviteiten dat gericht is op het verwerven van welomschreven competenties inzake kennis, inzicht, vaardigheden en attitudes”[8].

Een “studievoortgangsbeslissing” is o.m. “een examenbeslissing, zijnde elke beslissing die, al dan niet op grond van een deliberatie, een eindoordeel inhoudt over het voldoen voor een opleidingsonderdeel, meer opleidingsonderdelen van een opleiding, of een opleiding als geheel”[9]

De “toetredingsovereenkomst” tenslotte is “de overeenkomst tussen instellingsbestuur en student “[10].

3. Het instellingsbestuur biedt bij de inschrijving van de student de keuze tussen een creditcontract, een diplomacontract en een examencontract. Deze contracten maken onderdeel uit van de toetredingsovereenkomst of worden na de inschrijving gesloten in het raam van de toetredingsovereenkomst. De instellingen kunnen in hun onderwijsreglement vastleggen dat bepaalde opleidingsonderdelen wegens hun aard niet in aanmerking komen voor een examencontract. Dit moet worden gemotiveerd.

De instellingen kunnen in hun onderwijsregeling vastleggen dat stages, bachelorproeven en masterproeven wegens hun aard niet in aanmerking komen voor een creditcontract. Dit moet worden gemotiveerd[11].

4. Het bestuur en de student sluiten door de inschrijving een toetredingsovereenkomst[12].

Het bestuur bepaalt en wijzigt de algemene voorwaarden van de overeenkomst, met inachtname van de participatierechten van de studentenraad. Deze algemene voorwaarden worden vastgelegd in het onderwijs- en examenreglement en in de rechtspositieregeling van de student[13].

5. Een studietraject bepaalt de modaliteiten inzake studieomvang, deliberatie en studievoortgangsbewaking (modeltraject of geïndividualiseerd traject). De opportuniteit van het doorlopen van een geïndividualiseerd traject wordt op zorgvuldige wijze getoetst op grond van het dossier van de student[14].

Het diplomacontract omvat o.m. volgende vermeldingen, desgevallend onder verwijzing naar de toepasselijke bepalingen van het onderwijs- en examenreglement: de tijdsperiode waarop de inschrijving betrekking heeft[15] en de evaluatie- en deliberatieregels[16].

Het creditcontract omvat o.m. volgende vermeldingen, desgevallend onder verwijzing naar de toepasselijke bepalingen van het onderwijs- en examenreglement: de tijdsperiode waarop de inschrijving betrekking heeft[17] en de evaluatieregels[18];

Het examencontract omvat dat o.m. diezelfde elementen[19].

6. Tijdens het academiejaar zijn wijzigingen van het type en de inhoud van het contract mogelijk. Deze wijzigingen kunnen enkel worden doorgevoerd als overeenstemming wordt bereikt tussen het instellingsbestuur en de student. Ingeval van een modeltraject kan overleg gevoerd worden via de werking van de studentenraad. De instelling bepaalt in het onderwijs- en examenreglement onder welke voorwaarden en volgens welke modaliteiten wijzigingen mogelijk zijn[20].

7. Het instellingsbestuur maakt voor het begin van het academiejaar het onderwijsaanbod en het onderwijs- en examenreglement Het instellingsbestuur draagt er zorg voor dat de student vanaf het ogenblik van inschrijving het onderwijs- en examenreglement te allen tijde gemakkelijk kan raadplegen. Als een student er uitdrukkelijk om vraagt, is het instellingsbestuur ertoe gehouden een papieren kopie van het onderwijs- en examenreglement te overhandigen[21].

Het instellingsbestuur stelt een onderwijs[22]- en een examenreglement[23] op. In het examenreglement wordt o.m.  opgenomen de periodes waarbinnen de examens worden afgelegd[24], de algemene regels en de modaliteiten van deliberatie[25] en de wijze waarop omgegaan wordt met overmacht of met onregelmatigheden tijdens het examenverloop[26].

8. Voor elk opleidingsonderdeel wordt een examen ingericht. Een student heeft voor ieder opleidingsonderdeel waarvoor hij ingeschreven is, recht op 2 examenkansen in de loop van het academiejaar om een creditbewijs te behalen. Indien de aard van het opleidingsonderdeel niet toelaat dat tweemaal wordt geëxamineerd, kan het in het eerste lid bedoelde recht niet tijdens hetzelfde academiejaar worden uitgeoefend. In dat geval moet de student zich voor het betreffende opleidingsonderdeel in een volgend academiejaar opnieuw inschrijven[27].

