Vergoedbare en niet-vergoedbare schade in het buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht (Prof. Matthias E. Storme)

Auteur: Prof. Matthias E. Storme (KU Leuven)

Publicatiedatum: 02/08/2021

Deze tekst is een uittreksel uit de tekst Verbintenissenrecht (nog geen volwaardige syllabus of handboek verbintenissenrecht), maar een overzicht dat zich vooral toespitst op wat er de voorbij 20 jaar in het verbintenissenrecht geschiedde naast een grondiger uitwerking van voornamelijk enkele meer complexe vragen of rechtsfiguren. Ook bij themata die in de klassieke handboeken minder aan bod komen, wordt iets ruimer op de theorie ingegaan.

Schade kan niet enkel bestaan uit de aantasting van een subjectief recht, maar ook van een rechtmatig belang.

NB. Algemeen: regels inzake schade vinden we ook in de Europese Richtlijn betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens
inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht (EURL 2014/104), omgezet in Boek XVII WER (door de Wet van 6 juni 2017).

a. Onrechtmatig voordeel

Geen vergoeding is verschuldigd voor schade die bestaat uit het wegvallen van een onrechtmatig voordeel[1]. Dit vergt wel enige nuance: Het loutere feit dat de schadelijder zich in de onwettigheid bevindt, maakt evenwel nog niet elke schade tot onrechtmatig voordeel[2]. Volgens recente rechtspraak moet ook worden vastgesteld dat de schadelijder zelf een fout heeft begaan die aan de basis ligt van de onrechtmatigheid[3].

Een voorbeeld uit de rechtspraak betreft de schade die een aannemer vordert uit een onwettige overheidsopdracht (in casu onwettig omdat 1° er geen vergunning was voor de werken en 2° de opdracht ‘op maat’ geschreven was en dus mededingingsbeperkend)[4]. Een ander voorbeeld zijn de kosten voor herstel van een illegaal gebouw of werk dat door de fout van een derde beschadigd is[5]. Deze rechtspraak is gecontesteerd; bovendien is ook de gekozen wettelijke grondslag (nl. art. 17 Ger.W.) m.i. naast de kwestie.

b. Wrongful life

Er kan geen sprake zijn van vergoedbare schade wanneer het bestaan ervan gebaseerd wordt op een vergelijking met een niet-bestaan van een persoon, in casu de vergelijking tussen de toestand van een gehandicapt bestaan en een niet bestaan[6]. Voor de moeder kan de geboorte van een kind als dusdanig evenmin schade vormen: een mislukte zwangerschaspafbreking die tot de geboorte van een gezond kind leidt, kan dus geen aanspraak op schadervergoeding opleveren[7].

c. Overlijden

Ons recht aanvaardt vrij ruim de vergoedbaarheid van de schade die derden lijden door het overlijden van een persoon. Voor die schade kunnen ze volgens de gewone regels vergoeding vorderen, iure proprio, als een eigen aanspraak. De overledene zelf kan geen vergoeding vorderen voor de schade die bestaat uit de dood, maar enkel voor de voor het overlijden opgelopen schade; is de persoon intussen overleden, dan gaat diens aanspraak over op de erfgenamen die deze dan iure successionis kunnen uitoefenen (los van hun eigen aanspraken).

De door de erfgenamen verschuldigde erfbelasting (successierechten) vormt evenwel geen vergoedbare schade, zie de bespreking infra Hst. 5.

d. Ten laste blijvende schade (zgn. “doorbraak” causaal verband) door juridische oorzaak v. vergoedbare schade

1° Beginselen

Waar oudere rechtspraak soms de vergoeding van schade verwierp omdat die een eigen juridische rechtsgrond zou hebben waardoor er geen causaal verband zou zijn (een verwarring tussen twee verschillende concepten van oorzaak), zit het Hof van cassatie sinds de cassatie-arresten van 19 en 20 februari 2001 (“loondoorbetalingsarresten”) terecht op het spoor van de schade. De regel luidt nu dat wanneer ingevolge de onrechtmatige daad van een ander, iemand moet overgaan tot de nakoming van een wettelijke of contractuele verplichting, dat niet meebrengt dat het causaal verband met de onrechtmatige daad is doorbroken; dergelijke schade is in beginsel vergoedbare schade, tenzij de ratio van de rechtsregel die de genoemde verplichting oplegt erin bestaat dat die kost definitief ten laste te blijven van de aldus verplichte persoon. Dat laatste is een rechtsvraag, geen vraag van bewijs: Cass. 18 september 2007[8]. In latere arresten verduidelijkt Cass. dat vergoeding enkel dan op die grond niet kan, “wanneer blijkens de inhoud of de strekking van de overeenkomst, de wet of het reglement, de te verrichten uitgave of prestatie definitief voor rekening moet blijven van diegene die zich ertoe heeft verbonden of die ze ingevolge de wet of het reglement moet verrichten”[9].

Hetzelfde geldt wanneer de schade niet door een fout wordt veroorzaakt, maar een andere aansprakelijkheidsgrond, bv. de foutloze aansprakelijkheid voor zwakke weggebruikers krachtens art. 29bis WAM[10], bij verkeersongevallen waar de aansprakelijkheid niet kan worden vastgesteld (art. 29ter WAM), of die voor zaken onder art. 1384 I BW[11]. Daarop is wel een belangrijke uitzondering, nl. dat de schade ten laste blijft van de WAM-verzekeraar of het Motorwaarborgfonds indien die krachtens art. 29bis uitkeerde en de schadelijder zelf schuld heeft aan het ongeval[12].

NB. Arrest nr. 137/2007 van het GwH 7 november 2007 geeft een grondwetsconforme interpretatie van art. 1382 BW die leidt tot gelijkschakeling van situaties van werkgevers uit privésector en overheidssector, d.i. tot toepassing van de cassatie-arresten van 2001 ook in de privésector.

2° Voorbeelden van niet-vergoedbare schade:

Het betreft meestal gevallen waarin er ook geen subrogatie plaatsvindt, maar ook sommige gevallen waarin er wel subrogatie is.

a) inzake werknemers, sociale zekerheidsprestaties en pensioenen

– de rente uitgekeerd aan de weduwe of kinderen van een overleden personeelslid[13];

– het invaliditeitspensioen dat een werkgever uitkeert na vervroegde pensionering van een werknemer die ten gevolge van de fout van een derde arbeidsongeschikt is geworden[14]; voor een invaliditeitspensioen uitgekeerd door de EU aan een EU-ambtenaar oordeelde het HvJ anders, art. 85bis Vo. 259/68 van 29 februari 1968 tot vaststelling van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen daarvoor subrogatie bepaalt anders bepaalt[15]; anderzijds houdt art. 85bis enkel in een subrogatie in voor zover de schadelijder zelf een aanspraak op schadevergoeding jegens de derden heeft; het GwH oordeelde dan ook dat “De omstandigheid dat het Hof van Justitie aangeeft dat die bedragen, krachtens de draagwijdte van het Statuut, niet definitief voor rekening van de Unie moeten blijven, houdt evenwel niet in dat de betaling ervan, wanneer het overlijden van de Europese ambtenaar te wijten is aan een ongeval dat door een derde is veroorzaakt, noodzakelijkerwijs wordt gelijkgesteld met het begrip « schade » in de zin van de artikelen 1382 en 1383 van het Belgische Burgerlijk Wetboek“[16]. Het Hof van Cassatie besliste vervolgens in 2018 dat het niet om een schade in de zin van art. 1382 BW gaat[17]. De ambtenaar zelf heeft in ieder geval geen recht op dubbele vergoeding[18].

