Bewijs door bekentenis: splitsing bekentenis is schending van het (oud) B.W. Cassatie 11.12.2020 (LegalNews)

Auteur: LegalNews

Publicatiedatum: 27/12/2020

Het arrest van het hof van beroep te Gent van 5 februari 2018

De appelrechter oordeelt dat:

  • de meest voor de hand liggende rechtsgrond in de verhouding tussen de vennoot die voor een andere vennoot het kapitaal volgestort heeft, is deze van de lastgeving, waarbij de verweerster hier de lasthebber is;
  • de eiser haar opdracht heeft gegeven het kapitaal te volstorten voor zijn aandeel;
  • de eiser deze opdracht niet alleen nooit heeft betwist, en integendeel argumenteert dat hij zelf de opdracht gaf gelden door te storten, die hij naar eigen zeggen ter beschikking stelde van de verweerster;
  • de eiser niet naar genoegen van recht bewijst dat hij 49.200 euro aan de verweerster ter beschikking heeft gesteld, die zij in zijn opdracht op de vennootschapsrekening moest storten om zijn betalingsverplichting voor de aankoop van 80 pct. van de aandelen van de NV na te komen;
  • uit wat voorafgaat volgt dat de verweerster met eigen gelden de volstortingsplicht van de beide vennoten nagekomen is;
  • minstens niet bewezen is dat het met gelden van of voor de eiser was.
De visie van het Hof van Cassatie

Krachtens artikel 1356, derde lid, Oud Burgerlijk Wetboek mag een bekentenis niet gesplitst worden ten nadele van diegene die ze heeft gedaan.

De erkenning van het bestaan van een verbintenis en van de uitvoering ervan is onsplitsbaar in de zin van die bepaling. Deze onsplitsbaarheid wijzigt de regels van de bewijslast niet.

Overeenkomstig artikel 1315, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek moet diegene die de uitvoering van een verbintenis vordert, het bestaan ervan bewijzen. Indien hij de bekentenis van diegene die zich heeft verbonden als bewijs van het bestaan van de verbintenis inroept, kan hij de in dezelfde bekentenis aangevoerde uitvoering van de verbintenis niet buiten beschouwing laten.

Diegene die zich verbonden heeft dient deze aanvoering die geen exceptie is in de zin van artikel 1315, tweede lid, Oud Burgerlijk Wetboek, niet te bewijzen.

De appelrechter splitst de bekentenis van de eiser en schendt zodoende de artikelen 1315, 1354 en 1356 Oud Burgerlijk Wetboek.

Lees hier het Cassatie-arrest van 11 december 2020