Overheidsopdrachten
anno 2022
(Incl. Jaarboek Overheidsopdrachten
2021 – 2022)

Studiedag op 2 december 2022

 

Het nieuwe verbintenissenrecht:
de impact voor de bouw- en vastgoedsector

Webinar op 20 oktober 2022

Privaatrechtelijke erfdienstbaarheden in het oud en nieuw Burgerlijk Wetboek

Webinar on demand

Het nieuwe goederenrecht en de vastgoedpraktijk – 10 relevante nieuwigheden onder de loep

Webinar on demand

50 jaar Wet Breyne – Een overzicht aan de hand van rechtspraak

Webinar on demand

Buitencontractuele aansprakelijkheid in het bouwgebeuren

Webinar on demand

Succesvol aanvechten van de stilzwijgende (ongemotiveerde) verwerping van een beroep in omgevingsvergunnings-dossiers niet langer gegarandeerd (Publius)

Auteur: Dirk Van Heuven (Publius)

Tot voor kort was het lot van een beroep tegen een stilzwijgende afwijzing van het beroep tegen een omgevingsvergunning voorspelbaar. De Raad voor Vergunningsbetwistingen ging over tot vernietiging, vaak met een spoedprocedure van de korte debatten.

Zo werd bijvoorbeeld in het arrest nr. RvVb-A-1920-1095 van 11 augustus 2020 geoordeeld:

‘Aangezien de verwerende partij het administratief beroep van de verzoekende partijen stilzwijgend afwijst, verwerpt ze aldus de beroepsargumenten die de verzoekende partijen hebben aangehaald op een ongemotiveerde wijze. Ook op stilzwijgende vergunningsbeslissingen is het ongeschreven beginsel van behoorlijk bestuur van de materiële motiveringsplicht van toepassing, dat vereist dat een beslissing steunt op juridisch en feitelijk aanvaardbare motieven, die minstens uit het administratief dossier blijken.‘

Het cassatiearrest van de Raad van State nr. 253.650 van 5 mei 2022 maakt daar een einde aan. Beroeper, zijnde de vergunningsaanvrager, had in de procedure voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen een exceptie van onontvankelijkheid opgeworpen aangezien het vernietigingsberoep bij de RvVb enkel was gericht tegen de stilzwijgende verwerpingsbeslissing van de deputatie, terwijl de verzoekers ook de in eerste administratieve aanleg genomen beslissing hadden dienen aan te vechten.  Er kon rechtens niet enkel wettigheidskritiek tegen de stilzwijgende beroepsbeslissing worden geformuleerd en geen wettigheidskritiek ten aanzien van de in eerste administratieve aanleg verleende omgevingsvergunning, aldus de cassatievoorziening.

De Raad van State geeft de beroeper gelijk en gaat over tot vernietiging van het arrest van de RvVb, ondermeer op basis van deze overwegingen:

‘Uit wat voorafgaat volgt dat:

  • de met een administratief beroep bestreden uitdrukkelijke beslissing van het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg “als definitief aanzien” wordt na het verstrijken van de termijn waarbinnen de deputatie in laatste administratieve aanleg een uitdrukkelijke beslissing moet nemen;
  • de als definitief aangeziene uitdrukkelijke beslissing van het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg en niet in laatste administratieve aanleg werd genomen;
  • artikel 66, § 3 tweede lid, OVD de devolutieve werking van het georganiseerd administratief beroep nuanceert in geval van een krachtens het decreet tussengekomen afwijzing van een administratief beroep door daaraan het gevolg te koppelen dat de met het administratief beroep bestreden uitdrukkelijke beslissing in eerste administratieve aanleg genomen beslissing “als definitief [wordt] aanzien”;
  • in dat geval er in de rechtsorde twee beslissingen bestaan: enerzijds een krachtens het decreet stilzwijgende beslissing in laatste administratieve aanleg en anderzijds een uitdrukkelijke beslissing in eerste administratieve aanleg die als definitief moet worden aangezien;
  • artikel 105, § 1 OVD op limitatieve wijze bepaalt welke beslissingen bij de RvVb kunnen worden bestreden en dat is onder meer de stilzwijgende beslissing betreffende een omgevingsvergunningsaanvraag, genomen in laatste administratieve aanleg;
  • in voorkomend geval de deputatie “de verweerder” (artikel 15, 19, 58, 59, 74, 77, 78 van het besluit van 16 mei 2014 van de Vlaamse regering ‘houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’) is die door de stilzwijgende afwijzing van het administratief beroep de motieven voor de uitdrukkelijke vergunningverlening in eerste administratieve aanleg tot de hare heeft gemaakt; 
  • het beroep van de verzoeker tegen de stilzwijgende afwijzing van het administratief beroep middelen moet uiteenzetten tegen de motieven voor de uitdrukkelijke vergunningverlening in eerste administratieve aanleg die de verweerder stilzwijgend tot de hare heeft gemaakt‘.

Het belang van dit arrest kan in rechtspraktijk absoluut niet onderschat worden!

Bron: Publius