>>Het volmachtbesluit nummer 2 van 9 april 2020 (Pierre Thiriar)

Het volmachtbesluit nummer 2 van 9 april 2020 (Pierre Thiriar)

Auteur: Pierre Thiriar (Raadsheer in het hof van beroep te Antwerpen, Praktijkassistent gerechtelijk recht UAntwerpen)   

Publicatiedatum: 19/04/2020

1. Volmachtbesluit

In de tweede editie van het Belgisch Staatsblad van 9 april 2020 verscheen het Koninklijk Besluit nr. 2 van 9 april 2020 met betrekking tot de verlenging van de verjaringstermijnen en de andere termijnen om in rechte te treden, alsmede de verlenging van de termijnen van de rechtspleging en de schriftelijke behandeling voor de hoven en rechtbanken (hierna afgekort ‘KB nr. 2’). De bedoeling van de wetgever bestaat erin een aantal instrumenten aan te reiken om de nadelige gevolgen van de coronacrisis (Covid-19, afkorting voor: coronavirus disease 2019) te ondervangen zowel in het belang van de rechtzoekenden, als teneinde de verdere werking van het gerechtelijk apparaat in burgerlijke zaken te verzekeren. Een analyse van KB nr. 2 dwingt tot het besluit dat dit doel niet werd bereikt, wel integendeel.

Er is hier wel degelijk sprake van de intentie van de ‘wetgever’ omdat KB nr. 2 werd uitgevaardigd in het kader van de bijzondere volmachten die de wetgever aan de uitvoerende macht heeft verleend om het hoofd te bieden aan de coronacrisis. KB nr. 2 is zowel in de materiële als in de formele zin van het woord een ‘wet’. Een toetsing van KB nr. 2 door de rechter op basis van artikel 159 Gw. (de exceptie van onwettigheid) is dan ook uitgesloten. De rechter kan de toepassing van KB nr. 2 niet uitsluiten omdat hij oordeelt dat dit volmachtsbesluit in strijd zou zijn met andere wetten of hogere rechtsnormen. Dit neemt niet weg dat de rechter zal moeten beoordelen of de toepassing van een bepaalde bijzondere procedureregel, als lex specialis, onverenigbaar is met de bepalingen van KB nr. 2, derwijze dat niet KB nr. 2 maar deze bijzondere procedurebepaling in een concreet geval toegepast moet worden.

2. Verlenging van de verjaringstermijnen en termijnen om in rechte op te treden.

Teneinde discussies over de toepassing van de overmachtsleer te voorkomen, voert KB nr. 2 een lineaire of ‘forfaitaire’ verlenging van de verjaringstermijnen en de termijnen om een vordering in rechte op te treden door. De wetgever wil ook een zogenaamde ‘bottleneck’ vermijden die zou ontstaan omdat al de in de coronacrisisperiode niet verrichte rechtshandelingen en de voorbereiding daarvan dan quasi-onmiddellijk, op de eerste dag na het einde van de overmacht moeten plaatsvinden.

Artikel 1, § 1 KB nr. 2 bepaalt aldus dat de verjaringstermijnen en de andere termijnen om een vordering in rechte in te stellen bij een burgerlijk gerecht die verstrijken vanaf de datum van de bekendmaking van dit besluit tot en met 3 mei 2020, einddatum die door de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit kan worden aangepast, van rechtswege verlengd worden tot één maand na afloop van die in voorkomend geval verlengde periode. Concreet houdt dit in dat alle verjaringstermijnen in burgerlijke zaken en alle termijnen om een burgerlijke vordering in te stellen die verstrijken tussen 9 april 2020 en 3 mei 2020, verlengd worden tot 3 juni 2020. Niet alleen de verjaringstermijnen in burgerlijke zaken, maar ook bijvoorbeeld de korte termijn (bij koop-verkoop), de redelijke termijn (bij aanneming) en de garantietermijn (bij consumentenkoop) die verstrijken tussen 9 april 2020 en 3 mei 2020 worden lineaire verlengd tot 3 juni 2020. Mochten de maatregelen ter bestrijding van het coronavirus verlengd worden na 3 mei 2020, dan zal de verlenging van de bedoelde termijnen hiervan ook het gevolg zijn.