– de kosten die de overheid lijdt door de toekenning van ziekte- of invaliditeitsverlof aan een personeelslid[19];

– de niet door arbeidsprestaties gecompenseerde kost van de doorbetaling van een invaliditeitsuitkering aan een contractueel personeelslid wat betreft de periode na de beëindiging van de contractuele duur[20];

– de rente die de openbare werkgever wegens gedeeltelijke invaliditeit betaalt naast het loon (loon waarvoor men tegenprestatie ontvangt)[21];

– de schade ingevolge arbeidsongeschiktheid van een personeelslid voor zover die door de eigen schuld van het slachtoffer werd veroorzaakt, blijft definitief ten laste van de werkgever (Cass. 21 september 2009[22], argument uit beperking van regres en subrogatie – cassatie neigt naar parallellie);

M.a.w. er is een beperking tot de uitkeringen die de tegenprestatie zijn van arbeidsprestaties: die beperking is volgens het GwH niet ongrondwettig[23] (en ook niet in strijd met genoemd art 85bis Statuut).

b)  inzake schadeverzekeringen s.l.

– de uitkeringen van zgn. sommenverzekeringen, in het bijzonder de uitkering van levensverzekering bij overlijden van de verzekerde;

– de vergoeding betaald door een schadeverzekeraar aan de verzekerde schadelijder, uitkering die de tegenprestatie is van de premies[24] – wel kan de verzekeraar in de wettelijk bepaalde gevallen regres uitoefenen, of door quasi-subrogatie de aanspraak van de verzekerde uitoefenen;

– hetzelfde geldt voor de uitbetalingen door een ziekenfonds als ziekteverzekeraar[25], ook al beschikt de ziekteverzekeraar wel over een subrogatoire vordering.

c) inzake openbare diensten

– schade geleden door de uitoefening van bepaalde taken van openbare dienst blijven in beginsel ten laste van die overheid. Bv. brandweer[26] en politie[27]. Wat de politie betreft is de motivering dat “het een algemene veiligheidstaak betreft die ten laste van het openbaar bestuur (blijft)” onvoldoende volgens cassatie[28]. Het Hof van beroep Gent besliste dat “De kosten van het optreden van de politiediensten, met name die m.b.t. de opsporing en de bestrijding van echte of vermeende criminaliteit, blijven in beginsel, afgezien van eventuele andersluidende wettelijke bepalingen, ten laste van de overheid, ook als deze kosten achteraf nutteloos zijn gebleken. Dit geldt echter niet wanneer degene die ingevolge een door hem gepleegd misdrijf de kosten van het politieoptreden heeft veroorzaakt, het misdrijf heeft gepleegd met het bijzonder opzet om overlast te veroorzaken of om schade te berokkenen, in welk geval die kosten wel vergoedbare schade opleveren“[29].

Wat de brandweer betreft maakt het KB van 25 april 2007 tot vaststelling van de opdrachten van de hulpdiensten die kunnen worden verhaald en die welke gratis zijn wel een nader onderscheid; bv. optreden van de brandweer wegens vervuiling wegdek door ladingverlies kan verhaald worden[30]. Zo ook is er bij het optreden van civiele bescherming een onderscheid naargelang het gaat om de kosten voor technische hulpverleningswerkzaamheden die niet het gevolg zijn van een noodoproep om mensen te beschermen of te redden of niet[31].

– de kosten voor de vaststelling van de schade gemaakt door de rechtsbijstandsverzekeraar, meer bepaald kosten van de deskundige aangesteld door die verzekeraar[32].

3° Voorbeelden van vergoedbare schade:

a) inzake vergoeding van niet presterende werknemers of bestuurders

– De schade die erin bestaat dat de werkgever tijdens het doorbetalen van de arbeidsongeschikte werknemer diens arbeidsprestaties moet missen, is in beginsel wél een vergoedbare schade[33]. Deze schade is niét beperkt tot het “netto-loon” maar omvat in het algemeen de uitgaven van de werkgever (dus m.i.v. het brutoloon)[34]; zelfs wanneer het gaat om een personeelslid van de overheid maakt de bedrijfsvoorheffing mee een vergoedbare schade uit[35]. De werkgever moet niet aantonen dat hij andere schade lijdt dan die welke voortvloeit uit de omstandigheid dat hij het loon en de lasten heeft uitbetaald zonder als tegenprestatie arbeidsprestaties te hebben ontvangen[36]. De schade omvat niét het vakantiegeld, want daar staan geen prestaties van de werknemer tegenover[37] maar wel de sociale programmatiepremie[38].

– volgens een Nederlandstalig arrest geldt hetzelfde wanneer het niet de werkgever zelf is die de wedde doorbetaalt (in casu Vlaams ministerie van onderwijs)[39], maar een Franstalig arrest verwerpt de voorziening tegen een arrest dat beslist dat nu de schade bestaat uit het gebrek aan arbeidsprestaties, het de werkgever is en niet de subsidiërende overheid die de schade lijdt[40]. Het Grondwettelijk Hof besliste intussen dat die franstalige interpretatie ongrondwettig is (en de nederlandstalige grondwettig)[41], en vervolgens is de franstalige kamer van cassatie omgegaan[42];

– de schade voor de overheid (FOD Financiën) die erin bestaat een ambtenaar van de dienst invordering te moeten aanwijzen om in een complex dossier van fiscale fraude alle stadia van de strafrechtspleging actief op te volgen en de advocaat die de verdediging van zijn belangen verzekert nuttig bij te staan, taak die geen deel uitmaakt van de normale invordering, waardoor de bezoldiging van die ambtenaar geen betrekking had op het normale werk dat hij daardoor niet kon uit om de geoderen te behouden voeren[43];

– de schade die erin bestaat dat een onderneming de arbeidsongeschikt bestuurder doorbetaalt krachtens een beding in de overeenkomst et die bestuurder, is vergoedbare schade[44];

b) inzake openbare diensten en saneringsplichten

– de kosten die een gemeente maakt om krachtens de verplichting van art. 135 § 2 Nieuwe gemeentewet de veiligheid van de openbare wet te verzekeren, in casu instandhoudingswerken uitgevoerd aan een woning waarvan de bewaarder nalatig is[45]:

– de kosten voor technische hulpverleningswerkzaamheden van de civiele bescherming die niet het gevolg zijn van een noodoproep om mensen te beschermen of te redden of niet (zie hierboven);

– de kosten voor interventies van de overheid op de waterwegen wanneer een schip kapseist of verontreinigt of er daarvoor een voldoende risico is om tussenkomst noodzakelijk te maken[46] en meer algemeen matregelen om de vrijheid en de veiligheid van de scheep-vaart te verzekeren[47];

– de kosten voor monsternames en analyses door de Vlaamse Milieumaatschappij uitgevoerd n.a.v. waterverontreiniging[48];

– de saneringsplicht voor bodemverontreiniging; deze verhindert geen aanspraak uit onrechtmatige daad jegens de ‘saneringsaansprakelijke’, voor zover die bestaat krachtens het gemeen recht (1382, 1384 I BW) of bijzondere wetsbepalingen.

c) andere voorbeelden

– zo een bewaarnemer krachtens de bewaarnemingsovereenkomst de bewaargever moet vergoeden, wanneer een derde de in bewaring gegeven goederen bedrieglijk verkrijgt, is dit voor de bewaarnemer een vergoedbare schade[49]. Omgekeerd is het ook een vergoedbare schade wanneer een persoon met misbruik van vertrouwen goederen verkoopt en de koper vervolgens de ware eigenaar vergoedt om de goederen te behouden; die vergoeding kan als schade worden teruggevorderd[50];

Hier is omgekeerd de mogelijkheid van subrogatie een indicatie dat het om een vergoedbare schade gaat (ook al vallen de subrogatoire vordering en de aanspraak uit vergoeding niet samen)[51].  Maar zoals uit de voorbeeldne inzake schadeverzekering en ziekteverzekering blijkt, houdt zo’n subrogatie nog niet noodzakelijk in dat men de schade ook als eigen recht kan vorderen.