9. De student wordt automatisch geslaagd verklaard als hij alle examens die horen bij het opleidingsprogramma, heeft afgelegd en als alle examens geleid hebben tot een creditbewijs of tot een deliberatiecijfer als vermeld in het onderwijs- en examenreglement[28].

Coronamaatregel 1: evaluatie of deliberatie uitstellen.

10. De hogeronderwijsinstellingen hebben al verschillende maatregelen genomen om de organisatorische impact van COVID-19 op de onderwijs- en evaluatieactiviteiten te regelen en ze zullen er in de nabije toekomst nog meer moeten nemen. Een van de uitgangspunten die de instellingen samen hebben aangenomen, is dat studieduurverlenging zo veel mogelijk moet worden vermeden. Het blijft de bedoeling dat studenten kunnen afstuderen tijdens dit academiejaar, zodat ze niet opnieuw leerkrediet moeten inzetten of inschrijvingsgeld moeten betalen als hun stage bijvoorbeeld pas in oktober kan plaatsvinden.

Bijzondere aandacht gaat daarbij uit naar opleidingsonderdelen die moeilijk te organiseren blijken tijdens de periode van afstandsonderwijs, zoals werkplekleren, stages, praktijkonderwijs en andere activiteiten die essentieel zijn in het licht van de opleidingsdoelen, voor studenten die de onderwijsactiviteit nog niet (of nauwe- lijks) aangevat hebben.

Hogeronderwijsinstellingen kunnen dat probleem ondervangen door de academische kalender aan te passen, en de onderwijs- en examenperiode voor bepaalde studenten eventueel langer open te houden. De einddatum daarvoor is thans uiterlijk 30 september, gelet op de decretale omschrijving van het begrip academiejaar.

Aangezien in het academiejaar 2019-2020 niet aan alle studenten de garantie kan worden geboden dat ze al op de laatste dag van het lopende academiejaar het gemiste onderdeel hebben kunnen inhalen en om te vermijden dat die studenten zich dan in het volgende academiejaar opnieuw moeten inschrijven of niet kunnen afstuderen, wordt met het voorliggende artikel bepaald dat de evaluatie en delibe- ratie kan worden uitgesteld. Die latere datum kan in uitzonderlijke omstandigheden ook na het einde van het academiejaar vallen.

In het examenreglement van de instellingen hoger onderwijs staat voor een student heel duidelijk opgenomen welk examen en welke stage op welke manier voor welk vak zal gebeuren. Voor vak X gebeurt de evaluatie bijvoorbeeld aan de hand van een mondeling examen. Als instelling kun je daar niet zomaar van afwijken, maar de procedure om dat te wijzigen is eigenlijk veel te lang om dat in deze periode rond te krijgen. Om die reden voorzien we in dit voorstel van decreet dat die aanpassing vrij flexibel kan gebeuren in het examenreglement van de instellingen, weliswaar – en dat wil ik toch wel benadrukken – uiteraard altijd in overleg met studentenvertegenwoordiging. Dat kunnen de geëigende organen zijn, dat kan iets zijn dat ad hoc samengeroepen is, dat kan in sommige studierichtingen zeer individueel met de student zelf zijn, als het over bepaalde stages gaat[29].

11. Het Nooddecreet bepaalt thans dat een hogeronderwijsinstelling voor het academiejaar 2019-2020 de evaluatie of deliberatie van een student voor een opleidingsonderdeel of voor een opleiding kan uitstellen tot een later ogenblik dan het ogenblik dat is opgenomen in het onderwijs- en examenreglement. Het artikel voegt er als voorwaarden aan toe:

  • als die evaluatie of deliberatie door de impact van COVID-19 niet op het vastgestelde ogenblik kan plaatsvinden, én
  • de instelling daardoor niet tijdig kan oordelen of de student voor het opleidingsonderdeel of de opleiding geslaagd is[30].

