>, Straf- en strafprocesrecht>Grondwettelijk Hof verfijnt strafrechtelijk gewijsde voor de burgerlijke rechter (Joachim Meese)

Grondwettelijk Hof verfijnt strafrechtelijk gewijsde voor de burgerlijke rechter (Joachim Meese)

Auteur: Advocatenkantoor Joachim Meese

Publicatiedatum: 14/02/2019

In een Valentijnsarrest van 14 februari 2019 (nr. 24/2019) heeft het Grondwettelijk Hof verduidelijkt dat het strafrechtelijk gezag van gewijsde zich er niet tegen verzet dat een definitief veroordeelde beklaagde die vervolgens is opgeroepen voor de burgerlijke rechter, in dat burgerlijk proces meegeniet van het bewijs van zijn onschuld dat geleverd wordt door een andere partij die niet bij het strafproces was betrokken.

De feiten die aanleiding gaven tot deze rechtsvraag komen in essentie neer op het volgende. Een beklaagde is definitief veroordeeld wegens het rijden met een niet verzekerd voertuig (waarmee een ongeval werd veroorzaakt). Voor de burgerlijke rechter heeft het Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds, dat een derde was bij het strafproces, aangetoond dat het voertuig wel degelijk verzekerd was, namelijk bij Ethias. Toch heeft Ethias tegen de veroordeelde bestuurder een vordering tot vrijwaring ingesteld door aan te voeren dat hij zich omwille van het gezag van gewijsde van de veroordelende beslissing niet kan beroepen op het feit dat hij wel degelijk verzekerd was.

Het Hof wijst er op dat het belang van het gezag van gewijsde in strafzaken en de zorg om te vermijden dat de strafrechter en de burgerlijke rechter tegenstrijdige beslissingen moeten nemen, moet worden afgewogen tegen het fundamentele recht van alle partijen op een eerlijk proces en op het recht van verdediging in het proces voor de burgerlijke rechter (overweging B.7.1). Zo is het vaste rechtspraak dat het gezag van het strafrechtelijk gewijsde er niet aan in de weg staat dat een partij in een later burgerlijk proces de kans moet hebben de gegevens, afgeleid uit het strafgeding, te betwisten in zoverre zij geen partij was in het strafgeding of er niet vrij haar belangen kon laten gelden. Het Hof besluit hieruit dat het coherent is ervan uit te gaan dat die relativering moet gelden ten aanzien van alle partijen die betrokken zijn bij het nieuwe debat voor de burgerlijke rechter (overweging B.7.2).

Art. 4 V.T.Sv. moet dan ook in die zin worden geïnterpreteerd dat de partij die tijdens een strafproces is veroordeeld en die vervolgens is opgeroepen voor de burgerlijke rechter, in dat burgerlijk proces het bewijs kan genieten dat in diezelfde burgerlijke zaak door een derde bij het strafproces is geleverd en waarbij de elementen afgeleid uit het strafgeding worden weerlegd.

Lees hier het originele artikel

2019-02-19T11:32:52+00:00 21 februari 2019|Categories: Gerechtelijk recht - Straf- en strafprocesrecht|Tags: , , |