NB. Omgekeerd zal een pensioen of levensverzekeringsvergoeding uitgekeerd naar aanleiding van een schadegeval, niet moeten worden aangerekend (in mindering gebracht) op de schadevergoeding, precies omdat dat recht een eigen rechtsgrond heeft, terwijl bv. een inkomensvervangende tegemoetkoming aan een persoon met een handicap (die betaling geldt als voorschot en de betalende instelling is gesubrogeerd, art. 13 § 2 W. 27 februari 1987) wel in mindering moet worden gebracht[52]. Zie de bespreking bij voordeelstoerekening infra hoofdstuk 5 b).

e. Samenloop en co-existentie: beperking buitencontractuele aanspraak voor contractuele schade

1° De beperking van de samenloop en co-existentie

a) Beperking door een contractuele verhouding tussen partijen

Dit handelt over de vraag of men schadevergoeding wegens onrechtmatige daad kan vorderen van een contractspartij of een persoon die door de contractspartij voor de uitvoering is ingeschakeld. In het IPR is dit een vraagstuk van buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht (toepassing van de conflictregel uit de Rome-II-Vo.). Dit handelt dus niet over de vraag of men op contractuele basis de wederpartij of de uitvoeringsagent van de wederpartij kan aanspreken

Regels

De huidige rechtspraak wat de samenloop tussen dezelfde partijen betreft, is ongewijzigd sedert minstens 2006[53]: indien de schade ook contractueel is, is er geen buitencontractuele aanspraak tenzij er tevens een (strafrechtelijk) misdrijf is[54]. De rechtspraak concentreert zich enkel nog op de afwezigheid van contractuele schade (d.i. er is andere dan aan de slechte uitvoering van een contractuele verbintenis te wijten schade[55]) en vereist geen afwezigheid van een contractuele fout meer. Sommigen spreken van een koerswijziging. M.i. is het enkel een terechte kleine herformulering.

Traditioneel geldt wel dat aanspraken uit onrechtmatige daden die tevens een strafbaar feit uitmaken, ook mogelijk zijn voor contractuele schade.

Verduidelijking bij overgang contractuele aanspraak

Wanneer de koper van een zaak met de eigendom ook een aanspraak verwerft op de contractspartij van de verkoper (diens leverancier, aannemer enz.) alsook wanneer de bouwheer de eigendom verwerft van zaken geleverd door de leverancier van de aannemer en daarmee ook diens aanspraken op de leverancier, dan heeft de koper c.q. bouwheer géén buitencontractuele aanspraak op de wederpartij van zijn wederpartij (zelfs al zou die niet gelden als uitvoeringsagent) omdat hij een contractuele aanspraak heeft verworven (zie de bespreking van die gevallen verder infra bij overgang van schuldvorderingen)[56].

Toepassing

Op de eerste plaats moet er sprake zijn van een contractuele verhouding, wat bv. niet steeds het geval is wanneer de eigenaar van een auto iemand anders laat rijden in plaats van zelf te sturen[57].

Of de schade contractueel is, hangt ervan af of de overeenkomst er in beginsel (mee) toe strekt die te vermijden. Een arrest Hof Gent illustreert dat in een zaak waar een aannemer die voor de grondeigenaar werken verricht zijn machine beschadigt door contact met een ondergrondse deksteen. Volgens het Hof is de aanwezigheid van een deksel in het weiland vreemd aan de aannemingsovereenkomst en geen gevolg van een schending van de contractuele verplichtingen van één van de contractspartijen (anders gezegd: de opdrachtgever had geen contractuele verplichting om aan de aannemer een veld ter beschikking te stellen dat geen schade zou kunnen veroorzaken). Daardoor is een buitencontractuele aanspraak niet uitgesloten; in casu werd die toegekend op grond van art. 1384 I (aansprakelijkheid voor een gebrekkige zaak)[58].

Wanneer een koper schade lijdt door een aankoop die hij niet kan vernietigen omdat zijn dwaling onverschoonbaar is, en dit het gevolg is van de onzorgvuldigheid van een derde die hem adviseerde (bv. zijn vastgoedmakelaar), dan is dit geen schade uit de verkoopovereenkomst (maar een schade uit de makelaarsovereenkomst). Wanneer de verzekeringsmakelaar slechts advies geeft in de faze voorafgaand aan het sluiten van een verzekeringsovereenkomst, is dat een contractuele en geen buitencontractuele fout (en schade) in de verhouding tussen de makelaar en zijn cliënt[59].

b) Geen beperking door een reglementaire verhouding tussen partijen

De regel van uitsluiting van buitencontractuele aansprakelijkheid wegens samenloop geldt niet voor “reglementaire” rechtsverhoudingen (zie voor deze kwalificatie infra IV.): Cass. 27 november 2006[60] (Gaselwest). In een dergelijke reglementaire rechtsverhouding gelden de regels van de buitencontractuele aansprakelijkheid: daarvan kan weliswaar bij wetskrachtige norm worden afgeweken, maar niet door middel van een louter reglement[61] (wel door middel van een afwijkende overeenkomst, wat dan wel de toestemming van beide partijen vereist), tenzij de bepaling in het dat reglement gebaseerd is op een bevoegdheid die voldoende expliciet door de wetskrachtige norm wordt gegeven.

Ook kan uit een lex specialis volgen dat de regels van art. 1382 BW vervangen worden door een meer specifieke wettelijke regeling (net zoals het contractenrecht in de theorie van de niet-samenloop een lex specialis is ten aanzien van art. 1382 BW).

2° Toepassing bij derden (regels van de niet-coëxistentie) en gevallen die buiten die beperking vallen (wel coëxistentie van aansprakelijkheden)

De uitsluiting van een buitencontractuele aanspraak in de genoemde gevallen geldt niet enkel voor aanspraken jegens de contractuele wederpartij, maar ook jegens diens “uitvoeringsagenten” of “hulppersonen”. De juiste omvang van die categorie is niet zo duidelijk bepaald.

a) Geen beperking van passieve co-existentie (schuldenaar jegens meerdere schuldeisers)

Op de eerste plaats speelt de beperking natuurlijk niet ten aanzien van een derde die geen contractuele band heeft met de opdrachtgever van de nalatige partij – zo kan een lasthebber zich voor fouten die hij in de uitvoering van de lastgevingsovereenkomst zou hebben begaan, niet op die “immuniteit” beroepen ten aanzien van een derde-schadelijder die geen contractuele band heeft met de lastgever[62], of een bestuurder van een rechtspersoon niet voor precontractuele aansprakelijkheid jegens een derde die met de vennootschap onderhandelde[63]. De aansprakelijkheid jegens de derde vereist natuurlijk wel dat de contractuele fout ook een fout is in de zin van art. 1382 (en voor werknemers in de zin van art. 18 ArbOvW[64]). Wel speelt de beperking tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar van de uitvoeringsagent, aangezien er geen eigen recht wanneer er geen is tegen de verzekerde[65].

De contractuele schuldenaar kan zich ook niet op die immuniteit voor buitencontractuele aansprakelijkheid beroepen jegens de bestuurders van de vennootschap waarmee de overeenkomst is gesloten, voor zover die een eigen schade hebben geleden[66]. Zijn schuld is immers niet de uitvoering van een verbintenis van de vennootschap jegens de bestuurders.

Ook wanneer de curator collectieve rechten van de schuldeisers uitoefent die niet louter de rechten van de gefailleerde zelf zijn (zie wel de kritische beschouwing hierover infra f), gaat het niet om een contractuele schade en is er dus geen samenloopverbod[67]. Dat geldt zelfs wanneer het aandeel in die zgn. collectieve schade bij stilzitten van de curator ook door een individuele contractuele schuldeiser kan worden opgevorderd (zoals bij de bestuursaansprakelijkheid art. XX.225 WER (voorheen 530 § 1 II W.Venn.) – zie Cass. 12 oktober 2018[68]). Het argument luidt dat die schade niet samenvalt met de contractuele schade door niet-uitvoering van de overeenkomst (“Dit aandeel in de collectieve schade houdt geen verband met de contractuele schade die een schuldeiser lijdt naar aanleiding van een door de gefailleerde vennootschap niet- nagekomen verbintenis. De regel van de quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent is niet van toepassing op de aansprakelijkheid van een bestuurder wegens een door hem begane kennelijk grove fout die heeft bijgedragen tot het faillissement“), maar de echte ratio is natuurlijk dat het gaat om fouten die het voor de contractuele schuldeiser juist onmogelijk te maken om verhaal te nemen waar hij volgens de regels van contractenrecht zijn verhaal zou moeten halen, nl. bij de door de bestuurders leeggemaakte vennootschap[69]. Wanneer de curator van een gefailleerde rechtspersoon in uitoefening van de collectieve rechten van de schuldeisers (en niet in uitoefening van een recht van de gefailleerde zelf) een bestuurder van de gefailleerde aansprakelijk stelt, kan verder de aan die bestuurder verleende kwijting hem niet worden tegengeworpen[70]. Het moet dan wel gaan om een fout waarvoor de bestuurder ook jegens derden aansprakelijk is, zoals bv. (krachtens een uitdrukkelijke wetsbepaling) art. 2.56 III WVV (schendingen van het WVV of de statuten).

b) Beperking van actieve co-existentie (schuldeiser met aanspraken jegens meerdere schuldenaars) – wanneer speelt die niet

i)  Uitvoeringsagent

Wel is er dus in beginsel een immuniteit voor buitencontractuele aansprakelijkheid voor de contractuele schade aan een derde veroorzaakt door de uitvoeringsagenten en de organen van de wanpresterende contractant.

