>>>Wetsontwerp houdende de invoering van een jaarlijkse taks op de effectenrekeningen (JTER) gaat in de finale fase (Tiberghien)

Wetsontwerp houdende de invoering van een jaarlijkse taks op de effectenrekeningen (JTER) gaat in de finale fase (Tiberghien)

Auteurs: Gerd D. Goyvaerts, Dirk Coveliers, Bart De Cock en Christophe Coudron (Tiberghien)

Publicatiedatum: 23/12/2020

Deze regering wenst blijkbaar te volharden in de (her)invoering van een herwerkte jaarlijkse taks op de effectenrekeningen (hierna JTER).  Door te blijven vasthouden aan de effectenrekening als belastbaar feit en te ontkennen dat het hier om een vermogensbelasting gaat, raakt de regering echter in moeilijk uitlegbare situaties die op zijn zachtst gezegd leiden tot ongelijke behandeling, en ook vaak als artificieel aanvoelen.

Hierna volgt een overzicht van de voornaamste nieuwigheden en aandachtspunten van het wetsontwerp dat naar verluidt op vrijdag 18 december 2020 door de Ministerraad werd goedgekeurd en dat naar wij verwachten eerstdaags in het Parlement zal worden ingediend.

Belastbare tegoeden

In onze nieuwsbrief van 10 november over dit voorontwerp, hadden wij reeds gemeld dat het betwist kan worden of geldmiddelen mee begrepen kunnen worden onder de financiële activa die op een effectenrekening staan.

Deze problematiek van de kwalificatie van geldbeleggingen werd ook onderzocht door de Raad van State. De gemachtigden hebben hierop geantwoord dat een onderscheid gemaakt moest worden tussen de cash die op de effectenrekening staat en de cash op een (afzonderlijke) zichtrekening (zie randnummer 23 van het advies).

Om alle discussies hierover te vermijden wordt voortaan expliciet gesteld dat geldmiddelen eveneens deel uitmaken van belastbare basis (nieuw artikel 201/3, 4° WDRT), indien zij worden aangehouden op een effectenrekening.

Bijgevolg blijven geldbeleggingen die niet op een effectenrekening aangehouden worden buiten het toepassingsgebied. Of dat dan meteen betekent dat geldmiddelen die van de effectenrekening worden overgeboekt naar de zicht- of spaarrekening “niet” meer betrokken worden in de heffing is echter een heel andere vraag (zie hierna).

Eén miljoen grens

Zoals in onze eerdere newsflash van 9 december meegedeeld, maakte de Raad van State ernstige bezwaren bij de motivering van de drempel van € 1 mio. Enkel boven deze drempel zal de JTER verschuldigd zijn. Belastingplichtigen worden anders behandeld naargelang de gemiddelde waarde van de financiële instrumenten op de rekening al dan niet boven die drempel uitstijgt. De regering verantwoordde in de eerdere versie het onderscheid door te stellen dat vermogen onder de drempel volatiel was, terwijl men boven deze drempel weinig alternatieve beleggingsmogelijkheden heeft (dan een effectenrekening), waardoor er geen ontwijkingsmogelijkheden zouden zijn. De Raad merkte echter op dat het onduidelijk is waarom de belasting onder de drempel van € 1 mio eenvoudig zou kunnen worden ontweken, terwijl dit boven de grens niet mogelijk zou zijn.

Ook de stelling van de regering dat dit nodig is vanuit de efficiëntie van de belastingheffing, klopt niet volgens de Raad. Zij merkte terecht op dat een dergelijke verantwoording niet kan gelden voor een taks, waarvan de administratieve lasten van de inning grotendeels worden afgewenteld op de tussenpersonen.

In de memorie van toelichting tracht de regering de stelling dat er boven de drempel van € 1 mio geen goede beleggingsalternatieven zijn, verder te onderbouwen. Zo wordt er verwezen naar de Household Finance and Consumption Survey (meest recente editie 2017) afgenomen door de Nationale Bank van België. Bij huishoudens met beleggingsinstrumenten die typisch worden aangehouden op effectenrekeningen, ter waarde van meer dan € 1 mio, zou een bijzonder hoge mate van concentratie van het financieel vermogen in die beleggingsinstrumenten worden vastgesteld. Bij huishoudens met zo’n beleggingsinstrumenten ter waarde van minder dan € 1 mio, zou daarentegen een eerder geringe mate van concentratie van het financieel vermogen in die beleggingsinstrumenten worden vastgesteld. Gemiddeld 47,3% van hun financieel vermogen wordt belegd in die instrumenten.

