Plaatsing van overheidsopdrachten: voorbehouden opdrachten. Hof van Justitie C-598/19, 6 oktober 2021 (Equator)

Auteur: Steven Van Garsse (Equator)

Artikel 20, lid 1, van richtlijn 2014/24/EU moet aldus worden uitgelegd dat het er niet aan in de weg staat dat een lidstaat aanvullende voorwaarden oplegt naast de in die bepaling gestelde voorwaarden, en daarmee bepaalde ondernemers die aan de voorwaarden van die bepaling voldoen, uitsluit van procedures voor het plaatsen van voorbehouden overheidsopdrachten, mits die lidstaat de beginselen van gelijke behandeling en evenredigheid in acht neemt.

Artikel 20, lid 1 moet aldus worden uitgelegd dat de daarin genoemde voorwaarden niet limitatief zijn en dat het de lidstaten vrijstaat om in voorkomend geval aanvullende voorwaarden op te leggen waaraan de in die bepaling bedoelde organisaties moeten voldoen om te mogen deelnemen aan procedures voor de gunning van voorbehouden overheidsopdrachten.

Niettemin moet worden opgemerkt dat de lidstaten, wanneer zij gebruikmaken van deze mogelijkheid, de fundamentele regels van het VWEU in acht moeten nemen, met name het vrije verkeer van goederen, de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten, alsmede de daaruit voortvloeiende beginselen, zoals gelijke behandeling en evenredigheid, die overigens in artikel 18 van richtlijn 2014/24 tot uitdrukking komen.

De verwijzende rechter zal dus moeten nagaan of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling met deze beginselen in overeenstemming is voor zover zij verlangt dat de bijzondere arbeidscentra in het kader van de in artikel 20, lid 1, van richtlijn 2014/24 bedoelde procedures voor het plaatsen van voorbehouden overheidsopdrachten, ten eerste, steun krijgen van of direct of indirect voor meer dan 50 % in handen zijn van non-profitorganisaties en, ten tweede, hun winst volledig herinvesteren in hun eigen vestiging of in een ander soortgelijk centrum.

Lees hier het arrest van het Hof van Justitie van 6 oktober 2021