>, Fiscaal recht, Verzekeringsrecht>Hervorming vennootschapsbelasting : is winstreservering een alternatief voor de IPT-verzekering? (LegalNews.be)

Hervorming vennootschapsbelasting : is winstreservering een alternatief voor de IPT-verzekering? (LegalNews.be)

Auteur: LegalNews.be

Publicatiedatum: 21/11/2017

Biedt de daling van de vennootschapsbelastingtarieven alternatieve mogelijkheden voor een bedrijfsleider om een aanvullend pensioen op te bouwen via zijn vennootschap?

Is het idee om winst in de vennootschap te reserveren (en een bijhorende liquidatiereserve aan te leggen), die dan later uitgekeerd kan worden als een aanvulling voor het pensioen vanaf 2018 weer een optie (een alternatieve vorm van ‘interne pensioenopbouw’)?

LegalNews.be vroeg het aan de expert ter zake, de heer Paul Van Eesbeeck, juridisch raadgever en vennoot Vereycken & Vereycken Legal.

Waarom deze denkpiste, welke zijn de elementen die gewijzigd zijn?

Als winst niet als dividend wordt uitgekeerd maar in de vennootschap blijft, kan een KMO-vennootschap een liquidatiereserve aanleggen, die vroeg of laat zal toekomen aan de aandeelhouder(s), ultiem bij de ontbinding van de vennootschap.

Het systeem van de liquidatiereserve is niet nieuw en kadert dus niet in het recente zomerakkoord, maar dat zomerakkoord voorziet wel in een vrij drastische daling van de vennootschapsbelastingtarieven. Het normaal belastingtarief zakt van 33,99% naar 29,58% in 2018 en verder naar 25% vanaf 2020.

KMO-vennootschappen genieten bovendien op de eerste winstschijf van €100.000 een verlaagd tarief van 20,40%. Vanaf 2020 wordt dat 20% rond (op voorwaarde dat ze aan minstens één bedrijfsleider een minimale bezoldiging van €45.000 toekennen).

De liquidatiereserve stijgt dus door deze daling van de vennootschapstarieven, zodat de vraag kan gesteld worden of het nog zin heeft premies te storten voor een aanvullend pensioen als de vennootschap op het ogenblik van haar ontbinding over een groter kapitaal zal beschikken dan met de vroegere tarieven.

Spelen de gewijzigde tarieven puur cijfermatig in het voordeel van een liquidatiereserve?

Zonder in alle details te treden: als een KMO-vennootschap gedurende 20 jaar €10.000 euro gereserveerd heeft met betaling van vennootschapsbelasting van 20% en van de belasting op de aanleg van de liquidatiereserve, dan wordt er op die manier na 20 jaar een netto pensioenspaarpot opgebouwd van €167.346.

Als die KMO-vennootschap 20 jaar voor de pensioenleeftijd van haar bedrijfsleider een IPT-verzekering opstart waarin zij jaarlijks een bruto premie stort van €10.000, zal het netto pensioenkapitaal met een eindtaxatie van 10,7% (10% + 7% gemeentetaks) €190.406 bedragen. Met een eindtaxatie van 17,655% (16,5% + 7% gemeentetaks) is dat €175.576 voor de bedrijfsleider, maar in de praktijk komen de meeste bedrijfsleiders wel in aanmerking voor het verlaagde 10%-tarief.

De IPT-verzekering levert dus ook in de toekomst meer netto pensioenkapitaal op dan winstreservering in de vennootschap.

Spelen er nog andere factoren dan cijfers?

In bovenstaande berekening wordt er uitgegaan van het feit dat de vennootschap ontbonden wordt (en dat de roerende voorheffing op de uitkering van de liquidatiereserve derhalve achterwege blijft), wat in de praktijk niet altijd mogelijk of gewenst is (overdracht van de vennootschap, medeaandeelhouders die een andere visie hebben). Een IPT-verzekering kan dus gemakkelijker op maat van iedere bedrijfsleider uitgetekend worden, een niet onbelangrijk element.

Wat is de waarde van het argument dat bij winstreservering het geld in de vennootschap blijft, zoals bij een interne pensioenbelofte?

In tegenstelling tot een IPT-verzekering gaat er met winstreservering geen onmiddellijke kasstroom vanuit de vennootschap gepaard: als er geen of onvoldoende cash is om de IPT-premies te betalen of als de winsten moeten aangewend worden voor investeringen is dat uiteraard een troef.

Maar anderzijds blijft de winst bij reservering in de vennootschap onderworpen aan het ondernemingsrisico, terwijl bij een IPT-verzekering de bedrijfsleider zelf rechtstreekse pensioenaanspraken verleent tegenover de verzekeraar. Het gaat zelfs om een bevoorrechte pensioenvordering.

Maar de opgebouwde premies zitten toch ook ‘bevroren’ bij de verzekeringsmaatschappij?

Waar veel bedrijfsleiders nog altijd niet aan denken is de realiteit dat de in een IPT-verzekering aangewende sommen nog vóór de pensionering en dus tijdens de actieve loopbaan aangesproken kunnen worden om er via de technieken van voorschot en verpanding op fiscaalvriendelijke wijze vastgoedprojecten in de breedste zin mee te financieren. En dat kan je niet met de liquidatiereserve die in de vennootschap zit: enkel de vennootschap zelf kan er onroerende goederen mee aankopen of bouwen. En dat is een wereld van verschil.

De liquidatiereserve kan wel steeds als dividend uitgekeerd worden, maar dan is er roerende voorheffing van 5% of 20% verschuldigd. En bij een dividenduitkering delen alle aandeelhouders in de vreugde, ook zij die misschien niet operationeel actief zijn in de vennootschap.

De heer Paul Van Eesbeeck behandelt dit item:

– tijdens zijn sessie ‘Wat is de impact van het zomerakkoord op aanvullende pensioenen en beleggingsverzekeringen?’ op de studiedag ’De fiscale hervormingen van 2017: 4 bijzondere items onder de loep’ op donderdag 14 december 2017 in Sint-Niklaas

– tijdens de studienamiddag ‘Aanvullende pensioenen voor zelfstandigen anno 2018: een stand van zaken’ op dinsdagnamiddag 30 januari 2018 in Kontich