Een uitvoeringsagent is een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die door de schuldenaar van een contractuele verbintenis belast wordt met de gehele of gedeeltelijke uitvoering van deze verbintenis, ongeacht of hij deze verbintenis uitvoert voor eigen rekening en in eigen naam, dan wel voor rekening en in naam van de schuldenaar[71].

Bij een overschrijving tussen rekeningen bij verschillende banken, is de bank van de begunstigde een uitvoeringsagent van de bank van de opdrachtgever[72].

De medecontractant is geen uitvoeringsagent wanneer hij een wettelijke opdracht vervult, ook wanneer hij een wettelijk monopolie heeft waardoor de medecontractant niet anders kan dan beroep te doen op die partij – in casu ELIA als beheerder van het transmissienet electriciteit; die opdracht kan immers geen deel uitmaken van de contractuele verplichtingen van de medecontractant, en de monopolist geniet dus niet van de immuniteit[73].

Volgens de cassatierechtspraak is de medecontractant van de schuldenaar geen uitvoeringsagent wanneer deze enkel hulpzaken ter beschikking stelt van de contractspartij die hiervan gebruik maakt bij de uitvoering van haar verbintenissen, veeleer dan een deel van de verplichtingen van de schuldenaar uit te voeren[74]. In casu betrof het de verhuurder van opslagtanks waarin een verkoper tijdelijk de verkochte goederen stockeerde. De bodemrechter had geoordeeld dat de verhuurder van de tank door de verkoper – die de accessoire verplichting heeft om de goederen (al dan niet tegen vergoeding) tijdelijk te bewaren – niet belast was met de gehele of gedeeltelijke uitvoering van deze verplichting.

Sommige rechtspraak is nog restrictiever: wanneer een verkoper na verkoop een onderaannemer inschakelt om de goederen te verpakken in kleinere hoeveelheden (en deze daarbij fouten maakt), is die onderaannemer geen uitvoeringsagent vlg. Hof Gent 24 januari 2008[75]; is m.i. onjuist voor zover een slechte verpakking een wanprestatie van de verkoper uitmaakt.

ii)  Organen van rechtspersonen

Ten aanzien van de contractuele verplichtingen van een vennootschap zijn de organen, zoals de bestuurders, uitvoeringsagenten die in beginsel ook van die quasi-immuniteit genieten[76].

iii)  Geen immuniteit want geen uitvoeringsagent

Wanneer de verhuurder van een gebrekkige zaak aangesproken wordt door een derde op grond van art. 1384 BW, kan hij het exoneratiebeding in de overeenkomst met de huurder niet tegenwerpen aan een derde-schadelijder (in de veronderstelling dat diens schade niet-contractueel is)[77].

Verder houdt de regel ook niet in dat een schuldeiser die een contractuele aanspraak heeft jegens zijn wederpartij wegens contractuele wanprestatie, niet voor dezelfde schade een aanspraak zou kunnen hebben uit onrechtmatige daad jegens de derde die medeplichtig is aan die wanprestatie[78] (tenzij die derde een uitvoeringsagent is).

In die gevallen kan er een aanspraak uit onrechtmatige daad zijn ook al is de schade tevens een contractuele schade, zolang het geen louter contractuele schade is[79].

Moeilijker is het hoger aangehaalde geval van een koper die schade lijdt door een aankoop die hij niet kan vernietigen omdat zijn dwaling onverschoonbaar is, en dit het gevolg is van de onzorgvuldigheid van een derde die hem adviseerde (bv. zijn vastgoedmakelaar), met name wanneer de koper is voortgegaan op informatie vanwege een vierde die door zijn adviseur-wederpartij was geconsulteerd, rijst de vraag of er een contractuele verplichting van de derde is die geschonden is; is dat niet het geval, dan is een aansprakelijkheidsvordering tegen de vierde mogelijk. In het geval waarin die vierde een schatter is die is aangesteld door de hypothecaire kredietverlener[80], lijkt het erop dat die schatting niet gebeurde in uitvoering van een contractuele verplichting van die kredietverlener jegens de kredietnemer (hoogstens een precontractuele) en er dus een aansprakelijkheidsvordering mogelijk is. Een vergelijkbare vraag betreft rapporten van derden die wettelijk verplicht zijn opdat een contractspartij zijn contractueel verplichte prestaties zou kunnen verrichten – bv. een keuringsattest. Hier lijkt een aansprakelijkheidsvordering mogelijk, maar het hangt er opnieuw van af of de schade een contractuele schade is of niet (als de door de keurder begane fout een louter contractuele schade veroorzaakt voor de wederpatij van de opdrachtgever, is er immuniteit); ook wanneer de contractspartij een rapport van een derde aanbrengt om aan een contractuele informatieplicht te voldoen, gaat het normaal wel om een contractuele schade en is de derde een uitvoeringsagent.

Op de immuniteit zijn er overigens traditionele uitzonderingen:

– wanneer de wanprestatie tevens een strafrechtelijke fout uitmaakt;

– bij fouten van bestuurders van vennootschappen die een overtreding van het WVV of schending van de statuten inhouden (art. 2:56 WVV, voorheen 263, 408 en 528 Wb.Venn.).

f. Samenloop met belastingschuld

De fiscus kan geen schadevergoeding krachtens art. 1382 OBW vorderen voor schade die bestaat uit het bedrag van de ontdoken belasting, en dit omdat het de belastingwetgeving is die bepaalt wie er aansprakelijk kan worden gesteld voor die belastingen: “Hoewel de administratie het recht heeft om op grond van belastingmisdrijven een burgerlijke rechtsvordering in te stellen, kan ze dat enkel in zoverre ze het herstel vordert van schade waarvoor de wetgeving in geen eigen mogelijkheid tot herstel voorziet, met andere woorden, voor specifieke schade”; voor de schade die volgt uit het verbergen van de belastbare handeling, kan enkel beroep worden gedaan op de herstelmogelijkheiden van de belastingwetgeving zelf[81].

g. Reflex- of weerkaatsingsschade voor aandeelhouders of schuldeisers

Een vennootschap is gerechtigd om schadevergoeding te vorderen van een derde door wiens fout het vennootschapsvermogen werd aangetast.

Aandeelhouders:

Voor deze schade aan het vennootschapsvermogen komt aan de aandeelhouders geen zelfstandig vorderingsrecht toe[82]. In bepaalde gevallen kunnen zij wel namens de vennootschap vorderen ten bate van de vennootschap. Deze beperking geldt niet voor andere schade die de aandeelhouders zouden lijden.

Schuldeisers:

Volgens een bepaalde opvatting kunnen ook loutere[83] schuldeisers van derden vergoeding vorderen van de schade die zij leiden door de fout van die derde die erin bestaat dat het vermogen van de schuldenaar als onderpand is aangetast (afgeleide of reflectieschade). Hierbij moet op de eerste plaats worden opgemerkt dat er géén schade kan zijn voor de schuldeiser voor zover de schuldenaar zelf een recht op schadevergoeding heeft jegens die derde, omdat die schuldvordering, waarop de schuldeisers eveneens verhaal kunnen nemen, dan de schade in het vermogen compenseert. De vraag is dus of een schuldeiser op genoemde grond meer rechten kan hebben dan de schuldenaar zelf. Wat schuldeisers betreft is dit betwist[84]. De cassatierechtspraak lijkt dit alvast wel in bepaalde gevallen toe te kennen bij faillissement (in welk geval de schuldvordering voor collectieve schade enkel door de curator kan worden uitgeoefend).

