De nieuwe ondernemingsdefinitie in het Wetsontwerp houdende hervorming van het ondernemingsrecht (LegalNews.be)

Auteur: LegalNews.be

Publicatiedatum: 18/12/2017

Op 7 december 2017 werd het Wetsontwerp houdende hervorming van het ondernemingsrecht ingediend in de Kamer van Volksvertegenwoordigers. De voornaamste doelstelling van het ontwerp bestaat erin een nieuwe definitie van de onderneming op een coherentere wijze te omschrijven en een einde te maken aan problemen die verband houden met het bestaande ondernemingsbegrip. Deze nieuwe algemene definitie zal als aanknopingspunt dienen voor de bevoegdheid van de ondernemingsrechtbank (de voormalige rechtbank van koophandel), het ondernemingsbewijs (het huidig handelsbewijs), het insolventierecht (boek XX van het WER) en de bepalingen met betrekking tot de KBO en de boekhoudkundige verplichtingen.

Wat valt er onder de nieuwe algemene ondernemingsdefinitie?

1. Iedere natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent.

De Memorie van Toelichting licht toe: ‘bij wijze van voorbeeld kan hier worden gedacht aan natuurlijke personen die handelaars, ambachtsmannen, vrij beroepers of bestuurders van vennootschappen zijn. Ook duurzame activiteiten in het kader van de deeleconomie worden door de definitie gevat in de mate dat ze een beroepsactiviteit uitmaken. In de mate een activiteit in de deeleconomie bestaat uit een netwerk dat vraag en aanbod bij elkaar brengt om onderbenutte goederen en diensten te ontsluiten en dat hieruit geen inkomen uit wordt nagestreefd, zal er geen sprake zijn van een beroepsactiviteit, en dus ook niet van een onderneming.”

en “Anderzijds is het belangrijk te onderstrepen dat niet elke activiteit van een natuurlijke persoon onder het ondernemingsbegrip moet vallen. Zo kan een activiteit die louter kadert in het normale beheer van het persoonlijk vermogen van een natuurlijke persoon niet onder het ondernemingsbegrip vallen. In die zin wordt de loutere inschrijving op, verwerving van of aanhouden van aandelen, effecten of deelbewijzen in een vennootschap met rechtspersoonlijkheid door een natuurlijke persoon vermoed te kaderen in het normale beheer van zijn persoonlijk vermogen.”

2. Iedere rechtspersoon, met uitzondering van publiekrechtelijke rechtspersonen die geen goederen of diensten aanbieden op een markt.

Voor privaatrechtelijke rechtspersonen is aldus de statutaire of feitelijke activiteit niet relevant voor de kwalificatie als onderneming. Volgens de Memorie van Toelichting is “Wel nieuw dat andere privaatrechtelijke rechtspersonen, zoals verenigingen en stichtingen, eveneens als onderneming moeten worden gekwalificeerd, ook indien ze geen economisch doel nastreven. Dit is verantwoord omdat deze organisaties, ongeacht hun activiteiten, wegens hun vorm met rechtspersoonlijkheid een structuur vormen met soms verregaande gevolgen voor derden (bv. afgescheiden vermogen, niet-aansprakelijkheid van leden of “capital lock-in”). De vorm en de derdenwerkende gevolgen daarvan verantwoorden de toepassing van regels zoals het insolventierecht of publiciteit. Deze regels veronderstellen en induceren een zekere vorm van professionalisering en zijn erop gericht om derden (zoals schuldeisers, werknemers of het publiek) te informeren en te beschermen.” “Voor publiekrechtelijke rechtspersonen is het uitgangspunt dat ze niet als een onderneming worden gekwalificeerd. Van dit uitgangspunt wordt afgeweken voor publiekrechtelijke rechtspersonen die goederen of diensten aanbieden op een markt. Omdat ze deelnemen aan het economische leven en in concurrentie treden met privaatrechtelijke actoren, is het verantwoord dat ze principieel aan dezelfde regels als privaatrechtelijke ondernemingen worden onderworpen.”

3. Iedere andere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid.

Volgens de Memorie van Toelichting wordt daarbij “in de eerste plaats gedacht aan de maatschap of andere vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid. Het “for profit” karakter van deze vormen verantwoordt dat door de toepassing van regels van het ondernemingsrecht een professionalisering wordt opgelegd die derden beschermt. Andere organisaties zonder rechtspersoonlijkheid kunnen buitenlandse vormen zijn die drager zijn van eigen rechten en verplichtingen en als dusdanig deelnemen aan het rechtsverkeer. Voorbeelden hiervan zijn een trust of een handelszaak met een afgescheiden vermogen en/of beperkte aansprakelijkheid, maar zonder rechtspersoonlijkheid. Indien zulke vorm bv. het centrum van zijn voornaamste belangen in België heeft, is het verantwoord deze vorm aan het Belgisch insolventierecht te onderwerpen.”

Waarom vallen de verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid niet onder de nieuwe algemene ondernemingsdefinitie?

De definitie van onderneming omvat niet de verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid (zgn. “feitelijke vereniging”). De Memorie van Toelichting motiveert dit als volgt: “Deze organisaties missen zowel de rechtspersoonlijkheid als de aanwezigheid van uitkeringen of een uitkeringsoogmerk die determinerend zijn om een organisatie aan de algemene ondernemingsdefinitie te onderwerpen. Het belangrijkste kenmerk dat een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid onderscheidt van een maatschap bestaat erin dat zij haar eventuele winst niet mag uitkeren. Een vereniging mag dus winst nastreven om haar voorwerp te verwezenlijken en zonder subsidies of nieuwe financiële injecties vanwege leden te overleven. Een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid die haar winst uitkeert zal wel als een onderneming beschouwd. Wordt ook als een onderneming beschouwd: een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid die vermomde uitkeringen doet i.e. alle waardeoverdrachten tussen de vereniging, de leden of de leiders ervan in het kader van verrichtingen die niet tegen marktvoorwaarden zouden worden gerealiseerd. Een vereniging kan uiteraard wel haar vermogen en winsten aanwenden om haar voorwerp te verwezenlijken, en meer bepaald om schenkingen of giften te verrichten of om de leden onrechtstreekse vermogensvoordelen toe te kennen, zonder dat dit leidt tot de kwalificatie als onderneming. Zo kan een sportvereniging haar leden toelaten sportfaciliteiten die haar eigendom zijn, gratis of tegen een gunstige prijs te gebruiken, kan een toneelvereniging leden of derden gratis toegang tot toneelvoorstellingen geven, kan een vereniging die zich op medische zorgen toelegt deze zorgen gratis verlenen of korting geven aan leden. Andere voorbeelden zijn: juridisch en ander advies van een patronale vereniging aan haar leden, de uitdeling van maaltijden tegen geringe kostprijs aan daklozen, giften aan minderbedeelde personen, de organisatie van vakanties aan kinderen van het personeel, toekenning van studiebeurzen. Leidt wel tot een kwalificatie als onderneming: alle overdrachten met het oog op verrijking van de leden en leiders van de organisatie of zelfs van een derde. Typische voorbeelden van een verboden uitkering zijn buitensporig hoge vergoedingen voor bestuurders, ter beschikking stelling van goederen aan de vereniging door een lid tegen kennelijk niet marktconforme prijzen (bijvoorbeeld huur).”

Het Wetsontwerp houdende hervorming van het ondernemingsrecht leest u hier