In de eerste plaats moet de vraag gesteld worden naar de opportuniteit van deze zogenaamde ‘forfaitaire’ verlenging van de verjaringstermijnen en termijnen om in rechte op te treden in burgerlijke zaken. Hierdoor wordt immers op lineaire wijze het gehele rechtsverkeer in burgerlijke zaken en de rechtszekerheid verstoord, ook in de gevallen waar de coronacrisis het voor de rechtzoekende en diens raadsman niet onmogelijk of moeilijker heeft gemaakt om tijdig in rechte op te treden.

In de tweede plaats is het volkomen onduidelijk hoe een lineaire verlenging van deze termijnen een ‘bottleneck’-effect kan verhinderen. Waar alle termijnen tot dezelfde datum van 3 juni 2020 worden verlengd, kan niets verhinderen dat in vele gevallen die laatste dag effectief afgewacht zou worden. Indien men de gewone overmachtsleer gewoon had laten spelen, zou dit echter tot een grotere spreiding in de tijd hebben geleid. Elke overmachtssituatie dient immers geval per geval ontleed te worden, met andere woorden: de overmacht eindigt voor elke rechtzoekende op een ander tijdstip.

Ten slotte kan een lineaire verlenging van de verjaringstermijnen en termijnen om in rechte op te treden in burgerlijke zaken, geen discussies en betwistingen over de tijdigheid van de rechthandeling uitsluiten en valt de vrezen dat KB nr. 2 dergelijke betwistingen zelfs in de hand zal werken. Zoals terecht wordt opgemerkt in het verslag aan de Koning voor KB nr. 2, sluit de algemene verlenging van de termijnen tot 3 juni 2020 de werking van de overmachtsleer niet uit. Het is dus perfect mogelijk dat een bepaalde termijn en verlengd moet worden tot 3 juni 2020 en nadien geschorst is omwille van een overmachtssituatie.

Met een beetje kwade wil en een redenering waarvoor de Spaanse Scholastiek niet zou blozen, zou zelfs gesteld kunnen worden dat deze maatregel nooit effect zal kunnen hebben voor de gevallen waarvoor zij eigenlijk bedoeld is, met name de situaties waarbij de rechtzoekende daadwerkelijk in een overmachtssituatie verkeert. Immers, alleen de termijnen die verstrijken tussen 9 april en 3 mei 2020 worden verlengd tot 3 juni 2020. Stel dat een rechtzoekende in een overmachtssituatie verkeert in deze periode dan is de termijn geschorst ingevolge overmacht, verstrijkt deze termijn bijgevolg niet tussen 9 april en 3 mei 2020 en kan hij dus niet verlengd worden tot 3 juni 2020, maar begint deze termijn terug te lopen eens de overmacht ophoudt te bestaan. In het algemeen zal er veel discussie zijn rond de vraag of een bepaalde termijn verstreek tussen 9 april en 3 mei 2020.

3. Verlenging van de proceduretermijnen

Artikel 1, § 2, eerste lid KB nr. 2 bepaalt dat in alle burgerlijke procedures, strafprocedures die uitsluitend over burgerlijke belangen gaan, alsook in de tuchtprocedures, met inbegrip van de ordemaatregelen, die ingeleid zijn of nog in te leiden zijn voor de rechtbanken en hoven, de termijnen van rechtspleging of om een rechtsmiddel aan te wenden die verstrijken tussen 9 april 2020 en 3 mei 2020 en waarvan het verstrijken tot verval of tot een andere sanctie leidt of zou kunnen leiden indien niet tijdig wordt gehandeld, van rechtswege verlengd worden tot 3 juni 2020. Mochten de maatregelen ter bestrijding van het coronavirus verlengd worden na 3 mei 2020, dan zal de verlenging van de bedoelde proceduretermijnen hiervan ook het gevolg zijn.