Volgens de (m.i. problematische) formule van de cassatie-arresten heeft de boedel ook de aanspraak op schadevergoeding van schade aan de boedel zelf, ook genoemd het collectief nadeel dat de schuldeisers leiden (immers een schade aan het “collectief onderpand” van de schuldeisers) door de fout van een derde (d.i. iedereen behalve de gefailleerde) en is er schade aan de boedel bij een vermeerdering van het passief van de boedel of een vermindering van het actief[85] door de fout van een derde, alsook wanneer door de fout van een derde het actief dat ter beschikking moest staan van de schuldeisers niet effectief voorhanden is in de boedel[86].

Het eerste dient m.i. te worden genuanceerd: zeker niet elke toename van het passief is een schade voor de op dat ogenblik reeds bestaande schuldeisers. Maar er is de meer fundamentele vraag op welke grond de schuldeisers een aanspraak zouden hebben wanneer de gefailleerde zelf geen aanspraak heeft (bv. indien de toename van het passief of vermindering van het actief door een daad van een derde die contractueel verbonden is met de gefailleerde geen contractuele fout uitmaakt). M.i. is er hoogstens een rechtsgrond in de volgende gevallen:

a) Wanneer bij de uitoefening van de actio pauliana of de herstelbevoegdheden van de curator t.a.v. handelingen uit de verdachte periode blijkt dat een goed dat aan een wederpartij van de gefailleerde was vervreemd niet in de boedel kan worden geïntegreerd omwille van een daad van die wederpartij, dan heeft de boedel een aanspraak tot schadevergoeding op die wederpartij.

b) Waar de aangesproken derde bij de schuldeisers de schijn heeft gewekt dat een bepaald actief aanwezig zou zijn of passief afwezig zou zijn. Dit vinden we in Cass. 24 oktober 2002[87], twee zaken waarin een fictieve kapitaalsverhoging was doorgevoerd door de valsheid van een derde. Door die fout was het kapitaal niet daadwerkelijk verhoogd tot het bedrag waartoe het volgens de akten van kapitaalverhoging zou zijn verhoogd. De curator vorderde de daarmee overeenstemmende schadevergoeding. Er werd niet ingegaan op de vraag of het in casu ging om een recht op schadevergoeding van de gefailleerde zelf (dat als bestanddeel van de boedel door de curator werd uitgeoefend) dan wel om een eigen recht op schadevergoeding van de boedel, omdat er in beide gevallen een aanspraak van de boedel zou zijn (en dus de curator bevoegd) nu de schade van de schuldeisers in ieder geval een gemeenschappelijke schade was[88]. Nochtans is die vraag m.i. wel relevant, want indien de gefailleerde geen recht had, dan kan dit m.i. slechts op grond van de simulatie, maar dan kunnen de schuldeisers van de gefailleerde zich op de gesimuleerde handeling beroepen om de kapitaalsverhoging in te vorderen.

Zoals hierboven gezegd is een deel van de rechtspraak en rechtsleer evenwel van oordeel dat schuldeisers, anders dan aandeelhouders, van een derde vergoeding kunnen vorderen van de schade die zij lijden door de fout van die derde die erin bestaat dat het vermogen van de schuldenaar als onderpand is aangetast (afgeleide of reflectieschade), terwijl de schuldenaar zelf geen recht zou hebben op die vergoeding. Voor zover zo’n aanspraak op vergoeding zou bestaan (wat ik betwist) is die aanspraak in geval van faillissement wel duidelijk een collectieve aanspraak en geen individuele aanspraak. In Cass. 29 oktober 2004[89] stelt het Hof van cassatie in toepassing hiervan duidelijker dat de schuldeisers collectieve aanspraken kunnen hebben, ook indien de gefailleerde geen aanspraak heeft; het Hof rechtvaardigt ook dit met een beroep op de bescherming van het gewettigd vertrouwen van de schuldeisers (op de aanwezigheid van dat actief of afwezigheid van dat passief). Daardoor wordt toch opnieuw aansluiting gezocht met de schijn- of vertrouwensleer. Dat rechtvaardigt een restrictieve interpretatie van die mogelijkheid: de regel moet wel zijn dat de gezamenlijke schuldeisers, en dus de boedel (waarover het bewind wordt gevoerd door de curator) geen andere aanspraken heeft dan de gefailleerde zelf[90].

Problematisch zijn dan ook sommige toepassingen van deze leer, zoals bv. Cass. 28 maart 2014[91], waar aan de notaris verweten werd dat hij bij de uitbetaling van de koopprijs voor een door de schuldenaar, latere gefailleerde, verkocht onroerend goed geen rekening had gehouden met twee schuldeisers van de verkoper, en de koopprijs vervolgens bij de verkoper verdween zonder dat daar een vermindering van het passief tegenover stond. In dit geval is het causaal verband tussen de beweerde fout van de notaris en de vermindering van het actief van de boedel toch wel erg betwistbaar …

NB. Wanneer door een schending van het mededigingsrecht een directe schadelijder zijn prijzen verhoogt en dus de schade (ten dele) afwentelt op zijn klanten, gaat het in hoofde van die klanten niet om afgeleide schade; anders dan naar Amerikaans recht kunnen die klanten dus vergoeding van hun schade vorderen van de inbreukmaker (zie art. 13 v. RL 2014/104.)

h. Bij medeplichtigheid aan wanprestatie

Bij medeplichtigheid aan wanprestatie bestaat de vergoedbare schade uit het voordeel dat de schadelijder zonder de wanprestatie zou hebben geleden. Bij medeplichtigheid aan een vervreemdingsverbod bij leasing blijft deze aanspraak dan ook beperkt tot de omvang van de huurvorderingen van de leasinggever op de leasingnemer, ook al ligt de realisatiewaarde van de geleasde goederen hoger[92]. Mocht de buitencontractuele aanspraak gregrond zijn op de schending van het eigendomsrecht, geldt die beperking normaal niet, maar in de mate waarin de leasinggever bij revindicatie een verplichting heeft tot teruggave van de meerwaarde aan de leasingnemer zou dit op hetzelfde neerkomen (impliciet in hetzelfde arrest).

i. Drittschadensliquidation

Hoger zagen we dat in het contractenrecht er gevallen zijn waarin een verbonden derde hoedanigheid om schadevergoeding te vorderen (van schade die deze dus niet zelf lijdt. In het Europees mededingingsrecht heeft de persoon die rechtstreeks schade lijdt door een inbreuk op het mededingingsrecht evenwel niet de bevoegdheid deze in te vorderen in zoverre hij die schade heeft afgewenteld (passing on), zie art. 13 RL 2014/104 en art. XVII…. WER; dit is anders in het Amerikaans recht, waar het recht op schadevergoeding geconcentreerd is bij de rechtstreekse schadelijder[93].

j. Schade aan collectieve goederen

Schade aan het milieu kan ingeroepen worden als een eigen schade door een rechtspersoon die zich krachtens zijn statuten tot doel heeft gesteld de milieubescherming te bevorderen. Deze verregaande uitleg door het Hof van Cassatie berust op een verdragsconforme interpretatie van het gemeen recht in het licht van het Verdrag van Aarhus van 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden[94]; formeel ging het over de toelaatbaarheid van de eis, maar eigenlijk komt het neer op een uitbreiding van het subjectief recht zelf.


[1] Cass. 4 november 2011, JT 2012, 530. Zie verder onder meer R. Jafferali, “L’intérêt légitime à agir en réparation – Une exigence illégitime?”, JT 2012, p. 253 et s. Zie bv. Hof Luik 25 oktober 2011, JT 2012, 535.

[2] Cass. 4 november 2011, JT 2012, 530.

