>>>Taks op effectenrekeningen en de burgerlijke maatschap (Laurius)

Taks op effectenrekeningen en de burgerlijke maatschap (Laurius)

Auteurs: Philippe Hinnekens en Laurens Wellens (Laurius)

Publicatiedatum: februari 2018

In uitvoering van het “Zomerakkoord”, heeft het Parlement op 1 februari jl. het voorstel van de regering tot invoering van een zogenaamde ‘effectentaks’ goedgekeurd. Hierdoor is voortaan, een jaarlijkse heffing van 0,15% verschuldigd op bepaalde kwalificerende effecten die aangehouden worden op een effectenrekening, indien de totale waarde van die effecten een bepaald drempelbedrag overschrijdt . In deze tax alert worden de algemene toepassingsregels van de effectentaks toegelicht, en wordt ook nader ingegaan op de toepassing hiervan op effectenrekeningen die aangehouden worden door een burgerlijke maatschap.

I. Algemene toepassingsregels van de effectentaks

Iedere natuurlijke persoon die in binnen- of buitenland (wanneer het inwoners van België betreft) titularis is van één of meerdere effectenrekeningen bij een tussenpersoon (financiële instelling), zal de heffing van 0,15% verschuldigd zijn, indien de gemiddelde waarde van de geviseerde effecten op deze rekening(en) meer dan 500.000 euro bedraagt. Voortaan zal ook in de aangifte in de personenbelasting niet alleen melding gemaakt moeten worden van de effectenrekeningen in het buitenland, maar ook van de effectenrekeningen in België.

De geviseerde effecten zijn (i) al dan niet beursgenoteerde aandelen (en hun certificaten), (ii) al dan niet beursgenoteerde obligaties (en hun certificaten), (iii) al dan niet beursgenoteerde beleggingsfondsen en beleggingsvennootschappen, met uitzondering van de rechten die onderschreven werden n.a.v. een levensverzekering of regeling voor pensioensparen, (iv) kasbons en (v) warrants. Andere effecten zoals opties of futures zijn niet geviseerd door de nieuwe heffing. Aandelen op naam, opgenomen in een aandelenregister, zijn in principe uitgesloten van de belastbare basis.

Eenmaal vastgesteld is welke effecten wel en niet ressorteren onder het toepassingsgebied van de taks, moet worden becijferd wat de gemiddelde waarde is van deze effecten tijdens de referentieperiode (1 oktober tot 30 september van elk jaar, waarbij de referentieperiode tot 30 september 2018 ingaat op het moment van inwerkingtreding van de wet). De gemiddelde waarde berekent men door de waarden op bepaalde referentietijdstippen (in principe 31 december, 31 maart, 30 juni en 30 september) te nemen en hiervan het gemiddelde te berekenen.

Het is pas wanneer de aldus berekende gemiddelde waarde het bedrag van 500.000 euro overschrijdt, dat de taks verschuldigd zal zijn, en wel op het volledige bedrag vanaf de eerste euro.

Indien de effectenrekening wordt aangehouden bij een Belgische tussenpersoon (of bij een buitenlandse instelling die ervoor geopteerd heeft de fiscale verplichtingen op haar te nemen via een Belgische verantwoordelijke), dan is deze tussenpersoon verantwoordelijk voor de aangifte, inning en doorstorting van de taks. Wanneer dit echter niet het geval is, of de rekeningen verspreid zijn bij verschillende Belgische instellingen, waarbij voor elke rekening het drempelbedrag niet bereikt wordt, , dan is de titularis zelf verantwoordelijk voor de afhandeling van de aangifte van de effectentaks en de betaling ervan (uiterlijk op 31 augustus van elk jaar), tenzij gebruik gemaakt wordt van de mogelijkheid om aan elke instelling waar een effectenrekening aangehouden wordt (zelfs onder het drempelbedrag) te vragen dat zij overgaat tot inhouding en doorstorting van de taks.

Voorbeeld: de heer X heeft een beleggingsportefeuille bij een Belgische bank, die alleen maar kwalificerende effecten bevat. Op de referentietijdstippen bedraagt de waarde van de portefeuille respectievelijk 483.000 euro, 540.000 euro, 490.000 euro en 495.000 euro. De gemiddelde waarde van portefeuille bedraagt 502.000 euro tijdens de referentieperiode, zodat hierop een heffing van 753 euro verschuldigd is. De bank vult de aangifte in en houdt de heffing in, die zij vervolgens doorstort aan de administratie. De heer X hoeft geen actie te ondernemen.