12. Het academiejaar 2019-2020 stopt op 30 september 2020, maar de decreetgever wil er toch maximaal voor zorgen dat studenten twee zittijden voor elk vak hebben. Om dat te doen, kan het zijn dat examens en deliberaties na 30 september 2020 moeten gebeuren bij wijze van uitzondering. Dat zal niet de norm worden. Hogeronderwijsinstellingen kunnen niet zomaar voorbij die 30 september 2020 gaan.  Maar daardoor moeten studenten niet opnieuw inschrijven in een nieuw academiejaar, want dan zouden ze opnieuw studiegeld moeten betalen en leerkrediet moeten inzetten. Dit gebeurt door overmacht, maar de decreetgever wenste dit decretaal te veranderen[31].

13. De hogeronderwijsinstelling legt vooraf vast op welk ogenblik de uitgestelde evaluatie of deliberatie zal plaatsvinden. De uitgestelde evaluatie of deliberatie kan in uitzonderlijke gevallen plaatsvinden op een datum die na het beëindigen van het academiejaar 2019-2020 valt[32].

Bij de maatregelen die de hogeronderwijsinstellingen nemen om de organisatorische impact van COVID-19 op onderwijs- en evaluatieactiviteiten te regelen, is een van de uitgangspunten geweest dat studieduurverlenging zo veel mogelijk moet worden vermeden. Het blijft de bedoeling dat de studenten kunnen afstuderen tijdens dit academiejaar, zodat ze niet opnieuw leerkrediet moeten inzetten of inschrijvingsgeld moeten betalen in het volgende academiejaar als bepaalde stu- dieactiviteiten bijvoorbeeld pas in oktober kunnen plaatsvinden. Bijzondere aandacht gaat daarbij uit naar opleidingsonderdelen die moeilijk te organiseren blijken tijdens de periode van afstandsonderwijs. Het gaat dan om werkplekleren, stages, praktijkonderwijs en andere activiteiten die essentieel zijn in het licht van de opleidingsdoelen, maar die de student nog niet (of nauwelijks) aangevat heeft.

Hogeronderwijsinstellingen kunnen dat probleem ondervangen door de academische kalender aan te passen, en de onderwijs- en examenperiode voor bepaalde studenten eventueel langer open te houden. De einddatum daarvoor is thans uiterlijk 30 september, gelet op de decretale omschrijving van het begrip academiejaar. Aangezien in het academiejaar 2019-2020 niet aan alle studenten de garantie kan worden geboden dat ze op de laatste dag van het lopende academiejaar het gemiste onderdeel al hebben kunnen inhalen en om te vermijden dat die studenten zich dan voor dat opleidingsonderdeel opnieuw tijdens het volgende academiejaar moeten inschrijven of dat ze niet kunnen afstuderen, wordt in het voorliggende voorstel van decreet ook bepaald dat de evaluatie en deliberatie kunnen worden uitgesteld. Die latere datum kan in uitzonderlijke omstandigheden ook na het einde van het academiejaar vallen.

Voor bepaalde opleidingsonderdelen, waaronder sommige stages, zijn bepalingen van andere bestuursniveaus van toepassing, bijvoorbeeld Europese richtlijnen, federale wetten, koninklijke besluiten enzovoort. Er zal met die bestuursniveaus contact worden opgenomen om de studiecontinuïteit van de studenten van die opleidingen, hun diplomering en de toegang tot het beroep te vrijwaren. Vervol- gens moet worden nagegaan of de decretale grond in de Codex Hoger Onderwijs toereikend zijn om de beoogde doelen te bereiken[33].

14. Als de hogeronderwijsinstelling beslist om de evaluatie of deliberatie uit te stellen overeenkomstig de bepalingen van het eerste en tweede lid, worden de algemene voorwaarden van de toetredingsovereenkomst daaraan aangepast, op voorwaarde dat de studentenvertegenwoordiging op een van de volgende wijzen wordt geraadpleegd:

1° via de studentenraad;

2° via een vorm van studentenvertegenwoordiging op opleidings-, faculteits- of

departementsniveau waarover de studentenraad geraadpleegd werd;

3° via de individuele student[34].