[3] Cass. 16 juni 2014, C.12.0402.F, jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=N-20140616-3 = RW 2016-17, 105: om de schade voortvloeiend uit het inkomensverlies van een onrechtmatig verkregen openbaar ambt niet vergoedbaar te achten moet de rechter vaststellen dat de eiser een fout heeft begaan die aan de basis ligt van de onrechtmatigheid bij het verkrijgen van die betrekking.

[4] Hof Gent 1 maart 2013, 2008/AR/1387, ng. (Pub502758)

[5] Cass. 27 juni 2013, C.12.0340.F, jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=F-20130627-4 = RW 2014-15, 663, in casu een zwemvijver; Hof Gent 1e kamer 16 januari 2014, AR nr. 2011/1212, P.V en N.W. / JVD (garage gebouwd zonder vergunning).

[6] Cass. 14 november 2014, RW 2014-15, 1611 concl. A.g. Van Ingelgem, noot N. VAN DE SYPE “Geen vergoeding voor wrongful life”.

[7] Cass. 17 oktober 2016, 2 arresten, nr. C.09.0414.F, I.K. / nv E., RW 2017-18, 859 noot, en nr. C.11.0062.F, VUB / B.U., RW 2017-18, 1217.

[8] RW 2007-08, 987 = RW 2010-2011, 997; Cass. 7 mei 2015, C.14.0011.F, jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=N-20150507-9 = RW 2016-17, 826.

[9] Cass. 23 oktober 2012, P.12.0318.N, jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=N-20121023-5 (ontruimingsactie door de politie); Cass. 7 november 2014, C.13.0199.N, jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=N-20141107-3 = RW 2016-17, 100 met concl. A.g. Vandewal.

[10] Cass. 7 februari 2011, C.10.0332.N, jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=N-20110207-4; Rb. Antwerpen 26 april 2011, RW 2012-13, 710.

[11] Cass. 7 januari 2016, C.15.0231.N, L.V./gemeente Lint, jure.juridat.just.fgov.be/view_decision.html?justel=N-20160107-2 = RW 2017-18, 1345

[12] Zie Cass 28 juni 2018, C.17.0631.N, RW 2018-19, 1027

[13] Cass. 24 januari 2013, 2 arresten, C.12.0308.F, jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=F-20130124-5 = RW 2014-2015, 789, en C.12.0013.F, jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=F-20130124-4 = Arr. Cass. 2013, nr. 59 en 61. Verworpen werd in het laatste arrest eveneens de aanspraak op terugbetaling van de betaalde begrafeniskosten van het personeelslid.

[14] Cass. 26 mei 2009, RW 2009-2010, 622, andersluidende conclusie A.g. De Swaef; E. De Kezel, Juristenkrant nr. 204 = Jaarverslag cassatie 2009, 22; Cass. 30 juni 2009, P.08.1773.N, jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=N-20090630-5 = RW 2010-2011, 1209; Cass. 19 juni 2015, C.12.0577.N, jure.juridat.just.fgov.be/view_decision.html?justel=N-20150619-1 = Arr. Cass. 2015, nr. 317.

Zie eerder al de gevallen van Cass. 9 januari 2006, C.05.0007.N, Arr. 2006, nr. 22, en Cass. 12 november 2008, P.07.1531.F, Arr. 2008, nr. 62; vgl. ook Cass. 19 maart 2010, C.08.0113.F, jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=F-20100319-5, Jaarverslag Cassatie 2010, p. 18.

[15] In die zin HvJ 15 oktober 2015, EU/Axa Belgium, curia.europa.eu/juris/documents.jsf?num=C-494/14; de bepaling van art. 85bis bepaalt uitdrukkelijk dat er subrogatie is, waaruit wordt afgeleid dat het niet gaat om een uitgave die definitief ten laste van de EU moet blijven.

Contra evenwel Cass. 19 juni 2015, C.12.0577.N, jure.juridat.just.fgov.be/view_decision.html?justel=N-20150619-1 = Arr. Cass. 2015, nr. 317.

[16] GwH 20 oktober 2016, www.const-court.be/public/n/2016/2016-136n.pdf = RW 2017-18, 250 noot G. Jocqué “Het regresrecht van de Europese Unie”.

[17] Cass. 16 februari 2018, C.16.0344.F, EU/ nv K.V., RW 2018-19, 858.

[18] Cass. 27 november 2017, C.15.0345.F, RW 2018-19, 1029.

[19] Cass. 14 februari 2011, S.09.0105.F, L. t. Communauté française, in casu over het decreet van 5 juli 2000 van de Franse Gemeenschap houdende de regeling inzake verlof en disponibiliteit wegens ziekte of invaliditeit van sommige personeelsleden uit het onderwijs. Zie ook Cass. 2 maart 2012, C.10.0569.F, jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=F-20120302-3 = RW 2013-14, 1532.

[20] Cass. 14 mei 2012, C.09.0318.F, jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=F-20120514-7, eerste middel = RW 2014-15, 789 = Arr. Cass. 2012, nr. 298.

[21] Cass. 2 maart 2012, C.10.0569.F, jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=N-20120302-3 = Arr. Cass. 2012, nr. 144; Cass, 12 november 2008, Arr. Cass. 2008, nr. 627; Cass. 24 mei 2013, Arr. Cass. 2013, nr. 317.

[22] Cass. 21 september 2009, C.08.0245.N, jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=N-20090921-1 = Jaarverslag cassatie 2009, 23.

[23] GwH 20 oktober 2016, www.const-court.be/public/n/2016/2016-136n.pdf.

[24] Cass. 11 maart 2015, P.13.2051.F, RW 2017-18, 62.

[25] Cass. 18 januari 2021, C.18.0417.F, La Roche en Ardenne / ANMC = JLMB 2021, 978 noot Bruno Devos en Noël Simar.

[26] Hof Antwerpen 25 oktober 2011, RW 2012-13, 991, gegrond op de W. 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming. Vgl. in Nederland, op grond van een andere redenering (‘doorkruisingsleer’) HR 11 december 1992, AB 1993 nr. 301 noot G.A. van der Veen.

[27] Bv. Hof Gent 5 mei 2014, RW 2015-16, 1268 w.b. de kosten van onderzoek en opsporing gemaakt met betrekking tot een ontvoering die achteraf op een vals alarm gebaseerd bleek te zijn.

[28] Cass. 23 oktober 2012, P.12.0318.N, jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=N-20121023-5 (ontruimingsactie door de politie)

[29] Hof Gent 1 februari 2016, RW 2016-17, 826.

[30] Pol.rvb. West-Vlaanderen Brugge 9 november 2015, RW 2016-17, 1395.

[31] Cass. 24 februari 2017, C.16.0309.N, jure.juridat.just.fgov.be/view_decision.html?justel=N-20170224-5 = RW 2018-19, 382, op grond van het KB van 25 april 2007 tot vaststelling van de opdrachten van de hulpdiensten die kunnen verhaald worden en diegene die gratis zijn.

[32] Pol. Veurne 11 april 2011, RW 2012-13, 437.

[33] Cass. 12 november 2008, P.07.1531.F, Arr.Cass. 2008, nr. 627; Cass. 2 maart 2012, C.10.0569.F, jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=F-20120302-3; Cass. 24 januari 2013, 2 arresten, C.12.0308.F, jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=F-20130124-5, en C.12.0013.F, jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=F-20130124-4.; Rb. Antwerpen 26 april 2011, RW 2012-13, 710.

[34] Cass. 4 februari 2014, P.13.0992.N, jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=N-20140204-3, RW 2015-16, 187; Cass. 23 oktober 2013, P.13.0727.F, jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=N-20131023-2 = RW 2015-16, 339, en in navolging daarvan GwH 20 oktober 2016, www.const-court.be/public/n/2016/2016-136n.pdf.

[35] Cass. 8 februari 2016, C.15.0170.N, jure.juridat.just.fgov.be/view_decision.html?justel=N-20160208-1 = RW 2016-17, 822

[36] Cass. 8 september 2016, C.15.0523.F, Franse Gemeenschap / Belgisch Bureau Autoverzekeraars, jure.juridat.just.fgov.be/view_decision.html?justel=N-20160908-7 = RW 2017-18, 859.