Het is echter onduidelijk op welke cijfers de regering zich exact baseert; er wordt in de memorie geen exacte referentie weergegeven. In elk geval zijn deze gegevens niet eenvoudig raadpleegbaar, zodat men zich vragen kan stellen bij de correctheid van de motivering. Bovendien blijkt uit het publiek beschikbare rapport van de NBB dat onder de “financiële activa” ook (en hoofdzakelijk) spaar- en zichtrekeningen worden begrepen, aandelen op naam, edele metalen, … De stelling dat deze typisch op een effectenrekening worden aangehouden lijkt bijgevolg niet correct. Bovendien wordt ook niet ingegaan op alternatieve beleggingsvormen (buiten de financiële activa) zoals vastgoed of andere activa.

Het valt dan ook te betwijfelen of dit een voldoende verantwoording is voor het behoud van de drempel van 1 mio en de ongelijke behandeling die er het gevolg van is. De extra argumentatie van de regering lijkt in elk geval onvolledig en ontoereikend, minstens onduidelijk.

In de memorie wordt bovendien nog verduidelijkt dat de drempel van € 1 mio gelijk te stellen is met een zogenaamde “voetvrijstelling”, waardoor bedragen beneden deze drempel zouden zijn vrijgesteld. De Raad van State had in haar advies echter al aangegeven dat een 0%-tarief tot 1 mio op hetzelfde neerkomt en niet tot een andere beoordeling kan leiden vanuit het oogpunt van het gelijkheidsbeginsel. Waarom dit toch nog als verantwoording werd toegevoegd is dan ook onduidelijk.

Ten slotte merken we op dat deze grens helemaal niet zal spelen op tak 23 beleggingsverzekeringen. In dat geval wordt de JTER immers toegepast op de collectieve effectenrekening van de verzekeringsmaatschappij waarop de onderliggende beleggingen van het contract worden aangehouden. Bijgevolg worden indirect ook veel kleinere verzekeringscontracten (ver onder de drempel van € 1 mio) getroffen.

Internationale spelers

De Belgische Asset Managers maken zich voornamelijk zorgen over de impact van de JTER op effecten die door buitenlandse institutionelen op een Belgische effectenrekening gedeponeerd worden om vervolgens hier in België te laten beheren.

Daarnaast geven ook vele buitenlandse fondsen Belgische effecten in bewaring bij Belgische depot-houdende banken.

Deze vrees is o.i. in belangrijke mate onterecht. De ontwerpteksten voorzien immers een vrijstelling ratione personae voor een hele lijst van “institutionele entiteiten” zoals banken, verzekeringsmaatschappijen, alternatieve en UCITS ICB’s etc. Deze vrijstelling geldt inderdaad niet indien “een derde, vennootschap of entiteit, over enig rechtstreeks of onrechtstreeks vorderingsrecht beschikt verbonden aan de waarde van de aangehouden effectenrekening”. Indien deze “derde” echter zelf een kwalificerende “institutionele entiteit” is, dan is de uitzondering op de vrijstelling niet van toepassing. Merk op dat de wetgever hier onder meer werkt met een verwijzing naar de entiteiten bedoeld in artikel 198/1, § 6, 1° tot 12° WIB. Welnu, het valt op dat hier vrij stelselmatig wordt verwezen naar een “algemene” definitie van kredietinstelling, verzekeringsmaatschappij, ICB, etc. Men beperkt zich m.a.w. niet tot in Belgische gevestigde en/of erkende entiteiten maar men verwijst dus impliciet ook naar buitenlandse banken, verzekeringsmaatschappijen, ICB’s etc.

