Overheidsopdrachten: 10 knelpunten onder de loep – Een analyse aan de hand van recente rechtspraak

Webinar op 2 juni 2022

Privaat versus publiek bouwrecht

Webinar on demand

Publiek- en privaatrechtelijke overeenkomsten

Webinar on demand

Contracten anno 2021

Webinar on demand

Overheidsopdrachten: 3 praktijkgerichte topics

3 Webinars on demand

Legal English

Webinar on demand

Miskenning van meldingsplicht van beroepsmogelijkheden bij overheidsopdrachten leidt enkel tot verlenging van termijnen in vernietigingsprocedures, niet in procedures bij UDN (Publius)

Auteur: Dirk Van Heuven (Publius)

Dit is alvast het oordeel van de Raad van State in een belangwekkend arrest nr. 252.946 van 10 februari 2022, uitgesproken bij uiterst dringende noodzakelijkheid:

‘ Artikel 9/1 van de rechtsbeschermingswet luidt:

‘1. De aanbestedende instantie doet onmiddellijk de in de artikelen 7, 8 en 9 bedoelde mededelingen per fax, per e-mail of via de elektronische platformen bedoeld in artikel 14, § 7, van de wet inzake overheidsopdrachten of de elektronische communicatiemiddelen bedoeld in artikel 32 van de wet betreffende de concessies en, dezelfde dag, per aangetekende zending.

§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde mededelingen bevatten de rechtsmiddelen, de termijnen ervan en de bevoegde instanties en dit minstens via een uitdrukkelijke verwijzing naar de artikelen 14, 15, 23 en 24.

Indien deze gegevens ontbreken, neemt de in artikel 23, § 2, bedoelde termijn voor het instellen van het verhaal tot vernietiging, een aanvang vier maanden nadat de gemotiveerde beslissing is meegedeeld’.

(…) 

Ter terechtzitting wijst de verzoekende partij op artikel 9/1 van de rechtsbeschermingswet. Zij betwist niet dat zij de bestreden beslissing zowel met een e-mailbericht als met een aangetekende brief heeft ontvangen en dat zij haar vordering buiten de termijn van vijftien dagen te rekenen van de mededeling heeft ingediend, doch zij wijst erop dat de vermelding inzake de beroepsmogelijkheden, die door artikel 9/1, § 2, eerste lid, is opgelegd, ontbrak.

Uit dit ontbreken vloeit volgens de verzoekende partij voort dat haar vordering tijdig is. Immers, weliswaar is artikel 9/1, § 2, tweede lid, van deze wet enkel van toepassing op vernietigingsberoepen doch, zo de beroepsmogelijkheden niet zijn vermeld, is volgens haar de termijn van vijftien dagen om een schorsingsvordering in te stellen, niet van toepassing. Minstens, zo betoogt zij, is artikel 9/1, § 2, tweede lid, ongrondwettig aangezien het een discriminerend onderscheid maakt tussen burgers die een vernietigingsberoep dan wel een schorsingsvordering indienen.

8. De verzoekende partij kan niet worden bijgevallen om de volgende redenen.

De wetgever heeft blijkbaar bewust geopteerd om slechts inzake vernietigingsberoepen bij het niet-vermelden van de beroepsmogelijkheden in een bijzondere termijnregeling te voorzien. Dit blijkt genoegzaam uit het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State bij het voorontwerp van wet en de memorie van toelichting bij het ontwerp van wet die hebben geleid tot de rechtsbeschermingswet.

In het advies van de afdeling Wetgeving (Parl.St. Kamer 2016-2017, 2168/001, p. 90) wordt vermeld:

“Op de vraag of het ontbreken van gegevens in de zin van het ontworpen artikel 9/1, § 2, tweede lid, van de wet, gevolgen kan hebben voor de aanvang van andere termijnen die in artikel 23 van de wet worden vermeld dan die van artikel 23, § 2, […] antwoordde de gemachtigde:

‘La possibilité d’attacher une sanction au non-respect de cette obligation de communication en distinguant chaque recours (suspension, annulation, dommages et intérêts, …) a été examinée.

La conclusion a été que cela risquait, d’une part, de rendre les recours en dommages et intérêts, les déclarations de nullité et les sanctions alternatives ‘éternels’ et d’autre part, de poser problème au regard du délai d’attente. La disposition est dès lors limitée au droit commun, prévu par l’article 19 des LCCE, qui dispose qu’en l’absence d’indication des voies de recours, le délai de recours de 60 jours pour l’introduction d’un recours en annulation est prolongé de 4 mois, en l’étendant toutefois, à des fins d’uniformisation, aux autorités adjudicatrices qui ne sont pas des autorités administratives.’