Deze maatregel treft alleen proceduretermijnen waarbinnen een bepaalde proceshandeling gesteld moet worden en alle termijnen die op de ene of andere wijze gesanctioneerd zijn. Wachttermijnen, zoals de dagvaardingstermijn, worden niet getroffen door artikel 1, § 2, eerste lid KB nr. 2. Deze maatregel heeft ook geen invloed op ordetermijnen. Dit zijn termijnen die op geen enkele wijze gesanctioneerd zijn. De termijnen waarbinnen partijen bijvoorbeeld opmerkingen kunnen formuleren over de instaatstelling (art. 747, § 2 Ger.W.) zijn zuivere ordetermijnen en worden niet verlengd door KB nr. 2.

De gevolgen van deze weinig doordachte maatregel zijn enorm en doorkruisen alle andere intenties van de wetgever. In de eerste plaats kan deze maatregel geen ‘bottleneck’ voorkomen, maar wordt hierdoor een opstopping van de procedures in de hand gewerkt. Elkeen die dagdagelijks met het burgerlijk procesrecht bezig is, weet hoezeer partijen al te graag tot de laatste dag wachten om een proceshandeling te stellen. Voorst gelden ook hier alle opmerkingen hierboven geformuleerd over de toepassing van de overmachtsleer. Verstrijkt de bedoelde proceduretermijn tussen 9 april 2020 en 3 mei 2020? Was de proceduretermijn ingevolge overmacht al geschorst in deze periode, zodat er van verlenging tot 3 juni 2020 geen sprake kan zijn?

Meest zorgwekkend is dat deze maatregel voor gevolg heeft dat alle burgerlijke procedures – behoudens uitdrukkelijk andersluidend procedureakkoord van de partijen – waarbij een conclusietermijn verstrijkt tussen 9 april 2020 en 3 mei 2020, lamgelegd worden. Bij het uitvaardigen van deze maatregel ging de wetgever er verkeerdelijk vanuit, dat deze maatregel alleen een invloed zou hebben op de vaststelling van zaken waarbij ingevolge deze maatregel geen maand meer zou zijn tussen de vervaldatum van de laatste conclusietermijn en de vastgestelde rechtsdag. Zo liet de Minister van Justitie aan mijn adres op sociale media op 11 april 2020 weten dat: “Geachte heer, alléén de termijnen die effectief vervallen in de crisisperiode worden verlengd om de rechtszoekende zo min mogelijk de dupe te laten zijn van de crisis. Die zorg wordt gedeeld door de Raad van State die in zijn advies vraagt naar een identiek besluit voor zijn procedure. Het in beraad nemen wordt niet vertraagd. Dit is toch het geval indien de verlenging van één conclusietermijn tot gevolg heeft dat de conclusiekalender in zijn geheel te dicht bij of voorbij de nu reeds gefixeerde rechtsdag afloopt. Dan is uitstel van de zitting nodig. Zelfs net voor Pasen konden de voorbije rechtsdagen die inmiddels op gezag van het College zijn uitgesteld niet opnieuw tot leven worden gewekt. Iets anders is (art. 2) dat de zaken die gefixeerd werden op een rechtsdag vanaf heden maar binnen de crisisperiode in beraad kunnen worden genomen, zonder pleidooien. Steeds tot uw dienst.”

