Overheidsopdrachten
anno 2022
(Incl. Jaarboek Overheidsopdrachten
2021 – 2022)

Studiedag op 2 december 2022

 

Het nieuwe verbintenissenrecht:
de impact voor de bouw- en vastgoedsector

Webinar op 20 oktober 2022

Privaatrechtelijke erfdienstbaarheden in het oud en nieuw Burgerlijk Wetboek

Webinar on demand

Het nieuwe goederenrecht en de vastgoedpraktijk – 10 relevante nieuwigheden onder de loep

Webinar on demand

50 jaar Wet Breyne – Een overzicht aan de hand van rechtspraak

Webinar on demand

Buitencontractuele aansprakelijkheid in het bouwgebeuren

Webinar on demand

Raad voor Vergunningsbetwistingen niet meer bevoegd nadat onteigeningsprocedure voor de vrederechter is ingeleid (Publius)

Auteurs: Dirk Van Heuven en Leandra Decuyper (Publius)

Met arrest nr. RvVb-A-2021-0422 van 10 december 2020 verwierp de Raad voor Vergunningsbetwistingen een voorziening tegen een definitief onteigeningsbesluit.

De onteigenden tekenden cassatieberoep aan bij de Raad van State, die de vordering in het arrest nr. 253.649 van 5 mei 2022 verwerpt:

‘De gemeente voert aan dat de verzoekers, behalve zesde en zevende verzoeker, overeenkomstig artikel 46 en volgende van het decreet van 24 februari 2017 ‘betreffende de onteigening voor het algemeen belang’ (hierna: Onteigeningsdecreet) werden gedagvaard voor de vrederechter. Het “initiëren van de gerechtelijke onteigeningsprocedure […] impliceert dat de [RvVb] zich niet langer kan uitspreken over de vordering tot nietigverklaring van het definitief onteigeningsbesluit […]. De [RvVb] dient zich in dergelijk geval immers zonder rechtsmacht te verklaren. Dit heeft eveneens tot gevolg dat” deze verzoekers “niet langer over een actueel belang beschikken bij hun cassatieberoep. De eventuele cassatie van het bestreden arrest levert hen niets op, nu de [RvVb] zich bij een gebeurlijk nieuw onderzoek van de zaak zonder rechtsmacht zal moeten verklaren.

Verzoekers kunnen derhalve niet langer enig voordeel putten uit een gebeurlijk nieuw onderzoek van de zaak door de [RvVb]”.

De verzoekers vragen de exceptie van de gemeente te verwerpen. “Noch het Vlaams Onteigeningsdecreet, noch het bijhorende Onteigeningsbesluit, noch het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges/dan wel het bijhorende Procedurebesluit bevat een legitieme grondslag om het beweerd verlies van rechtsmacht van de [RvVb] te funderen. […] een passus opgenomen in de parlementaire voorbereidingen van het Vlaams Onteigeningsdecreet […] kan geenszins prevaleren op de wettelijke/decretale bepalingen ter zake (waaromtrent dus hoegenaamd niets is voorzien). […] Een passage uit een parlementaire voorbereiding zou hoogstens nog aangewend kunnen worden bij een eventuele interpretatie van een onduidelijke wettelijke bepaling. Maar dit is hier zelfs niet aan de orde vermits er hoegenaamd geen wettelijke bepaling is (die dan ook geen interpretatie behoeft)”.

Beoordeling

Uit de gegevens van het dossier waarop de Raad van State acht mag slaan, blijkt dat de gerechtelijke fase van de onteigening waaraan het voor de RvVb betwiste onteigeningsbesluit ten grondslag ligt, door V.werd opgestart.

De voorwaarde van het belang bij een cassatieberoep bestaat hierin dat een verzoekende partij, na een gebeurlijke vernietiging van de door hem bestreden jurisdictionele beslissing, enig voordeel moet kunnen putten uit een gebeurlijk nieuw onderzoek van de zaak door de RvVb.

Het belang bij een cassatieberoep voor de Raad van State moet niet enkel bestaan bij het instellen van dat beroep maar ook gedurende de gehele procedure, tot op het ogenblik van de uitspraak. Het kan teloorgaan door omstandigheden die zich in de loop van het geding voordoen. Daarenboven moet een verzoekende partij wier belang in de loop van het geding op grond van relevante gegevens in vraag wordt gesteld, daarover standpunt innemen en het behoud van haar belang aantonen.

Artikel 43 van het Onteigeningsdecreet (onderdeel van Titel 3, “Bestuurlijke fase”, hoofdstuk 8 “Bevoegd rechtscollege”) bepaalt:

“Het definitieve onteigeningsbesluit kan door de belanghebbenden bestreden worden bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, opgericht bij artikel 4.8.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, met toepassing van de regels die met betrekking tot de geschillenbeslechting door dat rechtscollege zijn bepaald bij of krachtens het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges”.