Daarnaast voorzien de ontwerpteksten verder nog een specifieke vrijstelling voor effectenrekeningen rechtstreeks of onrechtstreeks aangehouden door niet-inwoners die deze effectenrekeningen niet aanwenden binnen een Belgische inrichting waarover deze niet-inwoners beschikken “bij een centrale effectenbewaarinstelling bedoeld in artikel 198/1, § 6, 12°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, of bij een depositobank vergund door de Nationale Bank van België in toepassing van artikel 36/26/1, § 6, van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België.”

Het valt uiteraard toe te juichen dat de wetgever financiële dienstverlening door in België gevestigde instellingen aan niet-inwoners wenst veilig te stellen door een uitzondering te voorzien. Het is echter te betreuren dat deze gunstmaatregel enkel en alleen wordt gereserveerd tot twee zeer specifieke gevallen. Men kan zich in deze o.i. ernstige vragen stellen in het licht van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel omdat op die manier mogelijks een onverantwoorde ongelijke behandeling in het leven wordt geroepen ten opzichte van entiteiten die het statuut van een “gewone” kredietinstelling hebben aangenomen, doch die voor bepaalde diensten in hun aanbod mogelijks in concurrentie treden met de bewuste centrale effectenbewaarinstellingen en/of depositobanken.

Waarom deze vrijstelling dan ook niet openstellen voor alle niet-inwoners die de effectenrekeningen niet aanwenden binnen een Belgische inrichting? In vele gevallen zullen niet-inwoners immers sowieso niet onderhevig zijn aan de nieuwe taks indien deze verhinderd wordt door het relevante dubbelbelastingverdrag. Men zou zich de vraag moeten stellen hoeveel inkomsten de nieuwe taks voor wat effectenrekeningen aangehouden door niet-inwoners betreft mogelijks zou kunnen opleveren. En of het überhaupt de moeite waard is om hiervoor signalen de wijde wereld in te sturen dat België niet de goede locatie is voor financiële dienstverlening, en België uit de markt te prijzen als financieel centrum? Deze werkwijze zal “in real life” elders immers leiden tot minder-ontvangsten (minder inkomsten in de vennootschapsbelasting, minder internationaal marktaandeel en bij gevolg minder jobs in de financiële sector, …). Trop d’impôt tue l’impôt. Bij wijzen van illustratie kan overigens verwezen worden naar de beurstaks, die een universele vrijstelling ratione personae voorziet voor niet-inwoners (artikel 126/1, 2° in fine WDRT), allicht vanuit de filosofie België aantrekkelijk te maken/houden voor financiële dienstverlening waarbij niet-inwoners betrokken zijn.  

Tak 23 verzekeringsproducten

De effectenrekeningen die worden aangehouden door instellingen voor collectieve belegging die niet onder de kaaimantaks vallen, worden uitgesloten van de JTER. De reden hiertoe is dat de aandelen of certificaten van deze instellingen zelf een beleggingsobject uitmaken, die gebruikelijker wijze aangehouden worden op effectenrekeningen die zelf wel onder het toepassingsgebied van de taks vallen. Deze vaststelling leidt tot een duidelijk en objectief onderscheid met effectenrekeningen aangehouden in het kader van een Tak 23-verzekeringsovereenkomst waar de rechten van de belegger de vorm aannemen van begunstigde van een verzekeringsovereenkomst en bijgevolg nooit op een effectenrekening worden aangehouden.

De principiële belastbaarheid van deze beleggingsverzekeringen wordt voorzien in het nieuw artikel 201/4 al. 4 WDRT. Daarin wordt gesteld dat de JTER ook niet verschuldigd is voor effectenrekeningen die voor eigen rekening aangehouden worden door onder meer verzekeringsondernemingen, tenzij een derde (niet vrijgestelde belastingplichtige) over enig rechtstreeks of onrechtstreeks vorderingsrecht beschikt verbonden aan de waarde van de effectenrekening aangehouden door die verzekeringsmaatschappij. Die derde is dan de verzekeringnemer of de begunstigde van een tak 23 beleggingsverzekering.

Volgens de memorie van toelichting bij het wetsontwerp vallen effectenportefeuilles die worden aangehouden door de verzekeringsinstellingen in het kader van een tak 23 verzekering, wel degelijk onder de toepassing van de JTER.  Het aanhouden van een portefeuille middels een tak 23 verzekering en de er achter liggende effectenrekening zouden immers “een volledig substituut [uitmaken] voor een direct aangehouden effectenrekening”.

