De subsidiaire aanslag in hoofde van de vereffenaar na de ontbinding en de vereffening van een vennootschap (Everest)

Auteurs: Alexander Delafonteyne en Floor Dhondt (Everest)

In het vereffeningsproces van een vennootschap is het de taak van de vereffenaar om de vennootschap in kwestie in gereedheid te brengen voor de nakende afsluiting. Na afloop van de vereffening houdt de vennootschap op te bestaan, en kan in haar hoofde niet langer een geldige aanslag worden gevestigd. Een aanslag dient vanaf dat moment steeds in hoofde van de vereffenaar ingekohierd te worden.

Vóórdat artikel 357 WIB in 2019 gewijzigd werd, beschikte de fiscus niet over de mogelijkheid om een aanslag die foutief op naam van de vennootschap ingekohierd werd, subsidiair te hernemen in hoofde van de vereffenaar. Sinds voornoemde  wetswijziging kan door de fiscus in voorkomend geval wél een zogenaamde subsidiaire aanslag worden gevestigd in hoofde van de vereffenaar.

De aansprakelijkheid van de vereffenaar na de sluiting vereffening

Wanneer een vennootschap ontbonden wordt, wordt ze geacht voort te bestaan tot aan de sluiting van de vereffening. Tijdens de ontbinding kan de fiscus zonder problemen een aanslag vestigen op naam van de vennootschap zoals voorheen.

De vereffenaar neemt de taken over van de vereffende vennootschap en is gedurende vijf jaar na de sluiting van de vereffening aansprakelijk jegens de vennootschap voor wat betreft de uitvoering van zijn taak (de realisatie van het actief, de samenstelling van het passief en de aanzuivering van het passief met de opbrengst van de realisatie van het actief).

Als de fiscus na het afsluiten van de vereffening nog aanspraken heeft op de vennootschap (bijvoorbeeld een fiscale schuld) dan kan zij aldus gedurende 5 jaar na de bekendmaking van de afsluiting van de vereffening de vereffenaar daarvoor nog aanspreken.

Gedurende die periode beschikt de ontbonden vennootschap immers nog over een zogenaamde passieve rechtspersoonlijkheid.[1] Na de sluiting van de vereffening behoudt de vennootschap voornoemde passieve rechtspersoonlijkheid  enkel en alleen om in de persoon van haar vereffenaars gedurende een periode van vijf jaar, te rekenen vanaf de bekendmaking van de sluiting van de vereffening, in rechte te kunnen worden aangesproken.

Gedurende voornoemde vijfjarige periode kan de fiscus aldus geen geldige aanslag meer vestigen in hoofde van de vennootschap. Doet zij dit toch, dan zal de aanslag zoals gezegd, nietig zijn.[2]  Het feit dat de rechtspersoonlijkheid van de vereffende vennootschap ‘passief’ is, verhindert niet dat de vereffenaar de aanslag nog kan betwisten (via een bezwaarschrift of voor de rechtbank).[3]

Subsidiaire aanslag in hoofde van de vereffenaar

Indien de Rechtbank een aanslag vernietigt (indien de rechter de aanslag geheel of gedeeltelijk nietig heeft verklaard wegens andere redenen dan de verjaring), kan de administratie binnen een termijn van zes maanden, een zogenaamde subsidiaire aanslag aan het oordeel van de rechter voorleggen.[4]

Zo’n subsidiaire aanslag wordt in de regel steeds gevestigd op naam van dezelfde belastingschuldige en op grond van alle of een deel van dezelfde belastingelementen als de initiële aanslag en kon in voornoemde situatie – waarbij de aanslag verkeerdelijk gevestigd werd op naam van de vennootschap – geen soelaas bieden. De subsidiaire aanslag zou immers gevestigd moeten worden “ten name van dezelfde belastingschuldige” en zou aldus weer nietig zijn.

In het licht van het voorgaande wijst het laatste lid van artikel 357 WIB, sinds de inwerkingtreding van artikel 19 van de wet van 2 mei 2019[5], ook de vereffenaar als een met de belastingplichtige gelijkgestelde aan. Sindsdien kan de fiscus, nadat een aanslag op naam van de vennootschap vernietigd werd, nog een zogenaamde subsidiaire aanslag vestigen op naam van de vereffenaars of de personen die ten aanzien van derden als vereffenaars van rechtswege beschouwd worden.[6] Een persoonlijke vordering tegenover de vereffenaar doet de subsidiaire aanslag evenwel niét ontstaan.

Met andere woorden, ingevolge voornoemde wetswijziging kan de fiscale administratie voortaan een geldige subsidiaire aanslag op naam van de vereffenaar voorleggen aan de rechter die de initiële belastingaanslag heeft vernietigd omdat hij ten onrechte ten kohiere werd gebracht op naam van de vereffende vennootschap.[7] Als geen vereffenaars worden aangeduid, worden de bestuurders als vereffenaars van rechtswege beschouwd. In dat geval zal de nieuwe of subsidiaire aanslag op hun naam worden gevestigd.[8]

Terugwerkende kracht

De gewijzigde wetgeving is niet enkel van toepassing in het geval waarin de rechter na 25 mei 2019 een belastingaanslag nietig verklaart omdat hij ten kohiere was gebracht op naam van een vereffende vennootschap, maar ook in hangende gedingen waarin de fiscale rechter de initiële belastingaanslag reeds vóór 25 mei 2019 had vernietigd maar waarin de in artikel 356 WIB’92 bedoelde termijn van 6 maanden voor het vestigen van een subsidiaire aanslag nog liep.[9] In zoverre de bestreden bepaling van toepassing is in procedures waarin de rechter na 25 mei 2019 de initiële belastingaanslag vernietigt omdat deze ten kohiere was gebracht op naam van de vereffende vennootschap, heeft de bepaling geen terugwerkende kracht.

Conclusie

Voornoemde wetswijziging biedt de fiscus een bijkomend vangnet wanneer een aanslag ten onrechte op naam van de vennootschap werd gevestigd na het afsluiten van de vereffening.  Als een aanslag op naam van de vennootschap vernietigd wordt, heeft de fiscus voortaan steeds de mogelijkheid om in hoofde van de vereffenaar tot een subsidiaire aanslag over te gaan.

Bron: Everest