Summer Deal
‘Financieel recht’

5 webinars on demand

Summer Deal
‘Vastgoed anno 2022’

5 webinars on demand

Summer Deal
‘Successie en vermogen’

6 webinars on demand

Cryptomunten:
een stand van zaken

Webinar on demand

Consumentenbescherming in de financiële sector

Webinar on demand

Voordeelpakket ‘Successieplanning’

4 webinars on demand

Aftrek kosten woning bestuurder: rechtbank bevestigt de bezoldigingstheorie (ECGB Advocaten)

Auteur: Mark Crommen, Jef Van Eyndhoven en Kim Jans (ECGB Advocaten)

Een vennootschap en haar bestuurder verwerven samen een buitenverblijf aan zee, de vennootschap voor het vruchtgebruik en de bestuurder voor de naakte eigendom. De vennootschap stelt deze woning geheel en onafgebroken ter beschikking van haar bestuurder, tevens enig aandeelhouder, en rekent hiervoor een voordeel van alle aard aan dat zij rapporteert op de individuele loonfiche. De bestuurder wordt in de personenbelasting belast op dit voordeel van alle aard wegens de kosteloze beschikking over de woning (artikel 18, §3 KB/WIB 1992).

De vennootschap brengt de kosten die verband houden met het vruchtgebruik van deze woning in aftrek als beroepskost. De fiscale Administratie weigert de aftrek van deze kosten omdat niet zou zijn aangetoond dat de kosten voldoen aan de aftrekvoorwaarden van artikel 49 WIB 1992 en met name niet zouden zijn gemaakt met het oog op het realiseren of behouden van beroepsinkomsten.

De ‘bezoldigingstheorie’ houdt in dat de kosten die een vennootschap maakt voor de toekenning van bezoldigingen, inclusief voordelen van alle aard (zoals de kosteloze beschikking over een woning), aan haar bestuurder in principe als beroepskosten aftrekbaar zijn. ‘In principe’, want voor de aftrek wordt door de rechtspraak vereist dat de kosten aan werkelijke prestaties beantwoorden. Met andere woorden, het bewijs dient te worden geleverd dat de kosten de tegenprestatie vormen voor het werk dat de bestuurder ten behoeve van de vennootschap heeft verricht.

ECGB Advocaten kon de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent (Rb. Gent 28 juni 2022, nr. 20/3288/A) overtuigen dat het toekennen van het voordeel van alle aard, bestaande in de terbeschikkingstelling van de woning, een bezoldiging uitmaakt in hoofde van de bestuurder en dat deze de tegenprestatie vormt voor werkelijk door de bestuurder geleverde prestaties. Aldus aanvaardt de Rechtbank dat de daarmee verband houdende kosten aftrekbaar zijn als beroepskost in hoofde van de vennootschap, nu aan bedrijfsleiders toegekende bezoldigingen in principe aftrekbaar zijn als beroepskost (artikel 52 WIB 1992).

De Rechtbank stelt onder meer vast, dat de verslagen van de algemene vergadering van de vennootschap uitdrukkelijk vermelden dat de bezoldiging aan de bestuurder bestaat uit een vaste vergoeding aangevuld met voordelen in natura, waarna deze voordelen in detail worden vermeld. De verslagen vermelden bijkomend dat de aldus vastgestelde bezoldiging de vergoeding inhoudt van de geleverde prestaties van de bestuurder en dat de bezoldiging, inclusief de voordelen in natura, jaarlijks zal worden geëvalueerd op basis van de werkelijke prestaties van de bestuurder en de toekomstperspectieven.

In deze omstandigheden acht de Rechtbank het bewezen dat er een voldoende causaal verband bestaat tussen de toegekende voordelen van alle aard en het bezoldigend karakter ervan. Zij leidt dit af uit :
(1) de voormelde verslagen van de algemene vergadering;
(2) de individuele loonfiche met vermelding van het genoten voordeel van alle aard;
(3) het wettelijk mechanisme en attractiebeginsel, zoals dat voortvloeit uit de artikelen 31 en 32 WIB 1992;
(4) en de economische evidentie dat de vennootschap haar bestuurder op een kostenefficiënte wijze wenst te vergoeden voor de (enkel) door haar gegenereerde omzet.

Aldus blijkt opnieuw het belang van een goed gedocumenteerde bezoldigingspolitiek en in het bijzonder van een verantwoording in het jaarverslag voor de aanvaarding van de bezoldigingstheorie.

Tot slot merkt de Rechtbank nog terecht op dat het noch aan de vennootschap, noch aan haar bestuurder ten kwade kan worden geduid dat zij kiezen voor de toekenning van een voordeel waarbij de forfaitaire waardering van het genoten voordeel in hoofde van de bestuurder leidt tot een belastbare grondslag die (veel) lager is dan de kosten die de vennootschap moet maken om het voordeel te kunnen toekennen. Die discrepantie vloeit immers voort uit “het mechanisme van de wet en de keuze van de wetgever”.

Bron: ECGB Advocaten