Doch door deze prestatie te doen afhangen van het aanhouden van een effectenrekening door de verzekeringsmaatschappij, bestaan er zeer eigenaardige gevolgen:

  • Vooreerst worden ook de verzekeringscontracten van minder dan € 1 mio (indirect) onderworpen aan de JTER indien er op de globale effectenrekening van de verzekeringsonderneming meer dan 1 miljoen euro aan financiële instrumenten staan (wat uiteraard in de praktijk steeds het geval zal zijn). Hierdoor krijgt men een verschillende behandeling tussen belastingplichtigen die rechtstreeks een ‘eigen’ effectenportefeuille aanhouden op een effectenrekening en onder de grens van 1 miljoen blijven, en zij die een beleggingsverzekering tak 23 van minder dan 1 miljoen hebben afgesloten en dus tevens onder dit bedrag blijven.

Voor een effectenrekening die rechtstreeks aangehouden wordt en waarop maximum € 1 mio staat zou de JTER dan niet van toepassing zijn omwille van de mogelijke elasticiteit en uitwijking naar alternatieve beleggingsmogelijkheden (zie randnr. 8 advies van de Raad van State).  Tot hiertoe wordt er nergens in de memorie van toelichting aangegeven waarom diezelfde elasticiteit niet zou bestaan bij beleggingsverzekeringen met een afkoopwaarde van maximum € 1 mio.

De Raad van State haalt deze problematiek van de taxatie van kleinere contracten onder € 1 mio in het geheel niet aan. Waarschijnlijk was de Raad zich niet bewust van deze problematiek. Echter, het is niet omdat de Raad er niet over gesproken heeft, dat men zou kunnen besluiten dat zij ermee akkoord gaat.

  • Verder stelt zich nog een bijkomend praktisch probleem. De effectenrekeningen van een verzekeringsmaatschappij omvatten immers niet alleen de beleggingen van tak 23 producten, maar eveneens van andere verzekeringsproducten, waaronder bijvoorbeeld tak 21 producten. De depositobank(en) bij wie deze effectenrekening(en) van de verzekeringsmaatschappij aangehouden wordt (worden), beschikt (beschikken) niet over de informatie om deze opsplitsing te maken. Die informatie kan enkel teruggevonden worden bij de verzekeringsmaatschappij zelf op basis van de boekhoudkundige reserves. Ten slotte rijst ook dan nog de vraag óf de verzekeringnemer/begunstigde wel rechtstreeks of onrechtstreeks een vordering heeft op de waarde van een effectenrekening. Vermits men stelt dat dit niet zo is voor deelnemers in een contractueel beleggingsfonds, omdat dit als een autonoom doelvermogen beschouwd wordt, lijkt eenzelfde redenering a priori ook te kunnen gelden voor de houders van een contract van een verzekeringsmaatschappij of voor de begunstigden van zo’n contract, eenvoudigweg omdat een verzekeringsmaatschappij een aparte entiteit is met een apart vermogen. Een flagrante discriminatie loert hier dus om de hoek.
Antimisbruikbepaling inzake de jaarlijkse taks op effectenrekeningen

De JTER wordt enkel geheven indien de gemiddelde waarde van de financiële instrumenten op de effectenrekening meer dan € 1 mio bedraagt. Gedragingen die erop gericht zijn om de belastbare waarde van een effectenrekening te verminderen door gebruik te maken van alternatieve beleggingsvormen waarbij hetzelfde doel wordt nagestreefd maar een ander middel wordt gebruikt, enkel en alleen om de drempel van € 1 mio per effectenrekening te vermijden/omzeilen, worden strijdig bevonden met de doelstelling van de taks. Zo specifieert de regering dat een belegger in strijd handelt met de doelstelling van het wetsontwerp wanneer hij twee effectenrekeningen heeft, een met een waarde van € 1,5 miljoen en een andere met € 200.000, en vervolgens € 700.000 overschrijft naar de kleinere effectenrekening zodat beide effectenrekeningen uiteindelijk onder de drempel blijven, dit zonder de totale waarde van de rekeningen te verminderen. Deze en nog tal van andere situaties, waardoor men zich ‘moedwillig’ buiten de toepassing van de JTER kan plaatsen terwijl men hetzelfde beleggingsobjectief blijft nastreven, worden volgens de regering verhinderd door deze nieuwe algemene antimisbruikbepaling.