Artikel 46 § 1 van het Onteigeningsdecreet (onderdeel van Titel 4, “Gerechtelijke fase”, hoofdstuk 1 “De aanhangigmaking van de zaak”) bepaalt:

“De zaak wordt bij dagvaarding aanhangig gemaakt bij de vrederechter, met inachtname van een dagvaardingstermijn van vijftien dagen”.
Artikel 50 § 1 van het Onteigeningsdecreet (onderdeel van Titel 4, “Gerechtelijke fase”, hoofdstuk 2 “De behandeling van de zaak”, Afdeling 1 “De wettigheid van de onteigening en de provisionele onteigeningsvergoeding”, Onderafdeling 1 “Eerste aanleg”) bepaalt:
“De vrederechter doet binnen drie maanden na de inleidingszitting uitspraak over de wettigheid van de onteigening. Het vonnis wordt geacht op tegenspraak te zijn”.

Artikel 54 § 1 van het Onteigeningsdecreet (onderdeel van Titel 4, “Gerechtelijke fase”, hoofdstuk 2 “De behandeling van de zaak”, Afdeling 1 “De wettigheid van de onteigening en de provisionele onteigeningsvergoeding”, Onderafdeling 2 “Hoger beroep”) bepaalt:

“Tegen het vonnis waarin de vrederechter met toepassing van artikel 50, § 1, uitspraak doet over de wettigheid van het definitieve onteigeningsbesluit, kan enkel in volgende gevallen hoger beroep worden ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg:
1° als de vrederechter de onteigening onwettig acht en weigert: door de onteigenende instantie;
2° als de vrederechter de onteigening wettig acht en toelaat: door elke partij die de wettigheid heeft betwist”.

De afdeling Wetgeving van de Raad van State overwoog aangaande de bevoegdheid van de RvVb het volgende in zijn advies 59.790/1/V van 13 september 2016 over het voorontwerp van decreet van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest ‘betreffende onteigening voor het algemeen nut’:

“3. Het beroep bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen

9.1. De organisatie van de rechtsbescherming inzake onteigening omvat niet enkel de voormelde gerechtelijke fase, waarin de gewone rechtbanken op initiatief van de onteigenende instantie de rechtmatigheid van het definitieve onteigeningsbesluit en van de provisionele en definitieve onteigeningsvergoeding beoordelen als een onderdeel van de onteigeningsprocedure, alsook overgaan tot de beoordeling van eventuele aanspraken van de onteigende op de gedwongen aankoop van het restant of van zijn recht op wederoverdracht. Zoals de rechtsbescherming inzake onteigening is geconcipieerd in de ontworpen regeling, houdt ze ook in dat wordt voorzien in de mogelijkheid om de rechtmatigheid van een definitief onteigeningsbesluit te laten toetsen in het kader van een objectief beroep bij een Vlaams bestuursrechtscollege, namelijk de Raad voor Vergunningsbetwistingen.
De verhouding van dit beroep tot de gerechtelijke fase wordt niet geregeld in het ontwerp en nauwelijks besproken in de memorie van toelichting. De gemachtigde verklaarde dienaangaande het volgende:

‘Het is (…) de bedoeling dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen de huidige rol van de Raad van State m.b.t. onteigeningen zal overnemen. De verhouding tot de rechtelijke macht is dan ook dezelfde als die van de Raad van State (afdeling bestuursrechtspraak). Zoals in de [memorie van toelichting] wordt vermeld zal zodra in een dossier de vrederechter wordt gevat, de Raad voor Vergunningsbetwistingen zich onbevoegd verklaren, gelet op de exclusieve bevoegdheid van de gewone burger voor geschillen omtrent burgerlijke rechten (artikel 144 van de Grondwet). Aangezien dit voortvloeit uit de Grondwet, is het niet nodig dit nogmaals expliciet in het decreet op te nemen.’

In het licht van deze verklaring kan worden aangenomen dat, naar analogie van de huidige situatie voor beroepen ingesteld bij de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, het beroep bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen in elk geval kan worden ingesteld door elke eigenaar of houder van een zakelijk of persoonlijk recht op het onroerend goed dat het voorwerp is van de onteigening. Gelet op het residuaire karakter van deze rechtsbescherming ten aanzien van de gerechtelijke fase van de onteigeningsprocedure kan eveneens worden aangenomen dat de bevoegdheid van de Raad voor Vergunningsbetwistingen, althans voor beroepen ingesteld door deze personen, verdwijnt van zodra de zaak aanhangig is gemaakt bij de vrederechter. Voorts kan worden aangenomen dat ook andere personen die geen houder te zijn van enig voormeld recht en die toch doen blijken van een belang bij de wettigheidstoetsing door de Raad voor Vergunningsbetwistingen, een dergelijk beroep kunnen instellen, ongeacht of de zaak aanhangig is gemaakt bij de vrederechter, aangezien zij geen partij zijn bij die laatste zaak .
Gelet op het belang van deze bevoegdheidsverdeling voor de rechtzoekende is het raadzaam om ze meer uitvoerig in de memorie van toelichting te schetsen.
…”.