Artikel 1, § 2, tweede lid KB nr. 2 bepaalt inderdaad dat indien de toepassing van het eerste lid leidt tot de verlenging van een proceduretermijn, de vervaldatum van eventueel daaropvolgende proceduretermijnen van rechtswege aangepast worden overeenkomstig de duur van de verlenging bedoeld in het eerste lid. Er doet zich dus een accordeoneffect voor, waarbij alle aansluitende proceduretermijnen (in het bijzonder conclusietermijnen), in gelijke mate verlengd worden. Artikel 1, § 2, derde lid KB nr. 2 bepaalt vervolgens dat indien de toepassing van het eerste of het tweede lid ertoe leidt dat de laatste termijn minder dan één maand voor de behandeling van de zaak ter terechtzitting verstrijkt, die terechtzitting van rechtswege verdaagd wordt naar de eerstvolgende terechtzitting een maand na afloop van de laatste termijn, waarvan de datum overeenkomstig artikel 749 van het Gerechtelijk Wetboek wordt bepaald.

Artikel 1, § 2, derde lid KB nr. 2 is vermoedelijk ingegeven door de bepalingen van artikel 748, § 2 Ger.W. Krachtens artikel 748, § 2 Ger.W. mag een partij die geconcludeerd heeft ten laatste 30 dagen voor de terechtzitting om een bijkomende conclusietermijn verzoeken indien zij een nieuw en pertinent stuk heeft ontdekt, dat nieuwe conclusies rechtvaardigt. De verstoring van de zittingskalenders door artikel 1, § 2, derde lid KB nr. 2 lijkt echter onverantwoord. Immers door het feit dat de vervaldata van de conclusietermijnen vooruit werden geschoven ingevolge artikel 1, § 2, eerste en tweede lid KB nr. 2, is de kans dat na het verstrijken van de conclusietermijnen bona fide nog nieuwe en pertinente stukken worden ontdekt, bijzonder klein. Voorts is de termijn van 30 dagen bepaald in artikel 748, § 2 Ger.W. niet gesanctioneerd. Het verzoek dat binnen de 30 dagen vóór de rechtsdag of zelfs op de rechtsdag zelf wordt geformuleerd, kan niet laattijdig, nietig of ontoelaatbaar worden verklaard.

Wat de wetgever over het hoofd heeft gezien, is dat door de verlenging van alle conclusietermijnen die verstrijken tussen 9 april 2020 en 3 mei 2020 tot 3 juni 2020, geen enkele burgerlijke zaak in beraad zal kunnen worden genomen, wanneer een conclusietermijn in deze periode verstrijkt, behoudens uitdrukkelijk procedureakkoord van partijen of bij toepassing van artikel 1, § 3 KB nr. 2 en zo de zaak spoedeisend is (zie hierna). Het is evident dat als partijen nog het recht hebben om te concluderen, de zaak niet in staat van wijzen is en bijgevolg niet in beraad kan worden genomen.

Artikel 1, § 2 KB nr. 2 treft alle burgerlijke procedures, dus ook de kortgedingprocedures en de procedures zoals in kort geding, alsook de korte debatten (art. 735 en 1066 Ger.W.) en de maatregelen alvorens recht te doen (art. 19, derde lid Ger.W.). Een rechterlijk optreden bij urgentie wordt hierdoor aanzienlijk bemoeilijkt. Weliswaar voorziet artikel 1, § 3 KB nr. 2 hiervoor een oplossing, maar de facto kan deze oplossing ervoor zorgen dat tussen de gedinginleidende akte en de behandeling van de spoedeisende zaak minstens 8 dagen zal verstrijken, indien de meest gerede partij schriftelijk om de toepassing van artikel 1, § 3 KB nr. 2 heeft verzocht. Ik zou er dan ook voor durven pleiten dat in zaken die geen enkel uitstel dulden – bijvoorbeeld een scheepsbeslag of bepaalde vorderingen tot staking – de desbetreffende procedureregel als lex specialis  zouden verhinderen dat KB nr. 2 wordt toegepast.