In de memorie van toelichting worden de volgende acht situaties als voorbeelden van misbruik aangemerkt:

1°           het splitsen van effectenrekeningen waarbij effecten worden verplaatst tussen rekeningen bij dezelfde financiële tussenpersoon of naar rekeningen bij een andere financiële tussenpersoon met het oogmerk om te vermijden dat de totale waarde van de effecten op één rekening meer bedraagt dan 1 miljoen euro;

2°           het openen van effectenrekeningen waarbij effecten worden gespreid tussen rekeningen bij dezelfde financiële tussenpersoon of bij een andere financiële tussenpersoon met het oogmerk om te vermijden dat de totale waarde van de effecten op één rekening meer bedraagt dan 1 miljoen euro;

3°          de omzetting van aandelen, obligaties en andere belastbare financiële instrumenten in effecten op naam zodat ze niet langer meer op een effectenrekening worden aangehouden, met het oogmerk om te ontsnappen aan de taks. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de omzetting plaatsvindt in situaties waar het gebruikelijk is dat de effecten gedematerialiseerd worden aangehouden en de omzetting geen betrekking heeft op (vaak belangrijke) aandelenparticipaties in (voornamelijk) familiale vennootschapen die als lange termijninvestering en/of voor controledoeleinden worden aangehouden, dewelke zich immers buiten het normale kader van een portefeuillebelegging situeren;

4°          het onderbrengen van een aan de taks onderworpen effectenrekening in een buitenlandse rechtspersoon die de effecten overplaatst naar een buitenlandse effectenrekening, met het oogmerk de taks te vermijden;

5°          het onderbrengen van een aan de taks onderworpen effectenrekening in een fonds waarvan de deelbewijzen op naam worden geplaatst, met het oogmerk de taks te vermijden;

6°          de overplaatsing van een effectenrekening of van een bestaande Tak 23-verzekeringsovereenkomst naar een Tak 23-verzekeringsovereenkomst afgesloten met een buiten België gevestigde verzekeringsonderneming, met het oogmerk om te ontsnappen aan de taks;

7°           de overplaatsing van een effectenrekening waarbij effecten worden getransfereerd naar het buitenland bij dezelfde financiële tussenpersoon of naar rekeningen bij een andere financiële tussenpersoon, met het oogmerk om te ontsnappen aan de taks;

8°          het aanhouden van een effectenrekening waarvan alle effecten zijn verkocht of getransfereerd om nulwaarden te creëren op referentietijdstippen teneinde de gemiddelde waarde van de belastbare financiële instrumenten tijdens de referentieperiode te laten dalen, met het oogmerk om de taks te verminderen of te ontsnappen aan de taks.

In bovenvermelde situaties is er volgens de regering sprake van een weerlegbaar vermoeden van belastingontwijking dat strijdig is met de doelstelling van de bepalingen van het wetsontwerp, en mag de Administratie er redelijkerwijs van uitgaan dat er sprake is van fiscaal misbruik. Blijkbaar heeft de fiscus in deze optiek geen enkele bewijslast. Dat neemt uiteraard niet weg dat de belastingschuldige (in principe de Belgische financiële instelling) steeds het recht heeft om aan te tonen, aan de hand van concrete en objectief verifieerbare elementen, dat de verrichtingen kunnen worden verklaard door andere motieven dan het ontwijken van de taks. Dergelijke motieven zijn in principe eigen aan de titularis van de rekening (de belastingplichtige) en hangen van elk geval afzonderlijk af. Het is echter niet ondenkbaar zo wordt er aan toegevoegd, “dat gebeurtenissen zoals omschreven in bovenvermelde casussen het gevolg kunnen zijn van technische, operationele of organisatorische redenen eigen aan de financiële tussenpersoon die zich opdringen aan de titularis van de rekening. Deze dienen vanzelfsprekend ook in aanmerking te worden genomen.”

