Drafting agreements in English: mastering the consequences

Webinar op 11 mei 2023

Schenkingen:
een analyse na 2022

Webinar op 7 maart 2023

Het verbintenissenrecht
anno 2023:
12 actuele kernvragen
(Incl. handboek)

Webinar op 7 februari 2023

Appartementsrecht :
een update in het licht van recente evoluties
(Incl. ‘Handboek Goederenrecht’)

Webinar op 10 februari 2023

Valse contracten? Kanttekeningen inzake contracten en simulatie in fiscalibus

Webinar op 25 mei 2023

De webshop juridisch doorgelicht

Webinar on demand

Het leven wordt duurder: wie betaalt de prijs? (Everest Advocaten)

Auteurs: Lore Huyghe en Myriem El-Kaddouri (Everest Advocaten)

We kunnen er niet meer omheen: het leven wordt alsmaar duurder. Niet enkel de gas-, energie-, en benzineprijzen swingen de pan uit, maar ook de grondstofprijzen en prijzen van bouwmaterialen zijn haast niet meer bij te houden.

De wereldwijde impact van de Covid-19 pandemie, de oorlog in Oekraïne, de sancties tegen Rusland, de dreigende klimaatwijzigingen… zorgen voor alsmaar meer onvoorspelbare evoluties in de markt hetgeen zich uit in extreme prijsfluctuaties. Deze wijzigingen zijn voor iedereen voelbaar, ook voor ondernemingen.

Kunt u hier als onderneming op anticiperen? Mogen de prijzen zomaar worden aangepast nadat de offerte of het contract werd ondertekend? Is de opdrachtgever dan nog gehouden het contract verder uit te voeren?

In wat volgt gaan wij dieper in op dit brandend actuele topic, zowel in B2B als in B2C context.

Algemeen

Vooreerst is de prijs een essentieel onderdeel van de overeenkomst, voor zowel de opdrachtgever als voor de opdrachtnemer. Vaak is de prijs het doorslaggevend element om met de ene of de andere partij te contracteren.

Essentiële onderdelen van een overeenkomst kunnen niet zomaar eenzijdig worden gewijzigd gedurende de overeenkomst. Indien de overeenkomst geen clausule voorziet die prijswijzigingen opvangt, is een wijziging verboden. Dit geldt zowel in B2B als in B2C context. Uiteraard kunnen partijen in onderlinge overeenstemming wel altijd wijzigingen aanbrengen aan de overeenkomst, maar waarom zou een contractspartij meer willen betalen dan oorspronkelijk afgesproken?

Om aan deze problematiek tegemoet te komen, wordt de mogelijkheid tot prijswijziging tijdens de uitvoering van de overeenkomst alsmaar meer contractueel voorzien. Evenwel zijn er ook in dit geval wettelijke beperkingen van toepassing.

B2C

Bij contracten van bepaalde duur is het steeds verboden voor de onderneming om eenzijdig de prijs te wijzigen ten nadele van de consument op basis van elementen die enkel afhankelijk zijn van haar wil. Een prijswijzigingsbeding is in dit geval dus niet geldig.

Bij contracten van onbepaalde duur is een prijswijzigingsbeding wel toegelaten mits de consument binnen een redelijke termijn kosteloos en zonder enige schadevergoeding de overeenkomst kan beëindigen.

Bijzondere wetgeving voorziet in nog strengere bepalingen inzake prijswijzigingen voor specifieke gevallen: denk aan de wet Breyne (koop op plan), de wetgeving inzake consumentenkrediet en betalingsdiensten.

Een indexeringsclausule is wel steeds toegelaten indien deze niet onwettig is. Verboden is bijvoorbeeld een indexering gekoppeld aan een onofficiële index of een gebrek aan bepaling van de wijze waarop de prijzen worden aangepast, of een indexering die valt onder art. 52 van de wet betreffende economische herstelmaatregelen van 30 maart 1976.

B2B

Ook in B2B context voorziet de wetgever in een beperking op de contractsvrijheid als het om eenzijdige prijswijzigingen gaat.

Het beding dat er toe strekt de onderneming het recht te verlenen zonder geldige reden de prijs eenzijdig te wijzigen, is immers opgenomen in de grijze lijst van de onrechtmatige bedingen in ondernemingscontracten.

Dit betekent dat dergelijke bepalingen verboden en nietig zijn, behoudens tegenbewijs dat het contractuele evenwicht niet geschonden is

Indien er dus een ‘geldige reden’ is voor de prijswijziging, kan het beding wel rechtsgeldig zijn. Een geldige reden is een objectieve verantwoording van de prijsstijging, met andere woorden niet willekeurig of discretionair.

Ook hier dient verder rekening gehouden te worden met de wet van 30 maart 1976.

Opvallend is dat de Memorie van Toelichting bij de B2B-wet bepaalt dat een kosteloos opzegrecht geen voldoende tegenwicht vormt voor het opnemen van een eenzijdig prijswijzigingsbeding, waar dit in B2C-context wel voldoende is.

Enkele concrete tips/aanbevelingen bij het sluiten van een overeenkomst:

 

  • Een prijswijzigingsbeding wordt bij voorkeur afhankelijk gesteld van concrete en objectieve parameters met uitdrukkelijk akkoord van de klant. Het geniet de voorkeur dit beding als afzonderlijke clausule op te nemen in het contract en niet in algemene bewoordingen op te nemen in de algemene voorwaarden.