Artikel 1, § 3 KB nr. 2 bepaalt dat indien een partij aanvoert dat de voortzetting van de rechtspleging spoedeisend is en dat vertraging gevaar oplevert, de rechter, op gemotiveerd, eventueel mondeling ter terechtzitting gedaan verzoek, de verlenging van de proceduretermijnen bedoeld in artikel 1, § 2 KB nr. 2 kan uitsluiten. Indien het verzoek schriftelijk wordt gedaan, wordt het terzelfdertijd medegedeeld aan de andere partijen, die schriftelijk opmerkingen kunnen bezorgen binnen acht dagen. Na het verstrijken van die termijn doet de rechter onverwijld uitspraak op stukken. Behalve ingeval van mondeling ter terechtzitting gedaan verzoek waarover de rechter staande de zitting beslist, worden die partijen of advocaten van de beslissing bij gewone brief op de hoogte gebracht. Tegen deze beslissing staat geen enkel rechtsmiddel open.

Indien een partij schriftelijk om de toepassing van artikel 1, § 3 KB nr. 2 verzoekt, beschikken de andere partijen dus over een termijn van 8 dagen om hun standpunt ter zake kenbaar te maken en kan de rechter noodgedwongen geen uitspraak doen gedurende minstens 8 dagen. Als het echt dringend is, is het dan ook beter om het verzoek tot toepassing van deze bepaling niet schriftelijk, maar slechts mondeling op de inleidingszitting te formuleren, om een prompt optreden van de rechter mogelijk te maken.

4. Andersluidende uitdrukkelijke procedureakkoorden

Is er een oplossing voor het voormelde conundrum? Zeer zeker, procedureakkoorden. Waar KB nr. 2 in artikel 1, § 2 de term ‘van rechtswege’ gebruikt, betekent dit enkel dat de verlengingen van termijnen en eventuele verdagingen van rechtsdagen, automatisch ingevolge dit besluit plaatsvinden. Noch de procespartijen, noch de rechter moeten hiervoor enig initiatief nemen. Dit neemt niet weg dat KB nr. 2 geen afbreuk doet en geen afbreuk kan doen aan de autonomie van de procespartijen. Zij kunnen uitdrukkelijk akkoord zijn om niet meer te concluderen, geen gebruik te maken van de verlenging van conclusietermijnen, alle conclusies ongeacht het tijdstip waarop zij werden genomen in het debat te behouden en de rechtsdag te behouden.

Het is niet omdat partijen over meer tijd beschikken om te concluderen, dat zij verplicht zijn om die tijd volledig te benutten. Pre coronatijdperk sloten procespartijen voortdurend akkoorden over de conclusietermijnen en de rechtsdag, alsook over afstand van artikel 748, § 2 Ger.W. Er is geen enkele reden waarom dit post corona niet meer zou kunnen. Overigens hoe zou men dit kunnen sanctioneren? Welk belang heeft een partij die akkoord was om de rechtsdag te behouden en de zaak in beraad te laten nemen, om hiertegen nadien een rechtsmiddel aan te wenden? Op welk wijze zou de appelrechter of de cassatierechter de rechtsdag en de in beraad name ingevolge het akkoord van de procespartijen, kunnen ongedaan maken of vernietigen?

5. Behandeling zonder pleidooien

Artikel 2, § 1, eerste lid KB nr. 2 bepaalt dat alle zaken voor de hoven en rechtbanken, met uitzondering van de strafzaken, tenzij die enkel burgerlijke belangen betreffen, die voor behandeling zijn vastgesteld op rechtsdagen die plaatsvinden vanaf 11 april 2020 tot en met 3 juni 2020 (einddatum die door de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit kan worden aangepast) en waarin alle partijen conclusies hebben neergelegd, van rechtswege in beraad worden genomen op basis van de overgelegde conclusies en stukken, zonder mondeling pleidooi.