Om rekening te houden met de langere studieduurtijd wordt in dat geval de toetredingsovereenkomst tussen de student en de hogeronderwijsinstelling aangepast, op voorwaarde dat studentenparticipatie gegarandeerd is en dat de student daarvan zo snel mogelijk en voldoende tijd vooraf op de hoogte werd gebracht. Die studentenparticipatie kan worden georganiseerd op de wijze die is bepaald in de Codex Hoger Onderwijs, via het daartoe georganiseerde bestaande overleg of op een voor deze COVID-19-situatie geëigende manier, ofwel op opleidings-, faculteits- of departementsniveau, ofwel via de individuele student[35].

15. Studenten van wie de evaluatie of deliberatie door de impact van COVID-19 op een later tijdstip plaatsheeft dan het tijdstip dat is bepaald in het onderwijs- en examenreglement, dat van toepassing was op 13 maart 2020, en van wie daardoor het diploma op een later tijdstip wordt uitgereikt, worden, als ze slagen, toch geproclameerd op de vastgestelde proclamatiedatum[36].

Studenten die door de maatregelen later dan gepland worden geëvalueerd of gedelibereerd en die daardoor hun diploma ook later ontvangen, kunnen toch de oorspronkelijke datum van hun diploma behouden. Als ze slagen in een uitgestelde eerste of tweede examenperiode, staat op hun diploma toch de datum van de oorspronkelijke proclamatie zonder uitstel.

Om het gelijkheidsbeginsel tussen studenten te respecteren moet er immers worden vermeden dat een student onnodig nadeel ondervindt van het achteruitschuiven van de evaluatie of deliberatie. Dat is bijvoorbeeld voor toekomstige advocaten belangrijk, omdat de datum van hun diploma hun plaats op het tableau beïnvloedt en een latere datum van diplomering dus automatisch een verdere plaats op het tableau betekent[37]. Ook voor de toegang tot de masteropleiding in de specialistische geneeskunde kan die datum belangrijk zijn[38].

16. De startdatum voor het lopen van de beroepsprocedure blijft uiteraard wel behouden op de dag na de reële proclamatiedatum, met toepassing van artikel II.283 en artikel II.294, §1, van de Codex Hoger Onderwijs. Het is evident dat de beroepstermijn niet retroactief ingaat.

Coronamaatregel 2: eenzijdig wijzigen toetredingsovereenkomsten.

17. Als tweede maatregel wordt bepaald dat kan worden afgeweken van de regel dat het studiecontract of de toetredingsovereenkomst slechts mits instemming van de student kan wijzigen. De hogeronderwijsinstelling kan die eenzijdig wijzigen in het kader van de maatregelen die ze uitwerkt om de impact van COVID-19 op de organisatie van de onderwijs- en evaluatieactiviteiten op te vangen[39].

18. De regeling dat slechts kan afgeweken worden mits instemming gaat uit van de hypothese dat wijzigingen in de loop van het academiejaar maar in uitzonderlijke gevallen zullen voorkomen. Door de COVID-19-pandemie zal de situatie voor het academiejaar 2019-2020 evenwel drastisch afwijken van die hypothese. Hogeronderwijsinstellingen moeten hun onderwijs- en examenactiviteiten structureel aanpassen om het academiejaar kwaliteitsvol georganiseerd te krijgen.

19. De opgelegde overheidsmaatregelen vanaf 13 maart 2020 dwingen de instellingen ertoe afstandsonderwijs te organiseren, zodat de gezondheid van hun studenten en personeel kan worden gewaarborgd. Dat afstandsonderwijs heeft automatisch ook een impact op de evaluatieactiviteiten, in eerste instantie voor werkplekleren, stages, practica, werkcolleges en andere vormen van permanente evaluatie. Maar ook voor gewone hoorcolleges kunnen de gewijzigde onderwijsvormen leiden tot gewijzigde evaluatievormen om de betrouwbaarheid en validiteit van de examens te kunnen waarborgen. Ten slotte dwingt ook het voorzorgsbeginsel de hogeronderwijsinstellingen tot een andere organisatie van de examenperiodes om de opgelegde ‘social distancing’-maatregel te kunnen toepassen. Op grond van het continuïteitsbeginsel moeten de examens kunnen plaatsvinden, maar de noodzakelijke voorzorgen om de volksgezondheid te waarborgen vereisen dat dit in gewijzigde vorm gebeurt, bijvoorbeeld door ervoor te zorgen dat in de aula’s de ‘social distancing’ kan worden gegarandeerd.

