>>>De fiscale behandeling van het wettelijk toegekend opvolgend vruchtgebruik: de VCF spreekt voortaan klare taal (Deloitte Legal)

De fiscale behandeling van het wettelijk toegekend opvolgend vruchtgebruik: de VCF spreekt voortaan klare taal (Deloitte Legal)

Auteur: Greenille Private Client Team – Deloitte Legal

Publicatiedatum: 02/04/2021

Het Vlaamse Parlement keurde op 31 maart 2021 een nieuw decreet houdende diverse technische wijzigingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit goed. Dit decreet brengt onder andere duidelijkheid omtrent de fiscale behandeling van de verzaking aan het wettelijk toegekend opvolgend vruchtgebruik. Een verzaking aan dit vruchtgebruik door de langstlevende zal voortaan enkel vrij van erfbelasting kunnen gebeuren indien deze verzaking gebeurt voor het overlijden van de erflater.

Fiscale behandeling van het wettelijk toegekend opvolgend vruchtgebruik

Het wettelijk toegekend opvolgend vruchtgebruik (WTOV) maakte zijn intrede met de nieuwe erfwet van 1 september 2018. Door die nieuwe erfwet sneuvelde de inbreng in het voordeel van de langstlevende echtgenoot. Om dit te compenseren, werd het WTOV ingeschreven in artikel 858bis van het oud Burgerlijk Wetboek. Op grond van dat artikel erft de langstlevende onder bepaalde voorwaarden het vruchtgebruik op de goederen die de overledene tijdens het leven heeft geschonken. Dit WTOV geldt voor schenkingen die met voorbehoud van vruchtgebruik werden gedaan, tijdens het huwelijk met de langstlevende echtgenoot of tijdens een wettelijke samenwoning (in geval van een schenking van de gezinswoning), op voorwaarde dat de schenker zich dit vruchtgebruik heeft voorbehouden en er ook nog titularis van was op de dag van het overlijden. De langstlevende die tot de nalatenschap dient te komen en deze aanvaardt mag daarnaast nog niet verzaakt hebben aan dat vruchtgebruik tijdens het leven van de schenker.

In principe is de verkrijging van een WTOV vrijgesteld van erfbelasting. Om belastbaar te zijn in de erfbelasting dient hetgeen de langstlevende verkrijgt uit de nalatenschap immers een erfrechtelijke verkrijging te zijn die bestaat uit een overgang van goederen uit de nalatenschap. Het WTOV ontstaat naar aanleiding van het overlijden van de erflater en is bijgevolg een erfrechtelijke verkrijging, waardoor de eerste voorwaarde van belastbaarheid voldaan is. De verkrijging van het WTOV bestaat daarentegen niet uit een overgang van goederen uit de nalatenschap. Het overlijden van de erflater heeft immers tot gevolg dat het vruchtgebruik van de erflater uitdooft en dat er een nieuw vruchtgebruik ten voordele van de langstlevende ontstaat, op goederen die bij leven zijn geschonken. Aangezien het niet om een overgang van goederen uit de nalatenschap gaat maar om een nieuw vruchtgebruik, is de tweede voorwaarde voor belastbaarheid niet voldaan.

Hoewel de drie Gewesten dit inderdaad zo begrepen hebben, is de fiscale behandeling van het WTOV in Vlaanderen anders dan in Brussel en Wallonië. In Brussel en Wallonië is er inderdaad geen erfbelasting verschuldigd op het WTOV. De Vlaamse decreetgever wenste echter wel erfbelasting te heffen op het WTOV en voegde daarom een tweede lid toe aan artikel 2.7.1.0.2 VCF.

Daaruit volgt dat er in Vlaanderen erfbelasting verschuldigd is op het WTOV tenzij de langstlevende aan het vruchtgebruik verzaakt heeft. Vele auteurs betreuren de belastbaarheid van het WTOV in Vlaanderen. Daarnaast zorgde ook de uitzondering op de belastbaarheid, in geval van verzaking door de langstlevende, voor de nodige vragen. Geldt deze uitzondering enkel indien men tijdens het leven van de erflater aan dit WTOV verzaakte? Of geldt dit ook indien men na het overlijden van de erflater aan de WTOV verzaakt? Tot voor kort gaf noch de wettekst zelf, noch de memorie van toelichting hierover uitsluitsel. Op grond van een letterlijke en restrictieve interpretatie van de tekst stelde een heel aantal auteurs dan ook dat ook de verzaking na het overlijden van de erflater vrij van erfbelasting kon gebeuren.

Wijziging van artikel 2.7.1.0.2 VCF

De Vlaamse decreetgever komt nu tegemoet aan bovenstaande onzekerheid. Het decreet wijzigt artikel 2.7.1.0.2 VCF en vervangt de woorden “tenzij de langstlevende echtgenoot (…) aan het vruchtgebruik heeft verzaakt” in “tenzij de langstlevende echtgenoot (…) voor het overlijden van de schenker aan het vruchtgebruik heeft verzaakt”. De memorie van toelichting preciseert dat deze wijziging louter een technische verduidelijking inhoudt. Volgens de memorie van toelichting is het immers logisch dat er enkel een vrijstelling van erfbelasting is indien men aan het WTOV verzaakt tijdens het leven van de schenker. Het gewijzigde artikel 2.7.1.0.2 VCF, dat binnenkort in werking zal treden, spreekt dus klare taal. Een verzaking aan het WTOV is enkel vrijgesteld van erfbelasting indien de langstlevende er aan verzaakt voorafgaandelijk aan het overlijden van de schenker.

Lees hier het originele artikel