[37] Cass. 26 januari 2017, C.16.0179.F, AG/Ethias,

[38] Cass. 17 december 2020, ECLI_BE_CASS_2020_ARR.20201217.1F.1_FR

[39] Cass. 7 november 2014, C.13.0199.N, Vlaamse Gemeenschap/Nationale Suisse jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=N-20141107-3 = RW 2016-17, 100.

[40] Cass. 5 maart 2015, C.14.0197.F, Franse Gemeenschap / AG, jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=F-20150305-9, Arr.Cass. nr. 164

[41] GwH 25 januari 2017, www.const-court.be/public/n/2017/2017-007n.pdf; ook 2 arresten GwH 15 juni 2017, www.const-court.be/public/n/2017/2017-077n.pdf en www.const-court.be/public/n/2017/2017-079n.pdf.

[42] Cass. 3 november 2017, C.15.0337.F, A.B. e.a. / Franse gemeenschap, jure.juridat.just.fgov.be/view_decision.html?justel=N-20171103-1 = RW 2018-19, 865.

[43] Cass. 25 mei 2011, P.10.1111.F, jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=F-20110525-4.

[44] Rb. Antwerpen (Turnhout) 25 maart 2016, RW 2018-19, 1512.

[45] Cass. 7 januari 2016, C.15.0231.N, L.V./gemeente Lint, jure.juridat.just.fgov.be/view_decision.html?justel=N-20160107-2 = RW 2017-18, 1345.

[46] Antwerpen 5 maart 2018, Vlaams gewest/Postoils,TBH 2018, 627.

[47] Cass. 18 februari 2019, C.18.0325.N, Postoils / Vlaams Gewest, https://juportal.be/content/ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190218.1.

[48] Cass. 1 juni 2018, C.17.0465, VMM/Chimac, jure.juridat.just.fgov.be/view_decision.html?justel=N-20180601-2 = RW 2019-20, 1299.

[49] Cass. 27 november 2007, RW 2010-2011, 741.

[50] Cass. 1 juni 2016, P.16.0085.F, jure.juridat.just.fgov.be/view_decision.html?justel=F-20160601-2 = RW 2017-18, 380.

[51] Argument dat uitdrukkelijk gebruikt wordt in Cass. 3 mei 2013, C.12.0425.N, jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=N-20130503-4 = RW 2013-14, 1533. Zo ook Cass. 7 november 2014, C.13.0199.N, jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=N-20141107-3 = RW 2016-17, 100; Cass. 7 januari 2016, C.15.0231.N, L.V./gemeente Lint, jure.juridat.just.fgov.be/view_decision.html?justel=N-20160107-2 = RW 2017-18, 1345.

[52] Cass. 18 novmber 2014, JEM/KBC verzekeringen, P.13.0181.N, jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=N-20141118-2 = RW 2015-16, 333.

[53] Cass. 29 september 2006, C.03.0502.N, jure.juridat.just.fgov.be/view_decision.html?justel=N-20060929-9 = RW 2006-07, 1717 noot A. Van Oevelen = NjW 2006, 946 noot I. Boone = TBO 2007, 66 noot K. Vanhove besproken door H. Bocken in NjW 2007, 722.

[54] Zie voor het geval van schade door een misdrijf nog Cass. 10 juni 2015, P.15.0419.F = JLMB 2015, 1740 = RW 2016-17, 822. Zie eerder Cass. 26 oktober 1990, Pas. 1991, I, 216 = RCJB 1992, 497, noot R.O. Dalcq.

[55] Cass. 24 maart 2016, C.14.0329.N, Banden van Cauter / BNP Paribas Fortis, jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=N-20160324-17 = RW 2018-19, 1661.

[56] Cass.  2 oktober 2020, C.20.0005.N, Tessenderlo group / Vion farming. Zie eerder Hof Antwerpen 18 mei 2009, Limb. Rl. 2012, 16 noot P. Vanhelmont.

[57] Pol. Oost-Vlaanderen (Gent) 22 oktober 2018, RW 2018-19, 675.

[58] Hof Gent 12 februari 2015, RW 2016-17, 226. Zo ook over dezelfde feiten Cass. 17 maart 2017, C.16.0283.N, jure.juridat.just.fgov.be/view_decision.html?justel=N-20170317-1 = RW 2018-19, 382, verwerping voorziening tegen Gent 8 oktober 2015

[59] Cass. 16 maart 2018, C.17.0200.F, Sobegas, jure.juridat.just.fgov.be/view_decision.html?justel=N-20180316-2 = RW 2019-20, 580.

[60] Arr.cass. 2427 = NjW 2908, 29 noot I. Boone = RABG 2007, 1257 noot L. Phang “Over de rechtsverhouding tussen elektriciteitsmaatschappijen en hun afnemers en het samenloopverbod in deze verhouding”.

[61] Vred. Roeselare 18 februari 2010, T.Vred. 2012, 316 noot A. Van Oevelen, waartegen de voorziening in cassatie verworpen werd door Cass. 8 maart 2012, C.11.0027.N, jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=N-20120308-13; Rb. Antwerpen-Turnhout 9 februari 2015, RW 2017-18, 392.

[62] Voor een toepassing op een syndicus van een V.M.E.: Cass. 21 oktober 2010, NV Lappland / Trevi services, C.08.0558/F.

[63] Cass. 20 juni 2005, C.03.0105.F, http://jure.juridat.just.fgov.be/view_decision.html?justel=F-20050620-5; Hof Gent 13 februari 2012, DAOR nr. 102, 206; kh. Dendermonde 22 december 2014, RW 2015-16, 669 (verwijt van een overeenkomst te onderhandelen waarvan men weet dat de vennootschap ze nooit zal kunnen nakomen; in casu in feite afgewezen). Cassatie zou hiermee teruggekomen zijn op de leer in het arrest van Cass. 16 februari 2001, C.99.0477.N, jure.juridat.just.fgov.be/view_decision.html?justel=F-20010216-10, derde middel, volgens hetwelk het orgaan, dat binnen de perken van zijn mandaat handelt bij onderhandelingen, niét persoonlijk aansprakelijk is voor culpa in contrahendo.

[64] Zie bv. Gent 29 maart 2018, TEP 2018, 345: een thuiszorgster die in strijd met haar arbeidsovereenkomst (vzw Familiehulp) een legaat aanvaardde van een persoon waarvoor ze gezorgd had, begaat daarom nog geen (zware) buitencontractuele fout.

[65] Cass. 15 februari 2019, C.18.0444.N, jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=N-20190215-3  = RW 2019-20, 224 = TBO 2019, 378 noot S. Busscher & R. Pelgrims = TBH 2019, 1070 noot J. Rogge.

[66] Cass. 25 oktober 2012, Industriebouw Verelst, C.12.0079.F, jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=F-20121025-9= RW 2013-2014, 934 = RJI 110; Hof Brussel 4 oktober 2010, JLMB 2014, 200 (zaakvoerder van de koper lijdt lichamelijke schade door gebrek in het aangekochte product), voorziening in cassatie verworpen door Cass. 21 november 2011, C.11.0368.F.

[67] Cass. 2 oktober 2014, C.13.0288, faill. Ouranos Networks/ Satelnet, Davoudian Industries e.a., jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=N-20141002-3= Arr.Cass. 2014, 2050 = RPS 2015, 149 noot D. Willermain.

[68] Cass. 12 oktober 2018, Vredendal, jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=N-20181012-2, besproken door R. Verheyden op corporatefinancelab.org/2018/11/06/hof-van-cassatie-quasi-immuniteit-bestuurder-niet-van-toepassing-bij-bijzondere-faillissements-aansprakelijkheid/.

[69] Zo ook R. Verheyden op corporatefinancelab.org/2018/11/06/hof-van-cassatie-quasi-immuniteit-bestuurder-niet-van-toepassing-bij-bijzondere-faillissements-aansprakelijkheid/.

[70] Cass. 18 juni 2021, faill. Story-Scientia, https://juportal.be/content/ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210618.1N.11.

[71] Cass. 24 maart 2016, C.14.0329.N, Banden van Cauter / BNP Paribas Fortis, jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=N-20160324-17 = RW 2018-19, 1661; Cass. 12 maart 2020, C.19.0408.N, Sea-Tank Terminal, http://jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=N-20200312-3 = RW 2020-21, 817.

