>>Een fout van de deurwaarder: overmacht of niet? (Waeterinckx Vansteenkiste Advocaten)

Een fout van de deurwaarder: overmacht of niet? (Waeterinckx Vansteenkiste Advocaten)

Auteurs: Jacques Vandeuren en Arne Fierens (Waeterinckx Vansteenkiste Advocaten)

Publicatiedatum: 13/07/2020

De vraag of een fout van een deurwaarder als lasthebber, zoals het laten verstrijken van een termijn, overmacht uitmaakt in hoofde van de lastgever, zorgt al jaren voor controverse. Algemeen kan worden gesteld dat fouten of nalatigheden van de lasthebber, zoals een deurwaarder of advocaat, de lastgever verbinden wanneer zij binnen de perken van de lastgeving zijn begaan. Dergelijke fouten kunnen op zichzelf voor de lastgever geen vreemde oorzaak, toeval of overmacht opleveren. Deze regel verhinderde dan ook lange tijd dat een fout van de deurwaarder zou toelaten om op grond van overmacht een verlenging van een termijn te bepleiten.

Deze basisregel werd intussen bijgesteld. Rekening houdend met (1) het recht op toegang tot een rechter zoals voorzien in artikel 6.1 EVRM, en met (2) het monopolie dat artikel 519 § 1 Gerechtelijk Wetboek aan de gerechtsdeurwaarders toekent en (3) de beperkingen inzake de keuze van de instrumenterende deurwaarder, kan een fout of nalatigheid van die ministeriële ambtenaar nu toch als overmacht worden beschouwd aldus het Hof van Cassatie.

Hieruit volgt dat wanneer door toedoen van de deurwaarder de wettelijke termijn is verstreken om een bepaalde rechtshandeling te stellen, deze termijn kan worden verlengd met de tijdspanne waarin het voor de lastgever volstrekt onmogelijk was om deze rechtshandeling te stellen. Dit impliceert echter ook dat de lastgever wordt geacht onmiddellijk te handelen vanaf het ogenblik dat er een einde komt aan deze tijdspanne.

Zoals blijkt uit een recent arrest van het Hof van Cassatie (Cass. 12 mei 2020, P.20.0104.N) dient de voorwaarde dat de deurwaarder heeft gehandeld binnen zijn monopolie van ministerieel ambtenaar wel strikt te worden toegepast.

In de voorliggende zaak had de lastgever tijdig opdracht gegeven aan de deurwaarder om een cassatieberoep te betekenen aan de verweerders in cassatie en om vervolgens de exploten neer te leggen ter griffie van het Hof van Cassatie. Overeenkomstig art. 429 2e lid Sv. dient deze betekening en neerlegging binnen de twee maanden volgend op de verklaring van cassatieberoep te gebeuren. De verklaring van cassatieberoep dateerde van 20 december 2019, zodat de betekening van 13 februari 2020 alvast tijdig was. De deurwaarder had evenwel nagelaten om het betekeningsexploot binnen diezelfde termijn van 2 maanden neer te leggen ter griffie van het Hof van Cassatie. Dit geschiedde immers pas op 1 april 2020 en dus laattijdig, zodat het cassatieberoep onontvankelijk werd verklaard.

De lastgever – die zich geconfronteerd zag met deze contractuele nalatigheid van de deurwaarder – voerde aan dat de fout van de deurwaarder in zijn hoofde een overmachtssituatie uitmaakte daar hij de deurwaarder tijdig en correct had gelast. Het Hof van Cassatie volgde deze redenering niet. Voor een fout die de deurwaarder begaat in de uitvoering van taken waarvoor hij niet optreedt als ministerieel ambtenaar en dus niet over een monopolie beschikt, kan er volgens het Hof geen sprake zijn van overmacht.

Daar waar de betekening van het cassatieberoep dus wel binnen het monopolie van de deurwaarder als ministerieel ambtenaar valt, geldt dit niet voor de navolgende neerlegging van dit betekeningsexploot op de griffie. De opdracht van de lastgever behelsde in casu tegelijkertijd een taak die wel en een taak die niet binnen het monopolie van de deurwaarder als ministerieel ambtenaar valt. Een laattijdige betekening zou in die zin wel overmacht hebben uitgemaakt, daar waar dit voor de navolgende neerlegging niet geval was.

De lastgever blijft dus best bij de pinken. Een gewaarschuwd lastgever is er alvast 2 waard!

Lees hier het originele artikel

2020-07-28T09:47:27+00:00 30 juli 2020|Categories: Gerechtelijk recht|Tags: , , , |