>, Ondernemingsrecht, Vennootschapsrecht>Gedwongen overdracht van aandelen : welke rechtbank is bevoegd in een grensoverschrijdende context? (LegalNews.be)

Gedwongen overdracht van aandelen : welke rechtbank is bevoegd in een grensoverschrijdende context? (LegalNews.be)

Auteur: LegalNews.be

Publicatiedatum: 08/03/2018

Een Tsjechische NV gaat over tot overdracht van alle effecten die een deelnemingsrecht vertegenwoordigen (aandelen en certificaten) aan de meerderheidsaandeelhouder, een Duitse holding.

De basis van de discussie: de Tsjechische wetgeving inzake gedwongen overdracht.

Het Tsjechisch vennootschapsrecht bepaalt:

1.  dat de houder van effecten die een deelnemingsrecht in een vennootschap vertegenwoordigen waarvan de nominale waarde minstens 90 % van het aandelenkapitaal van die vennootschap vertegenwoordigt, of die effecten vervangen die minstens 90 % van het aandelenkapitaal van die vennootschap vertegenwoordigen, of waaraan minstens 90 % van de stemrechten in de vennootschap is verbonden (,meerderheidsaandeelhouder’), de raad van bestuur kan verzoeken een algemene vergadering bijeen te roepen waarop zal worden beslist over de overdracht van alle resterende effecten die een deelnemingsrecht in die vennootschap vertegenwoordigen, aan die houder.

2. dat het besluit van de algemene vergadering de meerderheidsaandeelhouder moet identificeren, dat het gegevens moet bevatten die bevestigen dat deze aandeelhouder de meerderheidsaandeelhouder is en dat het bedrag van de vergoeding die is vastgesteld, alsook de termijn waarbinnen de vergoeding moet worden betaald ook wordt bepaald.

3. dat de eigenaars van effecten die een deelnemingsrecht vertegenwoordigen vanaf het ogenblik dat zij de uitnodiging voor de algemene vergadering hebben ontvangen of vanaf het ogenblik dat zij er kennis van krijgen dat deze zal plaatsvinden, een rechterlijke instantie mogen verzoeken om de billijkheid van de vergoeding te toetsen.

Welke rechter is bevoegd als minderheids- en meerderheidsaandeelhouder in een verschillende lidstaat zijn gevestigd: de procedures in Tsjechië.

1. Bij vordering van 26 januari 2007 hebben de uitgekochte aandeelhouders een regionale rechter verzocht om de billijkheid van deze vergoeding te toetsen, maar tijdens deze procedure heeft de Duitse meerderheidsaandeelhouder een exceptie van onbevoegdheid van de Tsjechische gerechten opgeworpen, omdat, gezien haar plaats van vestiging, enkel de Duitse rechterlijke instanties internationaal bevoegd zouden zijn.

2. Bij beschikking van 26 augustus 2009 heeft de Tsjechische rechter deze exceptie van onbevoegdheid verworpen, op grond van het feit dat de bevoegdheid van de Tsjechische gerechten voor de vordering kon worden gebaseerd op artikel 6, punt 1, van verordening nr. 44/2001.

3. De Duitse meerderheidsaandeelhouder heeft tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld bij de rechter in tweede aanleg in Praag, die bij beschikking van 22 juni 2010 heeft geoordeeld dat de bij hem aanhangige zaak onder artikel 22, punt 2, van verordening nr. 44/2001 viel en dat, gelet op de plaats van vestiging van de vennootschap de Tsjechische gerechten internationaal bevoegd waren.

4. Vervolgens stelt de Duitse meerderheidsaandeelhouder een grondwettelijk beroep in, waardoor  bij arrest van 11 september 2012 deze beschikking vernietigd wordt en de zaak terugverwezen naar de rechter in hoger beroep. Bij beschikking van 2 mei 2014 heeft de rechter in hoger beroep geoordeeld dat de Tsjechische rechterlijke instanties internationaal bevoegd waren om het hoofdgeding te berechten op grond van artikel 5, punt 1, onder a), van verordening nr. 44/2001.

5. De Duitse meerderheidsaandeelhouder stelt tegen deze beschikking cassatieberoep in bij de verwijzende rechter. In die context heeft de hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken in Tsjechië de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing.

Wat beslist het Hof van Justitie op 7 maart 2018?

Het Hof van Justitie beslist dat ‘artikel 22, punt 2, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat een vordering als in het hoofdgeding, die strekt tot toetsing van de billijkheid van de vergoeding die de meerderheidsaandeelhouder van een vennootschap moet betalen aan de minderheidsaandeelhouders ervan bij gedwongen overdracht van hun aandelen aan deze meerderheidsaandeelhouder, valt binnen de exclusieve bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat waar die vennootschap is gevestigd.

Lees hier het arrest van het Hof van Justitie (7 maart 2018)

Maar… Prof. dr. Geert Van Calster betwist deze uitspraak van het Hof van Justitie!

Prof. dr. Geert Van Calster laat vandaag, 8 maart 2018, via LinkedIn weten dat hij deze uitspraak niet juist vindt en verwijst alvast naar zijn artikel “Wathelet AG in Dědouch: Interpretation of the exlusive jurisdictional rule for corporate issues in the case of squeeze-out”

2018-03-08T10:58:24+00:00 8 maart 2018|Categories: Gerechtelijk recht - Ondernemingsrecht - Vennootschapsrecht|Tags: , |