Niettemin wordt er in deze laatste versie van het wetsontwerp ook een onweerlegbaar vermoeden van misbruik toegevoegd om de meest evidente gevallen van splitsing van effectenrekeningen te vatten. Aldus worden de volgende beide verrichtingen uitdrukkelijk niet tegenstelbaar gesteld aan de belastingadministratie wanneer zij vanaf 30 oktober 2020 werden gesteld :

  • het splitsen van een effectenrekening in meerdere effectenrekeningen aangehouden bij dezelfde tussenpersoon;
  • de omzetting van belastbare financiële instrumenten aangehouden op een effectenrekening naar financiële instrumenten op naam.

Deze datum van 30 oktober 2020 sluit aan bij de datum waarop de algemene antimisbruikbepaling uitwerking heeft. Volgens de memorie van toelichting geldt dit onweerlegbaar vermoeden niet in geval van een scheiding of een overlijden met beëindiging van een gedwongen onverdeeldheid van een effectenrekening tot gevolg. Deze uitzonderingen zijn echter niet in de ontwerptekst voorzien, zodat men zich de vraag kan stellen hoe deze voorbeelden zich verhouden met de (onweerlegbare) tekst van artikel 201/4 WDRT.

Als kers op de taart wordt in de memorie van toelichting ook nog opgemerkt dat de voormelde top down analyse voor de toepassing van de antimisbruikbepaling, waarbij de belastbare waarde van een effectenrekening wordt verlaagd om de gegeven taks te verminderen of zelfs te vermijden, ook geldt voor bottom-up situaties, waarbij de belastbare waarde van een effectenrekening niet verder wordt verhoogd om de geheven taks niet te laten toenemen. Het is op dit punt dat de tekst eerder kafkaiaans wordt.

Volgens de memorie van toelichting zal de antimisbruikbepaling immers bijgevolg ook in werking treden “wanneer een titularis met een portefeuille beursgenoteerde effecten, die aangehouden worden op een effectenrekening, overgaat tot aankoop van bijkomende beursgenoteerde effecten, die hij dan op naam laat stellen zodat zij niet op een effectenrekening geplaatst moeten worden, of die hij eventueel wel onder gedematerialiseerde vorm verwerft maar op een nieuwe aparte effectenrekening laat plaatsen, dit dan telkens met de (zogezegde) bedoeling om aan de JTER te ontsnappen. Ook in die situaties zou de bedoeling van de wetgever gefrustreerd worden omdat eenzelfde doel wordt nagestreefd, namelijk zich onttrekken aan bijkomende taks.”

Er kan dus volgens de regering niet worden aanvaard dat de belastbare waarde van de effectenrekening daalt onder drempelbedrag van € 1 mio door omzetting van gedematerialiseerde financiële instrumenten naar financiële instrumenten op naam. Evenmin kan worden aanvaard – zo blijkt –  dat men als belegger zelf “vermijdt” dat de waarde van een effectenrekening verder stijgt. De antimisbruikbepaling verhindert namelijk dat men zich buiten de toepassing van de taks kan plaatsen door omzetting van belastbare financiële instrumenten in niet belastbare financiële instrumenten. En dat werkt dus blijkbaar in twee richtingen. Tenminste bij “dezelfde” financiële instelling. Wat wel aanvaard wordt is de omzetting in een alternatieve belegging die geen financieel instrument is, bijvoorbeeld een belegging in vastgoed.

Deze fameuze antimisbruikbepaling en zeker de twee onweerlegbare specifieke antimisbruikbepalingen die onbeperkt in de tijd van toepassing zullen blijven, zullen met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid voor talloze operationele opvolgingsproblemen zorgen bij de Belgische financiële instellingen.

Het staat als een paal boven water dat vele spaarders of beleggers niet-inwoners ervoor zullen kiezen om de Belgische financiële sector te verlaten. Dit is een taks die de Belgische financiële sector niet competitief en onaantrekkelijk maakt voor niet-inwoners ten opzichte van de financiële sectoren in de ons omringende landen. Ook de Belgische verzekeringssector deelt in de klappen.

Lees hier het originele artikel

2021-01-06T11:38:52+00:00 6 januari 2021|Categories: Directe belastingen|Tags: , |