[72] Cass. 24 maart 2016, C.14.0329.N, Banden van Cauter / BNP Paribas Fortis, jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=N-20160324-17 = RW 2018-19, 1661.

[73] Cass. 7 februari 2020, C.19.0308.F, Elia / MS Amlin Insurance, https://juportal.be/content/ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200207.1F.7 = RGAR 2020, 15719 noot C. Helas, “Tensions autour de la notion d’agent d’exécution”.

[74] Cass. 12 maart 2020, C.19.0408.N, Sea-Tank Terminal, http://jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=N-20200312-3 = RW 2020-21, 817 = RGAR 2020, 15720 .

[75] RW 2009-2010, 1184 noot L. Wermoes, hervorming van kh. Gent 13 januari 2004, dat een rechtstreekse contractuele aanspraak op de onderaannemer had toegekend als accessorium van de aankoop.

[76] Cass. 7 november 1997, C.96.0272.F, jure.juridat.just.fgov.be/view_decision.html?justel=F-19971107-2 = Arr. 1997, 1093 = TRV 1998, 284 noot I. Boone = RW 2006-07, 17171 noot A. Van Oevelen; Cass. 4 mei 2018, jure.juridat.just.fgov.be/view_decision.html?justel=F-20180504-3, besproken op corporatefinancelab.org/2018/05/30/zorgt-het-ontwerp-van-nieuw-bw-voor-een-spectaculaire-verzwaring-van-de-externe-bestuursaansprakelijkheid/. Twijfel hierover wordt wel gezaaid door Cass. 22 december 2016, C.10.0210.F, jure.juridat.just.fgov.be/view_decision.html?justel=N-20161222-10.

[77] Bv. Cass. 4 oktober 2010, C.09.0632.N, jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=N-20101004-1.

[78] Cass. 12 oktober 2012, C.11.0692.N, J&T Autolease, jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=N-20121012-3 = RW 2014-15, 574.

[79] Zie verder S. Stijns & F. van Liempt, “Derde-medeplichtigheid aan andermans contractbreuk”, in V. Sagaert & D. Lambrecht, Actuele ontwikkelingen inzake verbintenissenrecht (2009), 78 v.

[80] Een voorbeeld van zo’n casus vinden we in de Engelse zaak Smith v Eric S Bush, joined with Harris v Wyre Forest District Council (1990) 1 AC 831: de koper kloeg dat hij was voortgegaan op een schattingsverslag van de schatter aangesteld door zijn hypothecaire kredietverlener.

[81] Cass. 2 maart 2016, P.15.0920.F, faill. Expansa, jure.juridat.just.fgov.be/view_decision.html?justel=N-20160302-1.

[82] Zo reeds Cass. 17 juni 1864, Pas. 1865 I 37. Zie nu Cass. 23 februari 2012, C.11.0459.N, jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=N-20120223-5 = RW 2011-2012, 1658 noot F. Parrein = TRV 2012, 319 noot J. Vananroye “Aandeelhouders hebben geen zelfstandig vorderingsrecht voor afgeleide schade” = Jaarverslag cassatie 2012, 29; Hof Gent 19 december 2012, TRV 2013, 257.

Ook bij contractuele schade: Cass. 4 december 2020, C.19.0342.N, RW 2020-21, 1424 = TRV-RPS 2021, 511 noot O. Roodhooft, ook besproken op https://corporatefinancelab.org/2021/06/28/wiskunde-voor-gevorderden-aandachtspunten-voor-schade-bij-post-acquisitiegeschillen/

Dit geldt ook na sluiting van het faillissement: Cass. 10 mei 2019, C.17.03.97.N, jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=N-20190510-3 = TRV-RPS 2019, 776 met bijdrage van J. Van Eetvelde, “Over aandeelhouders en afgeleide schade na sluiting van de vereffening”, besproken op corporatefinancelab.org/2019/05/20/aandeelhouder-beschikt-ook-na-afsluiting-faillissement-niet-over-zelfstandige-vordering-voor-afgeleide-schade/; Cass. 11 december 2020, C.19.0318.N, besproken door J. Vananroye op https://corporatefinancelab.org/2021/01/04/afgeleide-schade-zijdelingse-vordering-en-minderheidsvordering-na-ontbinding-cassatie-spreekt-zich-gedeeltelijk-uit/.

De tegenovergestelde opvatting werd voordien verdedigd door D. Demarez, De afgeleide schade van aandeelhouders van een naamloze vennootschap (doct.pr. Leuven 2004).

In het Nederlandse recht wordt de aanspraak uitzonderlijk toegestaan, nl. als de derden een specifieke zorgvuldigheidsplicht jegens aandeelhouders heeft geschonden: HR 2 december 1994, Poot/APB, NJ 1995, 288, en als de schade een definitief karakter heeft in hoofde van de aandeelhouder (HR 2 mei 1997, Kip/ Rabo Winterswijk, NJ 1997, 662 =  AA 1997, 740).

[83] Indien de schuldeiser tevens een zakelijk recht heeft op een vermogensbestanddeel, kan de schade natuurlijk wel bestaan uit schade aan het voorwerp van dat zakelijk recht.

[84] O.m. E. Dirix, Het begrip schade, p. 140 nr. 224, argumenteert dat de schuldeiser geen vergoedbare schade lijdt. Een recht op vergoeding wordt wel verdedigd door I. Boone en B. Wylleman, “De vergoeding van afgeleide schade in het buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht” in H. Vuye en Y. Lemense (eds.), Springlevend aansprakelijkheidsrecht (Antwerpen: Intersentia 2011), (197) 240, nr. 82 en de verwijzingen aldaar; L. Cornelis, “Persoonlijk: over schade en de aansprakelijkheidsvordering van de curator” in K. Bernauw (ed.), Liber Amicorum Yvette Merchiers (Brugge: die Keure 2001), (61) 69, nr. 12.

[85] Cass. 19 oktober 1999, Arr. nr. 544. Voor het geval van vermindering van het actief vinden we dezelfde regel in § 92 Duitse InsO.

[86] Cass. 5 september 2013, C.12.0445.N, jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=N-20130905-3, Pas. p. 1564.

[87] Cass. 24 oktober 2002, RW 2002-2003, 902 met conclusies A.g. Dubrulle = TBH 2003, 184 noot Verraes.

[88] In de zin van een recht op vergoeding van de gefailleerde: L. Cornelis, “Persoonlijk: over schade en de aansprakelijkheidsvordering van de curator”, in Liber amicorum Yvette Merchiers, 75 v. nr. 22 v.

[89] Cass. 29 oktober 2004, RPS 2004, 159 noot W. Derijcke, “La position juridique du curateur: entérinement d’une révolution taxinomique” = RW 2007-2008, 500 = TRV 2005, 554 noot J. Vananroye.

[90] Hof Gent 6 oktober 2008, 7e K., 2006/AR/1959 en 1994, faill. TVD Plastics / Inox Construct, dat ten dele verbroken werd – evenwel niet op dit punt – door Cass. 17 december 2010, C.10.1046.N = jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=N-20101217-3 = RW 2011-2012, 181 noot R. Houben, “De collectieve schade die de curator kan vorderen is geen bundeling van individuele vorderingsrechten van de schuldeisers, maar wel het vorderingsrecht van de gefailleerde dat op grond van het faillissementsbeslag kan worden gerealiseerd”.

[91] Cass. 28 maart 2014, C.13.0163.F, jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=F-20140328-3 = TRV 2014, 788 noot G. Lindemans

[92] Cass. 19 december 2019, C.19.0167.N, RW 2020-21, 56 noot S. Baeyens “De zekerheidsfunctie van het eigendomsrecht van de leasinggever als grondslag voor het verrijkingsverbod bij leasing”.

[93] Arresten van het SCotUS 17 juni 1968, Hanover Shoe, 392 US 481, en van 9 juni 1977, Illinois Brick, 76 US 504.

[94] Cass. 11 juni 2013, P.12.1389.N, eerste middel, jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=N-20130611-12.