Hogeronderwijsinstellingen zijn zich daarop intern aan het voorbereiden door een aangepaste procedure uit te werken voor de interne besluitvorming over wijzigingen aan de onderwijs- en examenreglementen en de ECTS-fiches. Met dit artikel wordt dan ook geregeld dat een hogeronderwijsinstelling tijdens het academiejaar 2019-2020 eenzijdig de toetredingsovereenkomst met de student kan wijzigen in het kader van de bijzondere maatregelen die ze moet uitwerken om de impact van het coronavirus op de organisatie van onderwijs- en evaluatieactiviteiten op te vangen.

20. Een hogeronderwijsinstelling kan de maatregelen voor bepaalde groepen van studenten differentiëren als ze op basis van objectieve criteria kan aantonen dat de genomen maatregelen een verschillende impact hebben op die groepen studenten[40].

Hierdoor wordt geregeld dat de instelling de maatregelen kan differentiëren voor bepaalde groepen van studenten, met als uitgangspunt dat de studenten gelijk worden behandeld. Studenten die zich in normale omstandigheden op het einde van het academiejaar in vergelijkbare situaties zouden hebben bevonden, kunnen nu in fundamenteel verschillende situaties zitten. Zo zullen bepaalde studenten hun stage al volledig of grotendeels afgerond hebben, terwijl andere studenten nog moeten starten met hun stage. Om die reden kan het noodzakelijk zijn om de voorgestelde organisatieregels te differentiëren tussen groepen van studenten die hetzelfde opleidingsonderdeel of dezelfde opleiding volgen. Een ander voorbeeld gaat over groepen van buitenlandse studenten die door de COVID-19-maatregelen tijdens de examenperiode niet fysiek in België aanwezig zullen zijn, tegenover studenten die wel fysiek op de campus aanwezig kunnen zijn om de examens af te leggen. Wel is het belangrijk dat de instelling die differentiatie op basis van objectieve criteria kan motiveren[41].

21. Deze maatregelen mogen geen afbreuk doen aan het recht van een student op twee examenkansen in de loop van het academiejaar voor ieder opleidingsonderdeel, tenzij de aard van het opleidingsonderdeel naar aanleiding van de dringende maatregelen om de verspreiding van COVID-19 te beperken niet langer toelaat dat tweemaal wordt geëxamineerd voor het einde van het lopende, in voorkomend geval verlengde academiejaar 2019-2020. De hogeronderwijsinstelling motiveert die afwijking[42].

Bij het nemen van de maatregelen wordt er steeds naar gestreefd om studieduur- verlenging te vermijden. De tweede-examenkans van de studenten blijft gegarandeerd, tenzij de aard van het opleidingsonderdeel naar aanleiding van de dringende maatregelen om de verspreiding van COVID-19 te beperken niet langer toelaat dat tweemaal wordt geëxamineerd voor het einde van lopende, eventueel verlengde academiejaar. Die uitzondering op een tweede examenkans kan dus alleen in zeer uitzonderlijke gevallen. De instelling moet die uitzondering dan ook grondig motiveren en ze moet aantonen dat ze alle kansen heeft benut om gebruik te maken van de mogelijkheid om de examenvorm te wijzigen en buiten de vastgestelde examenperiodes te evalueren[43].

22. Bij het nemen van de maatregelen wordt er steeds naar gestreefd om studieduurverlenging te vermijden. Aan de maatregelen zijn ook een aantal voorwaarden gekoppeld.

1°  de hogeronderwijsinstelling raadpleegt een studentenvertegenwoordiging op een van de volgende wijzen:

  1. via de studentenraad;
  2. via een vorm van studentenvertegenwoordiging op opleidings- of faculteits- of departementsniveau waarover de studentenraad geraadpleegd werd;
  3. via de individuele student;

2°  de hogeronderwijsinstelling brengt de studenten eenduidig en tijdig op de hoogte van de maatregelen via een platform dat permanent raadpleegbaar is;

3°  de hogeronderwijsinstelling waakt erover dat deze maatregelen worden ingevoerd en dat er eenduidig en transparant over wordt gecommuniceerd[44].