Naar aanleiding van dit advies, verduidelijkt de memorie van toelichting bij het ontwerp van Onteigeningsdecreet de verhouding tussen de aldus ingestelde rechtsmacht van de RvVb enerzijds en deze van de gewone rechter anderzijds om, indien daartoe aangezocht, een oordeel te vellen over de wettigheid van het onteigeningsbesluit als volgt (Parl.St. Vl.Parl. 2016-17, nr. 991/1, p. 73-74) als volgt:

“…
2. Marginale weerslag op de federale bevoegdheden

2.3. Geen impact op federale hoven en rechtbanken
Zodra de administratieve fase is afgerond, d.w.z. de gerechtelijke fase is aangevat d.m.v. een dagvaarding voor de vrederechter, zal de Raad voor Vergunningsbetwistingen zich echter onbevoegd verklaren, gelet op de exclusieve bevoegdheid van de gewone rechter voor geschillen omtrent burgerlijke rechten (artikel 144 van de Grondwet). Ook de gewone rechter heeft immers de verplichting om besluiten van de onteigenende instantie op hun wettigheid te toetsen. Zie hiervoor RvS 4 juni 2013, nr. 223.722: ‘Die bevoegdheid van de gewone rechter sluit de bevoegdheid van de Raad van State uit om kennis te nemen van een beroep tot nietigverklaring van die handelingen, indien dat beroep is ingesteld door de onteigende.

Deze bevoegdheidsuitsluiting geldt vanaf de dagvaarding om voor de gewone rechter te verschijnen en ten aanzien van de personen die tot die procedure toegang hebben. Zij geldt ook voor het beroep dat bij de Raad van State werd ingesteld vooraleer de vrederechter werd geadieerd’. Zie hierover ook G. DEBERSAQUES, ‘De rechtsmacht van de Raad van State inzake onteigening ten algemene nutte’, TBP 2000, afl. 1, 12-19.

Het beroep bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen kan in elk geval worden ingesteld door elke eigenaar of houder van een zakelijk of persoonlijk recht op het onroerend goed dat het voorwerp is van de onteigening. Gelet op het residuaire karakter van deze rechtsbescherming ten aanzien van de gerechtelijke fase van de onteigeningsprocedure verdwijnt de bevoegdheid van de Raad voor Vergunningsbetwistingen, althans voor beroepen ingesteld door deze personen, van zodra de zaak aanhangig is gemaakt bij de vrederechter (Vgl. RvS 1 december 2008, nr. 188.392, De Cloedt (eigenaar); RvS 18 november 2011, nr. 216.332, bvba Landexplo Zele e.a. (andere rechthebbenden)). Andere personen die geen houder zijn van enig voormeld recht en die toch doen blijken van een belang bij de wettigheidstoetsing door de Raad voor Vergunningsbetwistingen, kunnen een dergelijk beroep instellen, ongeacht of de zaak aanhangig is gemaakt bij de vrederechter, aangezien zij geen partij zijn bij die laatste zaak. Zie RvS 18 november 2011, nr. 216.332, bvba Landexplo Zele e.a. (zgn. ‘gewone derden’). De Raad voor Vergunningsbetwistingen neemt dan ook de huidige rol van de Raad van State m.b.t. onteigeningen over. De verhouding tot de rechtelijke macht is dan ook dezelfde als die van de Raad van State (afdeling bestuursrechtspraak).
…”.

Gelet op het bepaalde in artikel 144 van de Grondwet, volgt uit wat voorafgaat dat het belang van de verzoekers bij hun cassatieberoep is teloorgegaan. Door de betekening van de dagvaarding voor de vrederechter van de verzoekers door V. is de gerechtelijke fase van de onteigening ingezet waaraan het voor de RvVb betwiste onteigeningsbesluit ten grondslag ligt. De RvVb is hierdoor niet langer bevoegd om de wettigheid van het door de verzoekers bestreden onteigeningsbesluit te beoordelen.

De verzoekers kunnen bijgevolg niet langer voordeel putten uit een nieuw onderzoek van de zaak door de RvVb na cassatie van het bestreden arrest.

De exceptie is gegrond.

Het cassatieberoep is onontvankelijk’.

Bron: Publius