Summer Deal
‘Soft kills & Legal English’

3 webinars on demand

Summer Deal
‘Vennootschappen & Verenigingen’

7 webinars on demand

Summer Deal
‘Insolventie & Faillissement’

8 webinars on demand

De VZW als instrument anno 2022

Webinar on demand

Voordeelpakket
‘Vennootschapsrecht’

5 Webinars on demand

Contracteren met rechtspersonen

Webinar on demand

VVPRbis na omvorming vennootschap: minister is streng (De Broeck Van Laere & Partners)

Auteur: De Broeck Van Laere & Partners

Ondanks de afschaffing van het (fiscale) minimumkapitaal in de VVPRbis-regeling (15% roerende voorheffing voor dividenden) op 1 mei 2019, leken bestaande vennootschappen vast te blijven hangen aan die voorwaarde. Zelfs een omvorming tot een ander vennootschapstype zou daar volgens de minister niets aan veranderen.

Onder het zogenaamde VVPRbis-regime kunnen uitgekeerde dividenden voordelig belast worden aan 15% of 20% roerende voorheffing in plaats van aan de volle 30% (VVPR = verlaagde voorheffing/précompte réduit). De dividenden moeten dan wel betrekking hebben op aandelen van kleine vennootschappen die verworven zijn met nieuwe inbrengen in geld vanaf 1 juli 2013. Vóór 1 mei 2019 moesten de betreffende vennootschappen bovendien een kapitaal hebben van ten minste 18.550 euro. Maar die voorwaarde is in 2019 geschrapt om de fiscale regelgeving af te stemmen op het nieuwe vennootschapsrecht, waarin immers ook geen minimumkapitaal meer opgelegd wordt (behalve voor NV’s).

“Historische” voorwaarden werken door

In de praktijk was het echter niet zo duidelijk waar men aan toe was door de wetswijziging. De fiscus lijkt er in de context van de VVPRbis-regeling in elk geval van uit te gaan dat men het statuut van het kapitaal “historisch” moet bekijken. Met andere woorden: voor een oprichting of een inbreng van vóór 1 mei 2019 moet nog altijd de voorwaarde van een (fiscaal) minimumkapitaal vervuld zijn. Op het moment van de historische inbreng (vóór 1 mei 2019) is als het ware een engagement aangegaan om, in ruil voor het VVPRbis-voordeel, bepaalde voorwaarden te vervullen, zoals een (volstort) minimumkapitaal, en de fiscus lijkt dus te verwachten dat men zich houdt aan dat engagement, ook na de wetswijziging van 2019. Praktisch gesproken: een vóór 1 mei 2019 opgerichte vennootschap met een effectief kapitaal van minder dan 18.550 euro, blijft ook na de wetswijziging uitgesloten van het VVPRbis-regime.

Sommigen dachten nochtans een oplossing gevonden te hebben. Als de vennootschap omgevormd wordt naar een ander vennootschapstype, dan zou dat kunnen gelden als een nieuwe oprichting en een nieuwe inbreng. Dan zou men meteen “verlost” zijn van de historische verplichting tot een kapitaal van 18.550 euro en zou het niet meer nodig zijn om bij te storten tot die oude minimumdrempel om VVPRbis te kunnen toepassen.

Omvorming als oplossing?

Neem het voorbeeld van een commanditaire vennootschap die opgericht is in 2015, met een kapitaal van 2.000 euro. Op dat moment is het VVPRbis-regime dus uitgesloten. Op 17 oktober 2020 wordt de vennootschap omgevormd tot een BV. Kan zij dan (na de wachttermijn) dividenden uitkeren aan 15%?

Het antwoord van de minister is kort en bondig: nee. In het beschreven geval voldoet de vennootschap niet aan de voorwaarden voor het gunststelsel, zegt hij. Louter de omvorming volstaat niet om aan de voorwaarden te voldoen.

Wet nog maar eens aangepast

Het standpunt van de minister lijkt in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever. Met ingang van 1 januari 2022 is de VVPRbis-regeling immers opnieuw herschreven. En daarbij was het uitgangspunt dat de “historische” voorwaarden blijvend gerespecteerd moeten worden (zie ons artikel “VVPRbis: volstorten is (blijft) de boodschap”). Volgens de minister doet dus zelfs een omvorming naar een ander vennootschapstype daar geen afbreuk aan.

Maar de vraag blijft of dat strenge standpunt te rijmen valt met de nieuwe wettekst. Daarin is immers op geen enkele wijze een verwijzing naar “historische” voorwaarden opgenomen.

Bron: Parlementaire Vraag van W. Vermeersch van 20 januari 2022, (p. 151-152)

Bron: De Broeck Van Laere & Partners