De vuistregels ten aanzien van consumenten (en bij uitbreiding ondernemingen) zijn duidelijkheid en begrijpelijkheid: de prijs moet immers bepaald kunnen worden zonder een nieuwe onderhandeling of akkoord.

  • Het opnemen en definiëren van ‘geldige redenen’ (in B2B context). Zo is de uitdrukkelijke wil van de partijen eenvoudig uit het contract af te leiden en wordt het veel eenvoudiger het tegenbewijs te leveren:
    • Welke materialen/grondstoffen/… komen in aanmerking voor prijsstijgingen?
    • Onder welke omstandigheden (oorlog, pandemie,…)?
    • Op welk tijdstip zal er gewijzigd worden?
    • Welke bewijsstukken zijn nodig ter staving van de aanpassing?
    • De verhoogde prijs moet steeds bepaald of bepaalbaar zijn. Bv. Welk percentage van de prijsstijging wordt doorgerekend? Eventueel kan een verdeelsleutel worden opgenomen, bv. 60% van het risico ligt bij de opdrachtnemer, 40% bij de opdrachtgever. Een loutere stijging op basis van de “economische conjunctuur” is te weinig bepaalbaar.
  • Onderneem actie: meld prijsstijgingen schriftelijk en zo concreet mogelijk. Zo kan de aanpak eventueel in gezamenlijk overleg worden gewijzigd.

De realiteit is echter soms anders: de overeenkomst kan al gesloten zijn zonder opname van een objectief prijswijzigingsbeding. Uitzonderlijke en extreme prijsstijgingen (bv. van meer dan 30%) kunnen ertoe leiden dat partijen in een conflict verzeild geraken. Een risicoanalyse leidt soms tot de vaststelling dat de opdrachtnemer er meer bij gebaat is de overeenkomst te verbreken, met betaling van een schadevergoeding, dan het verlies ten gevolge van de stijgende grondstofprijzen integraal te moeten dragen.

Overmacht?

Wat met overmacht? Kan een onderneming zich beroepen op overmacht bij afwezigheid van een prijswijzigingsclausule om alsnog de extreme prijsstijgingen door te rekenen aan de klant of anders: de levering of verdere uitvoering van het contract stop te zetten?

Het antwoord is allerminst eenduidig maar zal in de meeste gevallen negatief zijn.

Overmacht kan contractueel worden voorzien. Is dit niet het geval, stelt zich de vraag of er sprake is van gemeenrechtelijke overmacht. In dit geval moet de nakoming van de verbintenis tijdelijk of definitief onmogelijk worden gemaakt onafhankelijk van de wil van de niet-presterende partij (ofwel: de theorie van de ontoerekenbare onmogelijkheid). Enkel in deze gevallen wordt de niet-presterende partij geheel of gedeeltelijk vrijgesproken van zijn verbintenis.

De ondernemer die geen marge meer haalt op zijn diensten of producten, verkeert niet in een situatie van overmacht: de overeenkomst kan nog steeds worden uitgevoerd ook al verdient de ondernemer er niets meer aan.

Belangrijke kanttekening is dat contracten steeds te goeder trouw moeten worden uitgevoerd (artikel 1134 oud B.W.). Het eisen van een strikte uitvoering van de overeenkomst zou in bepaalde uitzonderlijke omstandigheden mogelijks rechtsmisbruik kunnen uitmaken.

Verkopen met verlies?

Naast overmacht geldt er onder Belgisch recht een verbod op verkopen van goederen met verlies (art. VI. 116 WER). De wet sluit niet uit dat dit verbod onder bepaalde omstandigheden tevens van toepassing kan zijn op diensten (zolang dit in strijd wordt geacht met de eerlijke handelspraktijken, dit blijft evenwel een feitenkwestie).

Dit principe is van openbare orde. Dit heeft als gevolg dat de verkoop met verlies wordt gesanctioneerd met een absolute nietigheid van de overeenkomst.

Het verbod op verkoop met verlies geldt niet:

  • gedurende de soldenperiode,
  • voor goederen die niet lang bewaard kunnen worden,
  • voor goederen die de onderneming ten gevolge van externe omstandigheden redelijkerwijze niet meer kan verkopen tegen een prijs gelijk aan of hoger dan de aankoopprijs ervan (bv. achterhaalde software, gescheurde boeken,…)
  • ten gevolge van dwingende redenen van mededinging.

Extreme prijsstijgingen van grondstoffen en materialen hoort niet onder een van de limitatief opgesomde uitzonderingen.

Het verbod op verkopen met verlies kan aldus toepassing vinden op contracten met als voorwerp de verkoop van goederen (of in bepaalde omstandigheden diensten) waarbij niet voorzien is in een prijswijzigingsclausule. Het moet dan werkelijk gaan om verkopen met een verlies. Een gebrek aan marge of verkopen zonder winst horen hier niet onder.

Voorzichtigheid is geboden. De sanctie van de absolute nietigheid van de overeenkomst leidt immers in beginsel tot een wederzijdse teruggaveplicht, wat concreet betekent dat de koper het goed en de verkoper de hiervoor ontvangen gelden dient terug te geven.

Besluit

Het mag duidelijk zijn dat de gewijzigde marktomstandigheden voor meer en meer onduidelijkheden zorgen.

Een duidelijke en geldige overeenkomst in zowel B2B als B2C is van primordiaal belang.

Indien partijen er niet uit geraken, kan een gedegen risicoanalyse soms uitweg bieden, de theorie van overmacht en het verbod op verkopen met verlies indachtig.

Bron: Everest Advocaten