Weerom betekenen de woorden ‘van rechtswege’ hier niets anders dan dat er geen initiatief moet zijn van de partijen. Anders dan anders moeten partijen de rechter niet om vonnis vragen op de in deze periode vastgestelde rechtsdag, maar wordt de zaak automatisch in beraad genomen. Dit geldt voor alle burgerlijke zaken die zijn vastgesteld tussen 11 april 2020 en 3 juni 2020, ongeacht de wijze van vaststelling (artikel 747, 750, maar ook 803 Ger.W.). Let wel, als in een zaak vastgesteld tussen 11 april 2020 en 3 juni 2020, een conclusietermijn nog lopende was op 9 april 2020, heeft dit voor gevolg dat de zaak noodgedwongen verdaagd zal moeten worden tot na de coronamaatregel ingevolge artikel 1, § 2 KB nr. 2, behoudens andersluidend procedureakkoord of toepassing van artikel 1, § 3 KB nr. 2.

Tussen 11 april 2020 en 3 juni 2020 wordt aan partijen in principe het recht ontnomen om te pleiten of om hun zaak mondeling toe te lichten. Dit veronderstelt wel dat alle partijen hebben geconcludeerd. Een conclusie is elk geschreven stuk waarbij een procespartij haar eisen, verweren, excepties, middelen of argumenten laat gelden ten aanzien van de rechter en de overige procespartijen. Het verslag aan de Koning bij KB nr. 2 stelt voor dat een zaak regelmatig in beraad werd genomen op basis van artikel 2, § 1 van dit KB, ook al wordt de conclusie nadien uit de debatten geweerd. Een dergelijke aanfluiting van het recht op tegenspraak stuit echter tegen de borst. In die hypothese moet de desbetreffende procespartij minstens in de gelegenheid gesteld worden om haar zaak mondeling toe te lichten.

Als niet alle partijen hebben geconcludeerd, kan de zaak niet in beraad genomen worden op basis van artikel 2, § 1 KB nr. 2. Dit impliceert dat er tussen 11 april 2020 en 3 juni 2020 geen verstek kan worden verleend zonder effectieve terechtzitting en dat een zaak die werd vastgesteld op basis van artikel 747 Ger.W. waarin niet alle partijen hebben geconcludeerd niet in beraad genomen kan worden zonder effectieve terechtzitting. Er wordt immers pas afbreuk gedaan aan het recht van een procespartij om haar zaak mondeling toe te lichten, indien zij schriftelijk standpunt heeft ingenomen. Uit het verslag aan de Koning blijkt duidelijk dat dit de enige mogelijke interpretatie van artikel 2, § 1 KB nr. 2 is.

Kan er tussen 11 april 2020 en 3 juni 2020 geen verstek meer worden verleend of een vonnis op tegenspraak op basis van artikel 747 Ger.W. indien niet alle partijen hebben geconcludeerd? In de rechtscolleges waar – spijts de coronamaatregelen en de instructies van het College van Hoven en Rechtbanken – toch nog effectieve burgerlijke zittingen worden gehouden en zo de versteklatende partij of partij die niet heeft geconcludeerd, daadwerkelijk in de mogelijkheid werd gesteld om voor de rechter te verschijnen en de zaak mondeling toe te lichten, is er geen reden om artikel 2, § 1 KB nr. 2 toe te passen en zal de zaak in beraad kunnen worden genomen op basis van artikel 747, § 2 of 803 Ger.W. De facto lijkt mij dit eerder uitzonderlijk en niet wenselijk. Het publiek gaat er immers vanuit dat het tijdens de duur van coronacrisis niet voor de burgerlijke rechter kan verschijnen.

Voor wat de korte debatten betreft (art. 735 en 1066 Ger.W.) belet niets dat de mondelinge toelichtingen zouden worden vervangen door beknopte conclusies, waarbij de rechter zou bepalen dat ze tegen een bepaalde zitting moeten worden overgelegd, waarna de zaak in beraad wordt genomen. Als een partij nalaat te concluderen tegen deze zitting, moet zij dan geacht worden afstand te hebben gedaan van haar recht om te concluderen en om gehoord te worden. Deze oplossing is een beetje gekunsteld, maar anders zou een partij de korte debatten kunnen blokkeren door niet te concluderen. Enig ander alternatief is dat voor korte debatten toch effectief een terechtzitting wordt gehouden spijts de coronacrisis. De kassiersters in de supermarkten werken tijdens de coronacrisis voort en Justitie is ook een essentiële dienst.