Die eenzijdige wijziging is maw. alleen mogelijk op voorwaarde dat studentenparticipatie gegarandeerd is. Die studentenparticipatie kan worden georganiseerd via het overleg dat is bepaald in de Codex Hoger Onderwijs of op een geëigende manier in overleg met de studentenraad om snel te kunnen overgaan tot een nieuwe planning van de examenperiodes. Een afstemming met de individuele student blijft ook mogelijk en kan bijvoorbeeld voldoende zijn in geval van een voortijdig afgebroken stage[45].

Bij het nemen van de maatregelen wordt er steeds naar gestreefd om studieduurverlenging te vermijden. De hogeronderwijsinstellingen toetsen de aanpassingen af met de meest aan gewezen studentengeleding of met de betrokken individuele student, zoals hierboven al is uitgelegd.

De instellingen brengen de studenten tijdig van de aanpassingen op de hoogte zodat ze hun studeergedrag daarop kunnen afstemmen. De communicatie met de studenten verloopt via een permanent raadpleegbaar platform, zoals de digitale elektronische platformen die nu al worden gebruikt. Het is belangrijk dat die communicatie bovendien eenduidig en tijdig is.

De instellingen waken erover dat de maatregelen worden ingevoerd, en vooral dat er eenduidig en transparant met de student over wordt gecommuniceerd. Ze stellen daarvoor een of meer personen aan, desgewenst per departement, faculteit, opleiding of ander niveau, om rechtsonzekerheid te vermijden en de onderwijskwaliteit te waarborgen[46].

23. Door het nooddecreet wordt louter een extra mogelijkheid geboden, die zowel voor modeltrajecten als voor geïndividualiseerde trajecten kan worden toegepast. Daarbij wordt de mogelijkheid gegeven om, ofwel na raadpleging van de meest aangewezen studentengeleding, ofwel in overleg met de individuele student, een afwijking toe te staan. Samen met de studentenvertegenwoordigers moeten de instellingen zoeken naar een procedure en werkwijze waarbij op een praktische en flexibele manier naar oplossingen wordt gezocht, met respect voor de rechten en plichten van de betrokkenen[47].

Coronamaatregel 3: Master-na-masteropleiding Geneeskunde.

24. Universiteiten kunnen de wegings- en selectiecriteria van het bekwaamheidsonderzoek voor de toelating tot de master-na-masteropleiding in het studiegebied Geneeskunde[48], wijzigen voor het academiejaar 2019-2020 om de gelijke behandeling van studenten te waarborgen[49].

25. De selectie van studenten uit de derde fase van de masteropleiding in de geneeskunde voor een vervolgopleiding in een specialistische discipline past een bekwaamheidsonderzoek toe. De criteria die gebruikt worden voor de selectie en de weging van die selectiecriteria worden vooraf aan de masterstudenten bekendgemaakt. Het gaat daarbij onder andere om een combinatie van disciplinespecifieke criteria en criteria vanuit de master in de geneeskunde. Dat wil zeggen dat er niet alleen opleidingsonderdelen uit de master in de geneeskunde als selectiegrondslag gebruikt kunnen worden, maar ook selectiecriteria die losstaan van de opleidingsonderdelen uit de masteropleiding (bijvoorbeeld een interview). De impact van COVID-19 op die laatste selectiecriteria, alsook de weging van de selectiecriteria ten opzichte van elkaar, worden bijgevolg nog niet volledig afgedekt door de rest van het Nooddecreet.

De betrokken instellingen van hoger onderwijs streven ernaar de gelijkheid tussen de studenten zo maximaal mogelijk te waarborgen, aangezien studenten voor de selectie in een specialistische discipline elkaars concurrenten zijn. Dat impliceert dat een lichte wijziging van de gehanteerde selectiecriteria of van de weging ervan in het eindtotaal, zich opdringt als een vergelijking tussen studenten onvoldoende mogelijk is. Zo hebben zowel stagemeesters als studenten gemeld dat verdiepingsstages atypisch verlopen, zowel voor de taakinhoud als voor de rotatie over verschillende subdisciplines en de organisatie van de supervisie, en dat dit sterk wisselt tussen verschillende coassistenten. Aan de moeilijkheid om een gelijkwaardig bekwaamheidsexamen tussen de studenten te organiseren voor die verdiepingsstages, kan dan geremedieerd worden door het gewicht van die stages in de totale weging van alle selectiecriteria enigszins in te perken ten voordele van die disciplinespecifieke selectiecriteria die niet geïmpacteerd zijn door de COVID-19-maatregelen. Het  artikel 4 wordt dan ook opgenomen om elke rechtsonzekerheid uit te sluiten[50].