Het verdient aanbeveling om deze verduidelijkingen in de memorie van toelichting te integreren.”

In de memorie van toelichting (Parl.St. Kamer 2016-2017, 2168/001, p. 18) wordt vermeld:

“Volgens paragraaf 2 van deze nieuwe bepaling moet de mededeling voortaan de rechtsmiddelen tegen de meegedeelde gemotiveerde beslissingen vermelden, alsook de termijnen ervan en de bevoegde instanties en dit voor alle aanbestedende instanties, ongeacht of ze al dan niet administratieve overheden zijn, d.w.z. dat de Raad van State of de rechtbank van eerste aanleg bevoegd is voor de verhaalprocedures. Zo dienen de aanbestedende instanties erop te wijzen dat het mogelijk is om verhaal tot schorsing en tot vernietiging in te stellen en de verjaringstermijnen ervan en de bevoegde instanties te vermelden. Ze moeten geen verdere details geven, maar, voor het overige, uitdrukkelijk verwijzen naar de artikelen van deze wet die deze verhaalprocedures regelen, d.w.z. de artikelen 14 en 15, 23 en 24 van dezelfde wet. De aanbestedende instantie is niet verplicht te bepalen welke rechter bevoegd is, aangezien alleen de rechter bij wie het verhaal aanhangig wordt gemaakt hierover uitspraak kan doen.

Als de mededeling deze vermeldingen niet bevat, wordt de termijn van 60 dagen voor het instellen van verhaal tot vernietiging (en enkel deze termijn voor deze verhaalprocedure) met 4 maanden verlengd. Aanvankelijk werd overwogen om een sanctie te verbinden aan de niet-naleving van deze mededelingsplicht voor elk soort verhaal (schorsing, vernietiging, schadevergoeding, onverbindendverklaring, …). Deze denkpiste werd evenwel niet gevolgd, enerzijds, omdat ze de verhaalprocedures tot schadevergoeding, nietigverklaringen en alternatieve sancties eindeloos zou rekken en, anderzijds, omdat ze problemen zou opleveren met de wachttermijn.”

Aangezien de wetgever ervoor heeft geopteerd om in artikel 9/1, § 2, tweede lid, van de rechtsbeschermingswet slechts bij vernietigingsberoepen in een bijzondere termijnregeling te voorzien in het geval dat de aanbestedende overheid nalaat de beroepsmogelijkheden bij de mededeling te vermelden inzonderheid opdat de aan de aanbestedende overheid opgelegde wachttermijn en de termijn waarbinnen een schorsingsvordering kan worden ingediend, gelijktijdig zouden verlopen, lijkt de verzoekende partij niet op goede gronden te kunnen beweren dat de termijn van vijftien dagen vanaf de mededeling van de beslissing om een schorsingsvordering in te dienen niet van toepassing is. 

In de mate dat de verzoekende partij een met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel strijdige behandeling ontwaart in artikel 9/1, § 2, tweede lid, van de rechtsbeschermingswet tussen burgers die een vernietigingsberoep dan wel een schorsingsvordering indienen en verzoekt om hierover een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof, kan zij evenmin worden bijgevallen.

Overeenkomstig artikel 26, § 3, van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989, ‘op het Grondwettelijk Hof’ is de Raad van State, behalve wanneer ernstige twijfel bestaat over de verenigbaarheid van een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel met een van de in § 1 bedoelde regels of artikelen van de Grondwet en geen vraag of beroep met hetzelfde onderwerp bij het Hof aanhangig is, in het geval de vordering spoedeisend is, er niet toe gehouden een prejudiciële vraag te stellen. De verzoekende partij toont te dezen de vereiste ernstige twijfel niet overtuigend aan, alleen reeds omdat de wetgever het onderscheid in behandeling omstandig heeft beargumenteerd zoals hiervoor blijkt en zoals ook blijkt uit de verklaring van de minister in haar inleidende uiteenzetting tijdens de bespreking van het voormelde wetsontwerp in de bevoegde kamercommissie (Parl.St. Kamer 2016-2017, 2168/001, p. 6 tot 8). Evenmin heeft de Raad van State, afdeling Wetgeving, in zijn advies hierbij een voorbehoud geformuleerd.

De vordering is niet tijdig ingesteld en wordt verworpen’.

Bron: Publius