Luidens artikel 2, § 2, eerste lid KB nr. 2 kunnen de partijen in elke stand van de rechtspleging gezamenlijk beslissen beroep te doen op de schriftelijke behandeling bedoeld in artikel 755 Ger.W. Dit lijkt weinig zinvol en tijdrovend. Onder hypothese is deze zaak al vastgesteld tussen 11 april 2020 en 3 juni 2020 en is er geen reden om tijd te verliezen. Als partijen toch akkoord zouden zijn om toepassing te maken van artikel 755 Ger.W. kunnen zij evengoed akkoord zijn om de vastgestelde rechtsdag te behouden maar om aanvullend te concluderen. Waarom zij afstand zouden doen van de vaststelling om een nieuwe vaststelling te bekomen op basis van artikel 755 Ger.W. is een raadsel.

Indien alle partijen bezwaar maken tegen een behandeling van hun zaak zonder pleidooien of mondelinge toelichting, moet de zaak noodgedwongen verdaagd worden tot na de coronacrisis (art. 2, § 2, vierde lid KB nr. 2). Partijen die hun zaak niet willen vertragen, maar die minstens hun zaak zouden willen toelichten via videoconferentie, zullen er dus goed aan doen onderling af te spreken dat zij zich niet allemaal verzetten tegen de toepassing van artikel 2, § 1 KB nr. 2. Als slechts sommigen onder hen zich hiertegen verzetten, kunnen de overige partijen aan de rechter voorstellen om bij toepassing van artikel 2, § 2, laatste lid KB nr. 2 toch een terechtzitting of een videoconferentie te houden.

Een partij die niet kan instemmen met de toepassing van artikel 2, § 1 KB nr. 2, stelt de rechter daarvan schriftelijk en gemotiveerd in kennis ten laatste één week vóór de vastgestelde rechtsdag of, voor de zaken die voor behandeling zijn vastgesteld op rechtsdagen die plaatsvinden gedurende de eerste acht dagen na de bekendmaking van dit besluit, ten laatste de dag voor de rechtsdag (art. 2, § 2, tweede lid KB nr. 2). Deze kennisgeving gebeurt via e-Deposit (moet niet via DPA) of per gewone brief die per post wordt verstuurd naar of neergelegd ter griffie (art. 2, § 2, derde lid KB nr. 2).

Als niet alle partijen zich verzetten tegen een behandeling van de zaak zonder pleidooi op basis van artikel 2, § 1 KB nr. 2 of wanneer de rechter dit soeverein opportuun acht (dit laatste werd gelukkig voorzien op aanraden van de Raad van State) kan de rechter beslissen om de terechtzitting te laten doorgaan, eventueel via videoconferentie, om de zaak uit te stellen op onbepaalde of bepaalde datum, ofwel om de zaak in beraad te nemen zonder mondeling pleidooi, onverminderd de toepassing, in voorkomend geval, van artikel 1004/1 Ger.W. (hoorrecht minderjarige) (art. 2, § 2, laatste lid KB nr. 2).

6. Sluiting der debatten

Artikel 2, §§ 3 t.e.m. 5 KB nr. 2 regelt de sluiting van de debatten en de in beraad name van de zaak die behandeld werd in toepassing van dit besluit. De wetgever haspelt evenwel alles door elkaar door er vanuit te gaan dat zaken eerst in beraad worden genomen en dat pas nadien de debatten worden gesloten.

