>>Verlies uitoefening van een rechtsvordering ingevolge procesrechtsmisbruik (Schuermans Advocaten)

Verlies uitoefening van een rechtsvordering ingevolge procesrechtsmisbruik (Schuermans Advocaten)

Auteur: Schuermans Advocaten

Publicatiedatum: 27/02/2018

In haar arrest van 12 december 2017 (AR/2016/298) heeft het Hof van Beroep te Antwerpen bevestigd dat een procespartij, die zich schuldig maakt aan procesrechtsmisbruik door niet tijdig de procedure te benaarstigen, als sanctie de concrete uitoefening van haar rechtsvordering wordt ontzegd.

In casu dagvaardden de curatoren van een failliete conservenfabriek in 1997 zowel de producent als de leverancier van deksels, en dit ter vergoeding van schade die ontstond door een beweerde geur – en smaakafwijking aan een lading conserven.

Verwerende partijen concludeerden reeds in 1998 tot de ongegrondheid van de vordering.

Jarenlang volgde er geen reactie vanwege de curatoren.  Pas 16 jaar later werd voor het eerst door hen een antwoordconclusie overgemaakt, waarbij integraal werd volhard in de initiële vordering.

De eerste rechter verklaarde de vordering van de curatoren ongegrond wegens een inbreuk op art. 6.1. EVRM en op basis van procesrechtsmisbruik (vonnis Rechtbank Koophandel Antwerpen, afdeling Mechelen, 18 december 2015 – AR/13/01290).

Het Hof van Beroep te Antwerpen bevestigt deze uitspraak thans in haar arrest van 12 december 2017.

Het Hof bevestigt dat er sprake is van rechtsmisbruik wanneer een rechtssubject zijn rechtsvordering uitoefent zonder redelijk of afdoende belang of op een wijze die kennelijk de perken van een normale uitoefening door een voorzichtig en zorgvuldig persoon te buiten gaat.

Het Hof oordeelt dat het onbetamelijk was en in strijd met de goede trouw dat de curatoren gedurende 16 jaar in het geheel niets hadden ondernomen om hun vordering ten gelde te maken. Door hun langdurig stilzitten, hebben ze de bewijsvoering en de mogelijkheden tot deugdzaam verweer door verwerende partijen in het gedrang gebracht en hierdoor hun rechten van verdediging geschonden (art. 6.1. EVRM) en zich schuldig gemaakt aan procesmisbruik.

Het komt aan de schuldeiser, en niet aan de schuldenaar, toe om zijn schuldvordering met bekwame spoed te benaarstigen.

Het Hof besluit dat het normale verderzetten van de procedure ingevolge dit procesmisbruik onmogelijk is geworden, waardoor het ontzeggen van de concrete uitoefening van de rechtsvordering de enige mogelijke sanctie is voor het vastgestelde procesrechtsmisbruik in hoofde van de curatoren.

Met deze uitspraak lijkt het Hof zich aan te sluiten bij de eerdere Cassatierechtspraak (Cass. 1 oktober 2010 – C.09.0565.N/1) waarbij het principe van rechtsverwerking in België wordt aanvaard als een toepassingsgeval van het verbod op rechtsmisbruik en de beperkende werking van de goede trouw.

Lees hier het originele artikel

2018-03-19T16:25:00+00:00 19 maart 2018|Categories: Gerechtelijk recht|Tags: , |