Coronamaatregel 4: inwerkingtreding.

26. Het Nooddecreet treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad[51].

Die afwijking van de wettelijke termijn van tien dagen na de bekendmaking van het decreet in het Belgisch Staatsblad is nodig opdat de hogeronderwijsinstellingen zo snel mogelijk kunnen inspelen op de bijzondere situatie die veroorzaakt wordt door COVID-19[52].

Hetgeen (nog) niet geregeld werd.

27. Voor bepaalde opleidingsonderdelen, waaronder sommige stages, zijn bepalingen van andere bestuursniveaus van toepassing, bijvoorbeeld Europese richtlijnen, federale wetten, koninklijke besluiten enzovoort. Er zal met die bestuursniveaus contact worden opgenomen om de studiecontinuïteit van de studenten van die opleidingen, hun diplomering en de toegang tot het beroep te vrijwaren. Vervolgens moet worden nagegaan of de decretale grond in de Codex Hoger Onderwijs toereikend zijn om de beoogde doelen te bereiken[53]. Bepaalde stages, zoals in de verpleegkunde, zijn geregeld door Europese richtlijnen en federale Koninklijke Besluiten. Dat kan niet gewijzigd worden door de Vlaamse decreetgever. Daar zal dus nog overleg over moeten worden gepleegd[54].

28. Er zijn geen verdere concrete maatregelen om de sociale ongelijkheid, die door de coronacrisis zal toenemen, omwille van allerhande verschillen in hoe mensen ermee om kunnen gaan, aan te pakken. Middelen en tijd voor studenten die het moeilijk hebben, die in de problemen komen door afstandsonderwijs. Extra begeleiding, gratis onlinebijlessen, financiële steun aan studenten, enz. [55]

29. Verder is er een impact op het  jeugdwerk, als die eerste zittijd inderdaad zou opschuiven en waarbij heel veel studenten onmisbaar zijn voor alle jeugdkampen, speelpleinwerkingen enz. in de zomer[56].

Lees hier het originele artikel

[1] Decr.Vl.Parl. van XXX over maatregelen in het hoger onderwijs voor het academiejaar 2019-2020 als gevolg van de coronacrisis, B.S., XX april 2020, hierna genoemd “Nooddecreet”. Zie             Gedr.st., Vl.Parl., 2019-2020, nr. 265/2. Parl.Hand., Vl.Parl., 15 april 2020.

[2] Gedr.st., Vl.Parl., 2019-2020, nr. 265/1.

[3] Parl.Hand., Vl.Parl., 15 april 2020.

[4] Art. I. 3, 1° Codex Hoger Onderwijs.

[5] Art. I. 3, 18° Codex Hoger Onderwijs.

[6] Art. I. 3, 20° Codex Hoger Onderwijs.

[7] Art. I. 3, 24° Codex Hoger Onderwijs.

[8] Art. I. 3, 49° Codex Hoger Onderwijs.

[9] Art. I. 3, 69° Codex Hoger Onderwijs.

[10] Art. I. 3, 70° Codex Hoger Onderwijs.

[11] Art. II. 199 Codex Hoger Onderwijs.

[12] Art. II. 273 §1 Codex Hoger Onderwijs.

[13] Art. II. 273 §2 Codex Hoger Onderwijs.

[14] Art. II. 200 §2 Codex Hoger Onderwijs.

[15] Art. II. 201 §1, 4° Codex Hoger Onderwijs.

[16] Art. II. 201 §1, 8° Codex Hoger Onderwijs.

[17] Art. II. 201 §2, 4° Codex Hoger Onderwijs.

[18] Art. II. 201 §2, 8° Codex Hoger Onderwijs.

[19] Art. II. 201 §3 Codex Hoger Onderwijs.

[20] Art. II. 202 Codex Hoger Onderwijs.

[21] Art. II. 220 Codex Hoger Onderwijs.

[22] Art. II. 221 §1 Codex Hoger Onderwijs.