Artikel 2, § 3 KB nr. 2 bepaalt dat wanneer de zaak in beraad wordt genomen zonder mondeling pleidooi de partijen die hun stukken nog niet ter griffie hebben neergelegd die stukken kunnen neerleggen binnen één week na de oorspronkelijk vastgestelde rechtsdag of, in voorkomend geval, binnen één week na de kennisgeving van de beslissing van de rechter bedoeld in § 2, vijfde lid, op straffe van ambtshalve wering. Bedoeling is dat een partij de afhandeling van de zaak niet zou kunnen blokkeren door haar stukkenbundel niet neer te leggen. Deze bepaling is een onwerkbare verbastering van artikel 769, tweede lid Ger.W. In de praktijk zal de rechter de debatten sluiten en in beraad nemen op basis van de conclusies en stukken die neerlagen op het ogenblik waarop de debatten werden gesloten. Behoudens heropening van de debatten, kunnen stukken die worden neergelegd nadat de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen, niet meer in aanmerking worden genomen. Artikel 2, § 3 KB nr. 2 kan niet worden toegepast en is ook niet gesanctioneerd.

Artikel 2, § 4 KB nr. 2 bepaalt dat uiterlijk een maand nadat de zaak in beraad wordt genomen of, in voorkomend geval, uiterlijk een maand na de neerlegging van de dossiers bedoeld in artikel 2, § 3 KB nr. 2 de rechter mag vragen dat de partijen mondelinge ophelderingen geven, eventueel per videoconferentie, over punten die hij aanwijst. In voorkomend geval bepaalt hij daartoe een datum die door de griffier ter kennis wordt gebracht van de partijen bij gewone brief aan hun advocaten. Heeft een partij geen advocaat dan zendt de griffier haar rechtstreeks bericht bij gerechtsbrief. Ook deze bepaling is onwerkbaar en zal niet toegepast worden. Eerst sluit de rechter de debatten en pas dan neemt hij de zaak in beraad. Merkt hij tijdens zijn beraad dat hij nog ophelderingen nodig heeft, dan zal hij de debatten moeten heropenen. Merkt hij voor de behandeling van de zaak dat hij mondelinge ophelderingen nodig heeft, dan zal hij die desnoods inwinnen via videoconferentie op basis van artikel 2, § 2, laatste lid KB nr. 2 alvorens de debatten te sluiten en de zaak in beraad te nemen.

Artikel 2, § 5 KB nr. 2 bepaalt dat indien de zaak in beraad is genomen zonder mondelinge pleidooien, de sluiting van de debatten van rechtswege geschiedt één maand nadat de zaak in beraad is genomen of, in voorkomend geval, één maand na de neerlegging van de dossiers bedoeld in artikel 2, § 3. Dit slaat werkelijk nergens op. Nogmaals de zaak kan niet in beraad worden genomen zonder sluiting van de debatten. De debatten dienen zelfs formeel niet gesloten te worden. Het feit dat de rechter de zaak in beraad heeft genomen, impliceert noodzakelijk dat de debatten gesloten zijn.

Ten slotte zijn de beslissingen van de rechter genomen in toepassing van artikel 2 KB nr. 2 niet vatbaar voor enig rechtsmiddel (art. 2, § 6 KB nr. 2) en worden de termijnen bepaald in artikel 2 van dit besluit niet verlengd overeenkomstig artikel 1 van hetzelfde besluit (art. 2, § 7 KB nr. 2).

7. Besluit

Mijn keuken, mijn restaurant? Waarom kwam dit besluit niet tot stand na eerst en vooral diegene te hebben geraadpleegd die hiermee moeten werken? Is het wantrouwen naar de rechterlijke orde zo groot, dat men het niet evident vond dat rechters loyaal en bezorgd om de belangen van de rechtzoekenden, pragmatische, coherente en werkbare oplossingen zouden aandragen – met kennis van zaken – om de openbare dienstverlening Justitie te verzekeren in deze barre tijden? Niet alleen juridisch, maar ook rechtsstatelijk en rechtsfilosofisch is dit volmachtbesluit uiterst vatbaar voor kritiek.

 

2020-04-19T11:49:24+00:00 19 april 2020|Categories: Gerechtelijk recht|Tags: , |