>>>Een 1ste toepassingsgeval uit de nieuwe B2B-wet: het misbruik van economische afhankelijkheid door een onderneming (Sirius Legal)

Een 1ste toepassingsgeval uit de nieuwe B2B-wet: het misbruik van economische afhankelijkheid door een onderneming (Sirius Legal)

Auteur: Michiel Beutels (Sirius Legal)

Publicatiedatum: 20/01/2021

In 2019 werden er belangrijke wetswijzigingen aangekondigd voor de ondernemingswereld. Met de wet van 4 april 2019 (de nieuwe “B2B wet”) is er een nieuw wettelijk kader ontstaan voor:

  • misbruiken van economische afhankelijkheid door ondernemingen,
  • oneerlijke marktpraktijken tussen ondernemingen en
  • onrechtmatige bedingen in overeenkomsten tussen ondernemingen.

De eerste set van regels van de nieuwe B2B wet, die gaat over misbruiken van economische afhankelijkheid door ondernemingen, is sinds 22 augustus 2020 van toepassing.

Op 28 oktober 2020 heeft de voorzitter van de ondernemingsrechtbank te Gent een eerste keer die wetgeving moeten toepassen en een stakingsbevel met dwangsom opgelegd aan een leverancier van kinderkleding. De veroordeelde onderneming weigerde namelijk haar contractspartij te beleveren. De voorzitter van de ondernemingsrechtbank oordeelde dat die weigering in dit concrete geval een misbruik van economische afhankelijkheid uitmaakte. 

Naast de bespreking van deze boeiende uitspraak verwijzen we ook naar onze handige matrix van onrechtmatige bedingen, een ander belangrijk onderdeel van de nieuwe B2B wet, die je gratis kan downloaden op onze website. In onze matrix vind je per type beding een omschrijving, het relevante wetsartikel en een concreet voorbeeld om het meteen praktijkgericht te maken. 

Misbruik van economische afhankelijkheid: wat is dat precies?

Op basis van die nieuwe wetgeving is het verboden om misbruik te maken van een positie van economische afhankelijkheid waarin één of meerdere ondernemingen zich bevindt, waardoor de concurrentie kan worden aangetast op de betrokken Belgische markt of op een substantieel deel daarvan.

Er moeten drie vereisten vervuld zijn voordat het verbod van toepassing is:

  • het bestaan van een positie van economische afhankelijkheid van een of meerdere ondernemingen; 
  • van die positie moet(en) de dominerende onderneming(en) misbruik maken;
  • als gevolg van dat misbruik kan de concurrentie worden aangetast op de betrokken Belgische markt of een substantieel deel ervan.

Het kan onder meer gaan over de volgende toepassingsgevallen:

  • het weigeren van een verkoop, een aankoop of van andere transactievoorwaarden;
  • het rechtstreeks of onrechtstreeks opleggen van onredelijke aan- of verkoopprijzen of van andere onredelijke contractuele voorwaarden;
  • het beperken van de productie, de afzet of de technische ontwikkeling van producten ten nadele van de verbruikers (bijvoorbeeld het weigeren om updates uit te voeren op software, terwijl dat in het verleden wel periodiek werd gedaan);
  • het toepassen van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties (bijvoorbeeld het systematisch aanrekenen van hogere verkoopprijzen bij één concrete contractspartij in vergelijking met andere afnemers, voor dezelfde producten);
  • het afhankelijk stellen van het sluiten van overeenkomsten van het aanvaarden door de contractspartij van bijkomende prestaties, die geen verband houden met het onderwerp van die overeenkomsten.
De feiten van de zaak in het eerste toepassingsgeval van de nieuwe B2B-wet

De zaak voor de ondernemingsrechtbank te Gent had betrekking op een leverancier van onder andere kinderkleding. De onderneming verzorgde ook het ontwerp en de productie van die goederen. De leverancier weigerde plots om zijn producten verder aan een detailhandelaar te leveren, en maakte meer algemeen ook een einde aan de commerciële relatie met de detailhandelaar. De kledij maakte nochtans deel uit van de wintercollectie van de detailhandelaar.

Voor de detailhandelaar betekende het niet leveren van de wintercollectie en de beëindiging van de overeenkomst zo goed als het einde van zijn onderneming, die van nature natuurlijk seizoensgebonden is. Hij voerde dan ook aan dat de houding van de leverancier een inbreuk vormde op het nieuwe verbod op misbruik van economische afhankelijkheid (naast het algemeen verbod op oneerlijke marktpraktijken uit de nieuwe B2B-wet) en stelde een stakingsvordering in. De leverancier stelde anderzijds dat de weigering gerechtvaardigd was omdat de detailhandelaar een aanzienlijke betalingsachterstand had.

Wat was het oordeel van de rechtbank?

De voorzitter van de ondernemingsrechtbank te Gent oordeelde om te beginnen dat er sprake was van een economische afhankelijkheid, aangezien de detailhandelaar niet in staat zou zijn geweest om op zo’n korte termijn een andere leverancier en collectie te vinden. In deze specifieke sector (de modedetailhandel) moeten bestellingen en leveringen voor een seizoenscollectie lang genoeg op voorhand worden gedaan. 

Er was volgens de voorzitter van de ondernemingsrechtbank te Gent niet enkel een economische afhankelijkheid, de leverancier maakte ook misbruik van die economische afhankelijkheid.

De leverancier wist zeer goed dat de detailhandelaar niet in staat zou zijn geweest om op zo’n korte termijn alternatieven te vinden. De leverancier had de detailhandelaar trouwens tot aan de leveringsweigering de indruk gegeven dat de leveringen zouden plaatsvinden, bijvoorbeeld door het overhandigen van promotiemateriaal met betrekking tot de wintercollectie. De voorzitter van de ondernemingsrechtbank te Gent stelde daardoor zelfs dat de leverancier te kwader trouw had gehandeld.

Het argument dat de detailhandelaar een betalingsachterstand had kon de voorzitter van de ondernemingsrechtbank te Gent ook niet overtuigen, aangezien de leverancier al lang voor de leveringsweigering op de hoogte was van de financiële situatie van de detailhandelaar.

Tot slot bleek de leverancier een achterliggende strategie te hebben om onafhankelijke detailhandelaren uit de markt te drukken, aangezien de leverancier rechtstreeks aan de consument wenste te verkopen.

Vervolgens oordeelde de voorzitter van de ondernemingsrechtbank te Gent op basis van onder meer die elementen dat de leverancier de economische afhankelijkheid van de detailhandelaar had misbruikt, en beval de staking ervan onder verbeurte van een dwangsom. De leverancier werd met andere woorden verplicht om de detailhandelaar terug te beleveren.

Lees hier het originele artikel

2021-01-25T10:26:33+00:00 25 januari 2021|Categories: Handelsrecht|Tags: , |