Gerechtelijke bemiddeling kan sedert 12 juli 2018 ook bevolen worden als niet alle partijen daarmee akkoord zijn (LegalNews.be)

Auteur: LegalNews.be

Publicatiedatum: 25/07/2018

De reden voor deze wijziging wordt uiteengezet in de ‘Memorie van Toelichting’:

De rechter krijgt de mogelijkheid het beroep op bemiddeling op te leggen, ambtshalve of zelfs met akkoord van één partij.

In weerwil van het advies van de Raad van State, wordt deze mogelijkheid gehandhaafd aangezien deze maatregel niet ingaat tegen de aard zelf van de bemiddeling, die vrijwillig is en blijft. Hier legt de rechter de partijen op om hun geschil op te lossen via bemiddeling, maar dwingt hij de partijen niet om zelf tot een bemiddelingsakkoord te komen. Met andere woorden, de beslissing van de rechter heeft enkel betrekking op de verplichting om mee te werken aan een bemiddelingspoging, zonder vooruit te lopen op de duur of de uitkomst ervan. De opdracht van de bemiddelaar zal erin bestaan na te gaan of er wel degelijk bereidheid is om “bemiddeling een kans te geven”.

De vrijheid om in te stemmen met de oplossing van het geschil door bemiddeling blijft behouden; enkel de klemtoon wordt verlegd van het initiatief voor die optie naar de weloverwogen keuze ervoor, gecontroleerd door de bemiddelaar. Of het nu op chronologische wijze is door een bepaling in een contract of door een procedureregel of op voorstel van de rechter, de dwingende context biedt de mogelijkheid kennis te maken met bemiddeling door druk uit te oefenen op de weerstand ertegen. De boogde oplossing plaatst de rechter centraal en voorziet in een filtering door laatstgenoemde, de bemiddeling wordt op geen enkele wijze opgelegd vóór enige aanhangigmaking bij de rechter.

De rechter beschikt nog steeds over een beoordelingsbevoegdheid, die tot uiting komt door het gebruik van het woord “kan”. De partijen doen geen afstand van de waarborg die wordt geboden door artikel 6, § 1, van het EVRM, aangezien zij vrij zijn om het bemiddelingsproces stop te zetten wanneer zij dat willen en om op gelijk welk tijdstip terug naar de rechter te stappen. Overeenkomstig het advies van de Raad van State en teneinde enige overmatige vertraging die het wezen zelf van het recht op het verkrijgen van een rechterlijke oplossing zou aantasten of enige rechtsweigering te voorkomen, kan deze maatregel enkel worden bevolen op de inleidingszitting, op een zitting waarop de zaak wordt verdaagd naar een nabije datum of op een zitting die ten laatste op de laatste dag van de maand die volgt op die van de neerlegging van de conclusies van de verweerder is bepaald.

Bovendien beveelt de rechter deze maatregel enkel als hij van mening is dat een verzoening van de partijen overwogen kan worden in het licht van de elementen van het dossier en na de partijen te hebben gehoord over deze maatregel. Het is tevens de bedoeling te voorkomen dat deze maatregel louter uit vertragingsoverwegingen zou worden aangewend.

Bovendien moet worden opgemerkt dat verschillende landen afwijken van de vrijwillige aard van de bemiddeling (Italië, Duitsland, enz.). Italië stelt bemiddeling overigens verplicht in bepaalde aangelegenheden, zulks vóór enige voorafgaande aanhangigmaking bij de rechter. Ook Frankrijk heeft in bepaalde tribunaux de grande instance een verplichte bemiddelingspoging voorafgaand aan de aanhangigmaking bij de rechter in familiezaken verplicht gesteld (wet nr. 2016-1547 van 18 november 2016).

Het Hof van Justitie van de Europese Unie (arrest C-75/16, 14  juni  2017) heeft onlangs geoordeeld dat richtlijn 2013/11/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende alternatieve beslechting van consumentengeschillen, zich niet verzet tegen een nationale wettelijke regeling die het volgen van een procedure van bemiddeling oplegt als voorwaarde voor de ontvankelijkheid van de vordering in rechte, voor zover die verplichting partijen niet belet hun recht van toegang tot de rechter uit te oefenen. Het Hof bekrachtigt hier een systeem waarbij het volgen van een procedure van bemiddeling als voorwaarde wordt gesteld voor toegang tot een rechter. Een recent arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (Case of Momčilovič v. Croatia, nr. 11239/11, 26 juni 2015) gaat in dezelfde richting.

Dit ontwerp gaat minder ver aangezien het de rechter de zorg toevertrouwt om, al naargelang van het geval, een bemiddeling op te leggen. Die oplossing krijgt dus de voorkeur omdat zij zich ertoe leent om de alternatieve vormen van geschillenoplossing zoveel mogelijk te bevorderen.

Lees hier ‘Titel 9. Diverse wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing’ van de ‘Wet van 18 juni 2018 houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing’