>, HR & recruitment>Vrouwelijke advocaten-vennoten: No Way, Mary? (LegalNews.be)

Vrouwelijke advocaten-vennoten: No Way, Mary? (LegalNews.be)

Auteur: LegalNews.be

Publicatiedatum: 04/08/2018

‘Marie Popelin mag thans wel advocaat zijn, maar mag zij ook partner worden?’

Mr. Rob Valkeneers (advocaat-vennoot Omnius Advocaten) licht toe.

Veruit de meeste vennoten in de Belgische advocatenkantoren zijn (blanke) mannen. Vrouwelijke vennoten blijven nog steeds een grote uitzondering. Het percentage vrouwelijke advocaten-vennoten schommelt allicht rond de 20%, hoewel ik niet beschik over precieze cijfergegevens. Een google-search en een telling bij enkele grote kantoren, levert zelfs een veel minder rooskleurig beeld op (ca. 10% vrouwelijke vennoten/partners).

Ook in de topfuncties binnen de magistratuur blijven vrouwen overigens veeleer een zeldzaam fenomeen, hoewel de magistratuur in zijn geheel inmiddels vrouwelijk kleurt (2018: 54% vrouwelijke magistraten; 1961: 1,4% vrouwelijke magistraten).

Op het niveau van de hoven van beroep en de arbeidshoven blijven vrouwen voorlopig nog in de minderheid.

Op het hoogste niveau is er toch nog enigszins sprake van een mannenbastion. Slechts 20% van de magistraten bij het Hof van Cassatie is een vrouw (het parket bij het Hof van Cassatie bestaat uit 13 leden, waarvan slechts 1 vrouw, wat het gemiddelde wel wat negatief beïnvloedt). Bij de Raad van State zijn er slechts 27% vrouwelijke magistraten (2017) en bij het Grondwettelijk Hof zijn er thans drie vrouwelijke leden (allen in de Nederlandse taalgroep) en geen enkele in de Franstalige taalgroep, zodat daar 25% van de rechters vrouwelijk is.

Nochtans blijkt uit wereldwijd onderzoek (bv. McKinsey) consistent dat bedrijven met een meer (etnisch en gender) gediversifieerde raad van bestuur veel beter presteren. Een rationaliteit die in elk geval ook van toepassing is op advocatenkantoren. Tijd voor bezinning dus.

Juridische discriminatie van vrouwen (in België) tot 1958

De advocatuur was voorheen altijd een ‘mannenbusiness’ geweest, aangezien vrouwen vroeger zelfs niet eens toegelaten werden tot universitaire studies. De poorten van de Belgische universiteiten werden voor vrouwen pas principieel geopend bij de wet van 20 mei 1876.

Marie Popelin behaalde als eerste Belgische vrouw haar rechtendiploma in 1888 en wilde daarna advocaat worden. De procureur-generaal weigerde echter haar eedaflegging (zij was immers een vrouw en een vrouw kon per definitie geen advocaat worden), hoewel de wet eigenlijk niets bepaalde over het ‘gepaste’ geslacht van een advocaat/eedaflegger.

Marie vocht deze beslissing aan, maar zowel het hof van beroep (arrest van 12 december 1888) als het Hof van Cassatie (arrest 11 november 1889) oordeelden dat haar weigering tot het advocatenberoep rechtmatig was en volgden het standpunt van hun respectieve advocaten-generaal.

Deze saga wekte internationale belangstelling en kan als het beginpunt van de vrouwenbeweging in België worden beschouwd.

Pas bij wet van 7 april 1922 (en dus bijna een halve eeuw nadat vrouwen tot de rechtenstudies werden toegelaten) was het dan toch mogelijk voor een vrouw om advocaat te worden, uiteraard mits zij beschikte over de uitdrukkelijke voorafgaande machtiging van haar echtgenoot die zijn toestemming op ieder ogenblik mocht intrekken (in dat geval beschikte de vrouw wel over een rechtsmiddel). Vrouwen konden ook dan evenwel niet zetelen als plaatsvervangend rechter.