[23] Art. II. 222 Codex Hoger Onderwijs.

[24] Art. II. 222, 2° Codex Hoger Onderwijs

[25] Art. II. 222, 10° Codex Hoger Onderwijs

[26] Art. II. 222, 11° Codex Hoger Onderwijs

[27] Art. II. 223 Codex Hoger Onderwijs

[28] Art. II. 228 Codex Hoger Onderwijs

[29] Parl.Hand., Vl.Parl., 15 april 2020.

[30] Art. 2, eerste lid, Nooddecreet.

[31] Parl.Hand., Vl.Parl., 15 april 2020.

[32] Art. 2, tweede lid, Nooddecreet.

[33] Gedr.st., Vl.Parl., 2019-2020, nr. 265/1, pag. 3-4.

[34] Art. 2, derde lid, Nooddecreet.

[35] Gedr.st., Vl.Parl., 2019-2020, nr. 265/1, pag. 4.

[36] Art. 2, vierde lid, Nooddecreet.

[37] “De oudste gaat voor op de jongste. Dat is blijkbaar zo geregeld.” Parl.Hand., Vl.Parl., 15 april 2020.

[38] Gedr.st., Vl.Parl., 2019-2020, nr. 265/1, pag. 4-5.

[39] Art. 3, eerste lid, Nooddecreet.

[40] Art. 3, tweede lid, Nooddecreet.

[41] Gedr.st., Vl.Parl., 2019-2020, nr. 265/1, pag. 6.

[42] Art. 3, derde lid, Nooddecreet.

[43] Gedr.st., Vl.Parl., 2019-2020, nr. 265/1, pag. 6.

[44] Art. 3, vierde lid, Nooddecreet.

[45] Gedr.st., Vl.Parl., 2019-2020, nr. 265/1, pag. 5-6.

[46] Gedr.st., Vl.Parl., 2019-2020, nr. 265/1, pag. 6.

[47] Gedr.st., Vl.Parl., 2019-2020, nr. 265/1, pag. 5-6.

[48] Art. II. 90 Codex Hoger onderwijs:

  • 1 Het instellingsbestuur kan bepalen dat de inschrijving voor sommige masteropleidingen, verder “master-na-masteropleidingen” genoemd, enkel rechtstreeks openstaat voor personen die reeds in het bezit zijn van een diploma van een masteropleiding.

Het instellingsbestuur kan de toelating tot een master-na-masteropleiding beperken tot afgestudeerden van masteropleidingen met specifieke opleidingskenmerken.

  • 2 Op grond van paragraaf 1, tweede lid, wijst het instellingsbestuur voor elke master-na-masteropleiding ten minste 1 masteropleiding aan waarop die master-na-masteropleiding rechtstreeks volgt. Het instellingsbestuur kan de inschrijving wel afhankelijk maken van een onderzoek naar de bekwaamheid van de student om de master-na-masteropleiding te volgen. Een instelling kan in het studiegebied Geneeskunde daarenboven het aantal inschrijvingen voor een master-na-masteropleiding, rekening houdend met de resultaten van het bekwaamheidsonderzoek, kwantitatief beperken in relatie tot de beschikbare opleidingscapaciteit, waarbij steeds wordt gewerkt op basis van objectieve parameters. Het instellingsbestuur legt de bijkomende inschrijvingsvoorwaarden vast in haar onderwijsreglement, conform artikel II.221, § 1, 5°, b). De beperking van het aantal inschrijvingen in een bepaalde master-na-masteropleiding kan er niet toe leiden dat een student na het behalen van het diploma van master in de geneeskunde geen enkele master-na-masteropleiding in het studiegebied Geneeskunde kan aanvatten.

[49] Art. 4 Nooddecreet.

[50] Gedr.st., Vl.Parl., 2019-2020, nr. 265/1, pag. 6-7.

[51] Art. 5 Nooddecreet.

[52] Gedr.st., Vl.Parl., 2019-2020, nr. 265/1, pag. 7.

[53] Gedr.st., Vl.Parl., 2019-2020, nr. 265/1, pag. 3-4.

[54] Parl.Hand., Vl.Parl., 15 april 2020.

[55] Parl.Hand., Vl.Parl., 15 april 2020.

[56] Parl.Hand., Vl.Parl., 15 april 2020.