II. Toegepast op de burgerlijke maatschap

In het kader van een successieplanning wordt vaak gebruik gemaakt van een burgerlijke maatschap als controlevehikel. Vermits dergelijke maatschap geen afzonderlijke rechtspersoonlijkheid bezit, word haar vermogen geacht in onverdeelde mede-eigendom toe te behoren aan haar vennoten. De eigendom van dit vermogen wordt vertegenwoordigd door deelbewijzen. In het kader van een successieplanning wordt veelal de overgrote meerderheid van de deelbewijzen aangehouden door de kinderen (al dan niet in blote eigendom) en een beperkt aantal deelbewijzen door de ouders. Indien de maatschap een effectenrekening aanhoudt, is die mogelijkerwijze ook onderworpen aan de effectentaks.

De toepassingsregels zijn dan echter complexer. De wettelijke regeling gaat er namelijk van uit dat elke co-titularis (elke rekeninghouder, met inbegrip van de vruchtgebruikers of blote eigenaars), een gelijk aandeel van de effecten bezit. Dit betekent dat indien beide ouders slechts één deelbewijs aanhouden, en hun beide kinderen elk 499 deelbewijzen, zij toch geacht worden titularis te zijn van ¼ van de effectenrekeningen die aangehouden worden door de maatschap. Dit is ook het geval indien zij zich het vruchtgebruik over de deelbewijzen hebben voorbehouden. Hierdoor is het mogelijk dat door de bank effectentaks wordt ingehouden en doorgestort voor rekening van een vennoot die echter niet onderworpen is een dergelijke taks. In dergelijk geval is het mogelijk dat de vennoot een teruggave vraagt van de ten onrechte ingehouden effectentaks door het indienen van een gezamenlijke aangifte (door alle vennoten) waarbij aangetoond wordt elke titularis/vennoot toekomt (vb. onder verwijzing naar de statuten van de maatschap of een schenkingsakte). Bij vruchtgebruik zal dan rekening gehouden moeten worden met de waarde van het vruchtgebruik zoals die blijkt uit de omzettingstabellen die jaarlijks gepubliceerd worden in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad in uitvoering van artikel 745sexies van het burgerlijk wetboek.

Voorbeeld: de heer X heeft samen met zijn drie kinderen een burgerlijke maatschap opgericht, waarvan hij de deelbewijzen aanhoudt in vruchtgebruik en zijn kinderen de blote eigendom bezitten. De maatschap heeft als enig actiefbestanddeel een beleggingsportefeuille bij een Belgische bank met gemiddelde waarde over de referentieperiode van 2,1 miljoen euro. Aangezien de bank als titularissen de heer X en zijn drie kinderen vermeldt, gaat zij ervan uit dat elk een aandeel van 1/4de ter waarde van 525.000 euro bezit, zodat zij voor elk van hen een taks van 787,50 euro inhoudt en doorstort.

Gelet echter op de leeftijd van de heer X, bedraagt zijn vruchtgebruik slechts 20% van de waarde in volle eigendom, oftewel 420.000 euro. Het aandeel van elk van zijn kinderen bedraagt 560.000 euro, namelijk 1/3de van 80% (waarde blote eigendom) van 2,1 miljoen euro. In de veronderstelling dat de heer X persoonlijk geen andere effectenrekeningen aanhoudt, valt zijn aandeel in de gezamenlijke portefeuille onder de drempel van 500.000 euro , en kan hij dus de teruggave van de voor hem ingehouden taks (787,50 euro) vragen. Dit heeft eveneens tot gevolg dat elk van zijn drie kinderen een aanvullende aanslag zullen krijgen op het verschil in waarde (560.000 – 525.000 = 35.000 euro x 0,15% = 52,50 euro).

III. Besluit

De berekening van de effectentaks is een ingewikkelde opgave. Indien de effectenrekeningen enkel aangehouden worden in België of bij een financiële instelling in het buitenland die beschikt over een aansprakelijke vertegenwoordiger in België, kan de inhouding en de aangifte van de effectentaks gebeuren door de betrokken instellingen (zoals bij de roerende voorheffing) en dient de belastingplichtige zelf niets te ondernemen.

Dit is ook het geval indien de effectenrekeningen aangehouden worden door het een maatschap of in een gesplitste eigendom (vruchtgebruik/blote eigendom). In dergelijk geval wordt elke co-titularis geacht een gelijk deel in de effectenrekeningen aan te houden wat meestal niet overeenstemt met de waarde. Het kan dan de moeite waard zijn om na te gaan wat het precieze aandeel is van elke co-titularis en, om desgevallend, (jaarlijks) de nodige stappen te ondernemen om een teruggave van een deel van de ingehouden effectentaks te bekomen. Indien u hierbij nog vragen zou hebben of bijstand wenst, aarzel niet ons te contacteren.

Lees hier het originele artikel

2018-02-13T17:01:22+00:00 13 februari 2018|Categories: Directe belastingen - Fiscaal recht|Tags: , , , |