(Frankrijk liet vrouwen al tot de balie toe in 1901 en de UK in 1921. In Nederland werd het eerste verzoek van een vrouwelijke juriste tot inschrijving in 1903 gewoon zonder bezwaar aanvaard).

Bij wet van 7 mei 1947 werd de vrouw ook benoembaar als advocaat bij het Hof van Cassatie. Mr. Cecile Draps legde als eerste vrouwelijke advocaat bij het Hof van Cassatie haar eed af op 18 december 1980. Destijds was zij een unicum, thans is (bijna) de helft van de advocaten bij het Hof van Cassatie een vrouw.

De toegang van vrouwen tot de magistratuur (opnieuw mits voorafgaande machtiging van de echtgenoot) werd pas geregeld bij wet van 21 februari 1948, het hevige verzet van procureur-generaal Léo Delwaide bij het hof van beroep te Luik in zijn openingsrede van 27 mei 1946 ten spijt. Diens openingsrede is uitermate grappig indien het fictie zou zijn. Men kan zich niet voorstellen dat een procureur-generaal dergelijke dingen vandaag nog zou verkondigen (en ook in 1946 lokte zijn rede heel wat negatieve commentaar uit). Toch enkele citaten uit diens redevoering die een sfeerbeeld geven van de tijdsgeest:

“Plus faible physiquement, la femme a en plus un lourd handicap du fait des menstrues, de la grossesse et de la ménopause qui augmentent cette infériorité. Mais ces mêmes phénomènes pèsent encore plus lourdement sur ses particularités psychiques.”

“Les autres revers du caractère de la femme, tels le manque de logique, l’entêtement, l’amour du colifichet et de la toilette, etc., découlent des faiblesses fondamentales de la mentalité féminine (…).”

“Il faut que la justice soit sans passion, modérée et sage. Or, cela est congénitalement contraire au tempérament de la femme. (…) La femme est un être subjectif, émotif, passionnel, extrême en tout, se décidant avant tout pour des motifs de sentiment..”

Het Belgische notariaat werd pas voor vrouwen opengesteld bij wet van 30 april 1958. Bij deze wet werd ook eindelijk het patriarchale juk afgeworpen: vrouwen hadden niet langer de voorafgaande toestemming van hun echtgenoot nodig om het beroep van advocaat, rechter of notaris uit te oefenen. In 1958 eindigde dus de juridische discriminatie van de vrouw (op dit punt).

In 2002 werd artikel 11bis van de Grondwet ingevoerd waarbij vrouwen een gelijke toegang tot openbare mandaten werd verzekerd.

Discriminatie in de praktijk?

In 1958 waren weliswaar alle juridische hindernissen voor de vrouw uit de weg geruimd, maar we zijn nu 60 jaar verder en we moeten vaststellen dat vrouwen ook nu nog steeds een relatieve zeldzaamheid blijven binnen de topfuncties van de magistratuur en de zakenwereld. Ook lijken zij binnen de advocatuur te botsen op een glazen plafond. Deze vaststelling is toch ietwat verontrustend en, gelet op het aanzienlijke tijdsverloop, ook enigszins pijnlijk.

Hoewel de beperkte pool van afgestudeerde vrouwelijke rechtenstudenten in het verleden nog als verzachtende omstandigheid zou kunnen worden aangehaald, lijkt dit argument nu wel al een tijdje achterhaald. De meerderheid van de afgestudeerde rechtenstudenten (ook in het notariaat) zijn inmiddels al geruime tijd vrouwen (thans: ca. 65% vrouwen).

Het lijkt mij ook dat men aan het aanstormend juridisch talent onder de afgestudeerde studenten (dat dus voornamelijk uit vrouwen zal bestaan) een weinig hoopvolle boodschap meegeeft aangaande hun doorgroeimogelijkheden binnen het advocatenkantoor en hun kansen om vennoot te worden.

Dus we blijven toch met onze vraag zitten: ‘Marie Popelin mag thans wel advocaat zijn, maar mag zij ook partner worden? ‘

 

2018-08-04T09:50:43+00:00 4 augustus 2018|Categories: Gerechtelijk recht - HR & recruitment|