Inbreng van een onroerend goed in een maatschap: registratierechten verschuldigd? Voorafgaande Beslissing Vlabel 30 maart 2020 (LegalNews.be)

Auteur: LegalNews.be

Publicatiedatum: 08/04/2020

Voorgenomen verrichting

De heer X en mevrouw Z, gehuwd onder het wettelijk stelsel der gemeenschap, krachtens huwelijkscontract, hebben het voornemen om ieder hun onverdeelde helft in een onroerend goed in te brengen in een reeds bestaande maatschap.

Zowel de heer X als mevrouw Z zullen in ruil voor hun inbreng nieuwe aandelen ontvangen in de maatschap en dit in verhouding tot hetgeen zij ieder inbrengen.

De aandelen die toekomen aan de heer X zullen in zijn eigen vermogen vallen bij wijze van wederbelegging.

Beslissing

Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:

Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad. De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten op burgerlijk vlak.

Evenmin doet de Vlaamse Belastingdienst uitspraak over federale bepalingen zoals bijvoorbeeld over de registratie van akten.

Krachtens art. 3, 6° van de Bijzondere Financieringswet is het Vlaamse Gewest bevoegd voor overdrachten ten bezwarende titel van in België gelegen onroerende goederen met uitsluiting van de overdrachten die het gevolg zijn van een inbreng in een vennootschap behalve voor zover het een inbreng betreft door een natuurlijk persoon van een woning in een Belgische vennootschap.

Een maatschap is een vennootschap zoals bepaald in boek 4 van het WVV.

Voor de fiscale behandeling van de inbreng is de aard van de in de vennootschap in te brengen onroerende goederen doorslaggevend.

Een zuivere inbreng door een natuurlijke persoon van een woning in een Belgische vennootschap, valt binnen de toepassing van het verkooprecht (onroerende goederen) of van de schenkbelasting (roerende of onroerende goederen), naar gelang van de bedoeling van de partijen (overdracht onder bezwarende dan wel onder kosteloze titel).

Bij een zuivere inbreng van een woning in een maatschap dient vervolgens het onderscheid gemaakt te worden tussen een al dan niet eigendomsoverdragende inbreng om uit te maken of er Vlaamse registratiebelasting verschuldigd is. Een maatschap is immers een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid (art. 1:5, §1, WVV). Concreet betekent dit dat de burgerlijke maatschap geen afgescheiden vermogen heeft en dat aldus de achterliggende maten vanuit juridisch oogpunt kunnen worden beschouwd als (onverdeeld) eigenaar van het onroerend goed.

Wanneer de zuivere inbreng in de maatschap betrekking heeft op een niet voor bewoning bestemd onroerend goed, zoals in casu, is er geen Vlaamse registratiebelasting verschuldigd, ongeacht of er bij die inbreng al dan niet een eigendomsoverdracht plaatsvindt.

Deze beslissing heeft alleen betrekking op de registratiebelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.

Lees hier de op 7 april 2020 gepubliceerde beslissing